|
Oude
Testament
|
|
1. Woorden
Het O.T. gebruikt voornamelijk de twee woorden ’am
en goj. (meervoud gojim) voor
volk. Hierbij valt op dat:
-
Zowel
Israël als de andere volken worden met deze beide woorden
aangeduid.
-
Vooral in
de jongere, maar ook in oudere gedeelten van het O.T.
wordt ‘am eenzijdig gebruikt voor het volk Gods. Gojim
wordt dan een vakterm voor de andere volkeren, zodat het
vertaald kan worden met heidenen.
Dezelfde associaties, die wij bij het horen van het woord
'heidenen' krijgen, kreeg de Israëliet bij het woord
'gojim'. Met dit woord is tevens een godsdienstig oordeel
over deze volken uitgesproken.
2. Het volk
Israël
Israël is het volk van JHWH: ‘am JHWH.
Hiermee wordt gezegd:
-
Dit volk en
JHWH staan in een bijzondere verhouding tot elkaar; deze
verhouding vindt haar gestalte in het berith (verbond), dat
op de Sinaï gesloten is en reeds in het verbond met Abraham
compleet aanwezig was.
-
Hierdoor is
Israël onderscheiden van de andere volken. In Deut.4:19vv.
vinden wij de voorstelling, dat JHWH het Israëlitische volk
voor Zichzelf houdt en de overige volken overlaat aan zon,
maan en sterren. Dank zij deze historische daad vereert
Israël JHWH als zijn God en vereren de andere volken de
hemellichamen als goden.
-
Hierom heet
Israël een heilig volk. D.w.z. (een tot God afgezonderd
volk) het behoort JHWH toe en is verplicht Hem te dienen
volgens de voorschriften, die Hij gegeven heeft. Het is niet
een heilig volk in ethische, maar wel in godsdienstige zin.
Het is heilig vanaf het moment, waarop het door JHWH van de
andere volken afgezonderd wordt. Het moet dus niet een
heilig volk gaan worden, want het is dat reeds. Wel moet het
in zijn leven tonen, dat het een heilig volk is; d.w.z. het
moet leven als JHWH’s volk en niet zoals de heidenen
rondom hen. Zie Deut.6:5, 7:6. Israël heet daarom "het
volk, dat nabij Hem is" (Ps.148:14).
-
Israël
werd JHWH’s volk door de volkomen vrije daad van zijn
verkiezing (Deut.7:6). Hij koos Israël niet uit alle volken
uit, omdat het kwalitatief of kwantitatief beter was dan de
anderen; niet op iets in Israël rust deze verkiezing, maar
uitsluitend op JHWH’s ondoorgrondelijke liefde
(Deut.7:7,8; 9:5,6). Israël zag er op het moment van de
verkiezing helemaal niet aantrekkelijk uit. Eze.16:3vv
tekent het als een vondeling, die in het bloed van zijn
geboorte op de akker ligt en over wie JHWH zich ontfermt.
Zijn afkomst was niet bepaald van adel: Uw vader was een
Amoriet en uw moeder een Hethietische (Eze.16:3).
-
Deze
vreemde, onverklaarbare liefde van JHWH voor dit
afstotelijke Israël is in dit volk ervaren als iets
ongehoords, waarover het niet uitgedacht raakt (Deut.4:34).
In de grote historische uitredding uit de Egyptische
dienstbaarheid en in de sluiting van het verbond van de
Sinaï krijgt JHWH’s verkiezende liefde een concrete
gestalte. Het verbond is de verheffing van deze liefde in de
sfeer van het recht.
-
Israël is
JHWH’s volk. Dat is de indicatief van het geschonken heil.
Deze indicatief wordt echter terstond gevolgd door een
imperatief: Weest heilig, want Ik ben heilig (Lev.19:2).
Deze overgang van indicatief in imperatief is ook zeer
karakteristiek voor het N.T. Vgl. bijv. Matt.5:14 met
Matt.5:16.
3. De schuld
van het volk Israël
Israël gedraagt zich in de loop van zijn geschiedenis niet
overeenkomstig zijn verkiezing. Het leeft niet als JHWH’s
volk. Het vertreedt en beledigt zijn liefde; het is Hem ontrouw.
Hierover heeft wellicht geen
profeet zó aangrijpend gesproken als Hosea. Israël gedraagt
zich, zegt hij, als een overspelige vrouw. Ook andere profeten
gebruiken graag het huwelijk als een beeld om de
liefdeverhouding tussen JHWH en Israël uit te drukken. Israëls
ontrouw tekenen zij dan als hoererij (bijv. Eze.16:15vv).
Jeremia verwijt: Heeft ooit een volk zijn goden verruild? - en
dat zijn zelfs geen goden! - maar mijn volk heeft zijn Eer
verruild voor wat geen baat brengt (Jer.2:11). De dieren zijn
trouwer aan hun bezitter dan Israël aan JHWH, klaagt Jes.1:3.
Heel Israëls profetie is één
grote aanklacht tegen dit volk: en tegelijk één grote
worsteling om het tot terugkeer tot JHWH te bewegen; Israël
maakt de schuld echter voortdurend groter, totdat JHWH zijn
gericht zendt in de vorm van de ballingschap.
4. Het gericht over Israël
Juist omdat Israël JHWH’s volk is, krijgt het ook het
ergst zijn gericht te verduren. Want al gedraagt Israël zich
niet als een heilig volk, JHWH blijft Zichzelf gelijk; Hij is en
blijft de Heilige, en wordt hierdoor allereerst voor zijn eigen
volk tot een verterend vuur.
Zoals Israël in Egypte gewaar
werd, dat JHWH ten goede van zijn volk als de God der goden
optrad, zo wordt het in de ballingschap gewaar, dat Hij als de
Heilige handelt ten kwade.
Terecht ervaart Israël de ballingschap niet als een tijdelijke
straf, maar als een volkomen ondergang. Het is daarna ook nooit
meer geworden, wat het vroeger onder Mozes en David was. Na de
ballingschap bestaat het slechts als een
"overblijfsel", een "rest". Eerst in de
eschatologische verte van de Messiaanse heilstijd zien de
profeten het weer geheel en al als het volk van JHWH
(Jer.31:31vv; Eze.37:15vv
De profeten hebben lang te voren
het gericht aangekondigd. Zij hebben de ruïneuze gevolgen van
Israëls ontrouw in allerlei beelden getekend. Hosea’s
overspelige vrouw krijgt een dochter, die hij Lo-Ruchama (= geen
genade meer) moet noemen; daarna een zoon, die de naam Lo-Ammi
(mijn volk niet meer) krijgt (Hos.1:6-9). Jesaja noemt Israël:
"volk van Gomorra" (Hos.1:10), daarmee eenzelfde lot
suggererend als eens Gomorra trof. Deut.4:27 stelt de
verstrooiing onder de volken in uitzicht, als Israël zich niet
aan JHWH houdt. Het is niet doenlijk hier alle profeten de revue
te laten passeren. Men komt echter bij allen dezelfde
gerichtsprediking tegen.
Ook in de rampen, die Israël
vóór de ballingschap treffen, zien zij JHWH’s toorn. Het
boek Richteren geeft duidelijk het schema aan: Israël zondigt;
daarna volgt het gericht en de ellende; dan roept het volk JHWH
te hulp; deze ontfermt zich en geeft een richter ter verlossing
(Rich.2:6vv.). Hetzelfde ontmoeten we in 2Kon.17:7-23 inzake de
ondergang van Israël en in de catechesepsalmen 106 en 107. Zie
ook Amos. 4:6vv.
5. Volk en enkeling
Israël is als volk het eigendom van JHWH, en dit volk is
niet een optelsom van alle individuele Israëlieten.
Godsdienstig gezien bestaan er geen individuele Israëlieten,
maar is alleen het volk dat door God is uitverkoren, en in dit
geheel de enkeling. Intussen is elke Israëliet op zichzelf een
representant van het volk. In hem moet datgene, wat
karakteristiek voor dit volk is, gestalte aannemen. In de
persoonlijke gedragingen van elke Israëliet moet blijken, dat
Israël een heilig volk, het volk van JHWH is.
Daarom wordt door een overtreding
van één enkeling het hele volk besmet. Dat blijkt uit het
verhaal van Achan (Joz.7). JHWH zegt in Joz.7:11 niet: één
Israëliet heeft gezondigd, maar: Israël heeft gezondigd en zij
(meervoud) hebben overtreden.
Omgekeerd profiteert heel Israël
ook van wat één enkele Israëliet persoonlijk doet. Als Gideon
aan de Baäls-dienst op het erf van zijn vader een einde maakt,
is de ban over Israël gebroken (Rich.6:25vv.).
Wij stuiten hier op de voor de Bijbel zo gewichtige "pars
pro toto"-gedachte (Pars pro toto = een deel i.p.v. het
geheel), ook wel die der plaatsvervanging of plaatsbekleding
genoemd. Onbewust passen wij deze gedachte toe als we elkaar een
hand geven. Wij geven een hand (een deel), maar de zin daarvan
is, dat wij onszelf geheel aan de ander geven.
In het O.T. komen wij deze pars-pro-toto-gedachte herhaaldelijk
tegen. Een enkeling of een kleine minderheid van het
Israëlitische volk handelt menigmaal plaatsvervangend voor het
hele volk, zowel ten gunste als ten nadele van het volk. Een
koning bijv. is de representant van het volk; zijn daden zijn
beslissend. Dit blijkt o.a. uit de volkstelling van David
(2Sam.24); de gevolgen daarvan treffen niet hemzelf persoonlijk,
maar het volk. De hogepriester vertegenwoordigt het hele volk
als hij de gebeden uitspreekt en offers brengt.
Op deze weg kan de gedachte
rijpen, dat enkelen de dragende kern van het volk of het ware
Israël zijn. Ja, dat slechts in één enkeling het eigenlijke
Israël leeft en doet, wat het als volk van JHWH behoort te
doen. Deze éne is dan de knecht van JHWH, de èbèd JHWH, de
messiaanse gestalte van Deut.- Jes. Reeds veel twist was er over
de vraag of met deze èbèd JHWH het volk of één enkele
persoon bedoeld is. Men kan zeggen: beide! Want eigenlijk moest
heel Israël JHWH’s knecht zijn, doch slechts in de Messias,
die plaatsvervangend voor het volk optreedt, volbrengt Israël
deze roeping.
6. Israël en de volken
Hoeveel nadruk er ook ligt op Israëls afzondering van de
volkeren (heidenen), toch is er geen sprake van, dat Israël het
enige en laatste doel zou zijn van JHWH’s handelen.
Integendeel, Israël is slechts middel ter bereiking van het
grote doel, dat de ganse aarde zal belijden, dat JHWH alleen God
is. Dat heeft Israël reeds gezien in Gods geschiedenis met
Abram. "Met u zullen alle geslachten van de aardbodem
gezegend worden" (Gen.12:3).
Abram, en in hem het Israëlitische volk, ontvangt pars pro toto
(plaatsvervangend voor andere volken) de zegen Gods. Dit volk
mag weten, dat JHWH God is, niet opdat de andere volken van deze
kennis voor eeuwig verstoken zullen blijven, maar opdat deze
juist tot kennis der waarheid zullen komen. De kennis Gods
blijft op aarde alleen in Israël bewaard; de anderen kennen Hem
niet. Alleen Israël ontvangt zijn openbaring. Zo draagt Israël
pars pro toto deze schat met zich mee, totdat hij ook aan de
anderen uitgedeeld zal worden.
De profeten zien de heilstijd in
dit licht: Jes.2:1-5; 25:6, 7 etc. Zij hebben Israëls taak in
dit opzicht duidelijk gezien: Zach.8:23.
Wij mogen er niet aan voorbijzien, dat dit alles voor de zonen
van Israël lijden inhield. Hun afzondering verhinderde hen met
de grote culturele stromingen, die alle geheel heidens waren,
mee te gaan. Terwijl zij het grote geheim van deze wereld
kenden, moesten zij de smaad van een achterlijk volk dragen,
hetgeen zij vergeleken met Egypte en Babel inderdaad waren.
Vooral echter moesten zij de haat der andere volken telkens
verduren; deze gunden het Israël niet, dat het vrij zou zijn om
JHWH te dienen (Egypte, Farao contra Mozes). Vergeten wij
daarbij niet, hoe Israël iedere afwijking van JHWH’s weg duur
betalen moest. Alle overige volken konden zich het heidendom,
dat in elk menselijk hart leeft, vrolijk en vrijuit veroorloven;
JHWH verdroeg het (Hand. 17:30), maar in Israël duldde Hij het
niet. Zo werd Israëls geschiedenis een lijdensgeschiedenis. Het
was zwaar om, plaatsvervangend voor de andere volken, JHWH te
dienen en te aanbidden. Het is er dan ook niet in geslaagd deze
priesterlijke dienst trouw te vervullen, totdat het in Messias
Jezus deze taak volkomen volbracht.
|
|
Septuaginta
|
|
De Septuaginta
kon kiezen uit twee Griekse woorden, toen hij de Hebr. woorden
‘am en goj vertalen moest. Die waren: laos en ethnos.
Daarvan was laos in Griekenland weinig in gebruik: het betekende
volksmenigte of bevolking.
De Septuaginta nu gebruikt dit woord, als in het O.T. sprake is
van Israël als volk van God. Er zijn uitzonderingen, die de
regel bevestigen. Bijv. in Exod.1:22 heten de Egyptenaren het
volk (laos) van Farao, omdat dan het volk duidelijk
onderscheiden wordt van zijn overheid: "zijn gehele
volk" (= het volk, waarover de Farao macht heeft). De
tendens van het Hebreeuwse O.T. om ‘am te bezigen als sprake
is van het volk Gods, wordt door de Septuaginta nog verder
doorgevoerd.
Daarentegen gebruikt de
Septuaginta het woord ethnos ter aanduiding van een volk
als sociologisch-biologisch begrip (bijv. Exod.33:13: dit grote
ethnos is uw laos = dit grote sociologisch-biologische geheel is
uw volk; N.B.G.: deze natie is uw volk). In de meeste gevallen
echter kan men zeggen: ethnos = heiden (waarin een religieuze
veroordeling vervat is), of ethnos = volk (zonder religieuze
veroordeling). Men lette er op, dat de S.V. dikwijls
"heidenen" leest als het O.T. niet bedoelt een
godsdienstig waardeoordeel uit te spreken.
|
|
Jodendom
|
|
Het spreekt wel
vanzelf, dat in het Jodendom, waarin de grote rabbijnen in
godsdienstig opzicht de toon aangaven, veel over het Joodse volk
gedacht en gesproken is, waarbij men als uitgangspunt van zijn
denken het O.T. nam. Hier volgt een korte samenvatting van deze
gedachten.
1. Israël
is JHWH’s eigendom; de andere volken daarentegen zijn aan
andere machten prijsgegeven. Hieruit. ontstond de
voorstelling, dat elk volk zijn eigen archont (= bescherm- of
regeerengel) heeft. Bijv. in Jub. 15:30 v.: "alle volken
behoren JHWH toe en Hij heeft de Geesten macht over hen
gegeven, opdat deze hen op de doolweg zouden brengen. Over
Israël heeft Hij geen Geest of Engel macht gegeven, maar Hij
alleen is zijn Heer en Hij behoedt het."
2. JHWH heeft zijn volk lief als verloofde of als
bruidegom of als man. Als de Messias komt zal de bruiloft
gevierd worden. Van dit gezichtspunt uit exegetiseren de
rabbijnen het Hooglied.
3. Op grond van het feit, dat Israël een heilig volk is,
stellen de rabbijnen allerlei regels op, die bedoelen elke
aanraking met de heidenen te vermijden of elke besmetting door
een rituele reiniging ongedaan te maken. Aanraking met een
heiden = ontheiliging van het heilige volk.
4. De grote tijd van Israël ligt, aldus de rabbijnen op
grond van de oudtestamentische eschatologie, niet in het
verleden, maar in de toekomst. Het zal het wereldcentrum
worden en alle volken (heidenen) zullen òf aan de Messias
onderworpen òf vernietigd worden. In ditzelfde klimaat past
de gedachte, dat de wereld is geschapen op de rots Abraham en
dat om der wille der Joden.
5. Ten opzichte van de volkeren komen wij twee
gedachten tegen:
a. een
uitwerking van het universalisme van het O.T. Israël wordt
dan gezien als de wegwijzer ten leven voor alle
stervelingen.
Van hier uit ontstaat de zendingsactiviteit, die vooral
onder de Joden in de diaspora groot was. Vgl. Mat.23:15.
b. een eng particularisme: Israël is de uitverkoren
natie, kortweg: dè natie. In de nieuwe aion zal het zelfs
de enige natie zijn. Alle andere volken zijn boos en
vijanden van JHWH en Israël.
|
|
Nieuwe
Testament |
|
1. Het
nieuwe van het N.T. is, dat het het woord laos gebruikt als naam
voor de gemeente van Jezus Christus: Hand.15:14, 18:10;
Rom.9:25vv; 2Cor.6:16; Tit.2:14; Heb.4:9; 8:10; 10:30; 13:12; 1
Pet.2:9vv.
Welke positie het N.T. tegenover het O.T. en het Jodendom
inneemt, staat in alle scherpte in de eerstgenoemde tekst,
Hand.15:14. Wij zijn dan op het concilie van Jeruzalem. Jacobus,
Jezus’ broeder, die in Jeruzalem zulk een groot gezag geniet,
neemt het woord n.a.v. de vragen, die rond het zendingswerk
gerezen zijn. Hij spreekt dan de uiterst radicale zin: "Simeon
heeft uiteengezet, hoe God van meet aan erop bedacht geweest is
een volk (laos) voor zijn naam uit de heidenen (ethnè) te
vergaderen." In Joodse oren moet dit bijna
godslasterlijk geklonken hebben, want voor hun besef was alleen
Israël Gods laos. Nu zegt Jacobus, dat de volkeren zoiets als
de voorraadschuur zijn, waaruit God zijn eigen volk samenstelt.
Het besluit, dat dit concilie neemt, komt in feite neer op een
gelijkschakeling van Joden en heidenen. Beiden zullen Jezus als
de Messias moeten aannemen, willen zij in Gods volk worden
opgenomen. Het volk Gods bestaat in het N.T. uit die Joden en
heidenen, die geloven in Jezus Christus. Laos wordt hierdoor een
zuiver godsdienstig begrip, waarin voor biologische of nationale
beseffen geen plaats meer is. Het is een nieuwe eenheid, waarvan
Messias Jezus het allesbeheersende en alles bezielende
middelpunt is. Het is het heilige volk der laatste dagen, dat
ontstaat en bestaat dank zij het verzoenend en verlossend
handelen van zijn Messias in verleden, heden en toekomst.
Het verbaast ons dan ook niet als
wij de rijkste laos-teksten uit het O.T. in het N.T. toegepast
zien worden op de nieuwtestamentische gemeente. Vóór alles
moet hier 1Petr.2:9vv genoemd worden, maar ook 2Cor.6:16;
Tit.2:14; Hebr.4:9; Opb.18:4; 21:3. Vgl. nog Gal.6:16; 3:29;
Filp.3:3; 1Cor.3:16.
2. Voor de apostel Paulus
rijst hier echter een probleem, dat hem veel innerlijk leed
heeft berokkend en door hem besproken wordt in Rom. 9-11. Hij
zou, zegt hij, zelf wel verbannen van Christus willen zijn ten
behoeve van zijn broeders (de Joden). Want zij zijn Israëlieten
en zij zijn aangenomen tot zonen en zij ontvingen de
heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en
de beloften; zij stammen van de vaderen en uit hèn is de
Christus, wat het vlees betreft, voortgekomen. Toch zijn zij
het, die de Messias verworpen hebben, terwijl volken Hem hebben
aangenomen.
Paulus ziet hierin de hand Gods.
Om het evangelie tot de volken te laten gaan, moest Israël
opgeofferd worden. Om hun ongeloof zijn zij uit de olijfboom
weggebroken en in hun plaats zijn de heidenen geënt
(Rom.11:15vv). Wat zal dan van Israël worden? Het is moeilijk
uit Rom.11:25-36 een duidelijk antwoord op deze vraag te geven.
Intussen is zóveel wel zeker, dat Paulus Israël niet geheel
gelijkschakelt met de heidenen. Dit volk blijft in het grote
heils-handelen Gods een eigen plaats en toekomst innemen..
|
|
Laos
in de oude kerk |
|
In de oude kerk
heet de gemeente, die in vergadering bijeen is, laos. In het
N.T. behoren onweerlegbaar alle christenen tot het volk Gods.
Ook de apostelen, evangelisten, presbyters en bisschoppen worden
er toe gerekend. In de oude kerk daarentegen wordt het woord
laos gebruikt voor de gemeenteleden in onderscheid van de
bisschop. Laos is dan het volk, dat onder het gezag van de
bisschop staat (vgl. Exod.1:22, waar de laos onderscheiden wordt
van zijn overheid). Hieruit ontstaat het bijv. naamwoord laikos
(= tot het gewone volk van de gemeente behorend = leek).
|
|
|