Klik hier om onze site "Het Woord" te openen indien u alleen deze pagina zietSlaaf

 

Slaaf, Slavin

1. De Statenvert. heeft in plaats van het woord slaaf meestal het woord dienstknecht, dat het begrip "lijfeigenschap" niet in zich sluit. Slavernij was ook bij Israël normaal; de wet hief dit niet op, maar maakte het draaglijk door een humane opvatting. Ook de slaaf is een beelddrager van God. De meeste slaven en slavinnen in Israël waren geen Joden maar heidenen (Lev.25:44vv).
 
Men kon op vier manieren slaaf worden: door geboorte; oorlog, omdat de gevangenen in leven gelaten werden; door aankoop (Gen.17:23,27; 37:28,36); door financiële problemen: vreemdelingen die niet in hun onderhoud konden voorzien, werden vrijwillig of door hun schulden gedwongen, slaven.
Ook Israëlieten konden lijfeigenen worden. In de regel werden zij dit alleen in geval van nood: wanneer zij geen eigen middel van bestaan meer hadden, verkochten zij zichzelf en hun gezin aan een welgesteld Israëliet (Exod.21:2 ; Lev.25:39,47. Ook verkochten arme Israëlieten soms hun dochters, wanneer zij ze niet konden verzorgen (Exod.21:7).
 
Het gewoonterecht bepaalde dat een Israëlitisch schuldenaar, die niet aan zijn verplichtingen kon voldoen, ook tegen zijn wil door zijn schuldeiser als slaaf genomen kon worden; de schuldeiser kon ook zijn kinderen nemen en als slaven verkopen (2Kon.4:1; Neh.5:5,8; Job 24:9; Jes.50:1; Amos 2:6; 8:6; Matt.18:25). De wet verbood dit niet, hoewel het krachtens de bepalingen inzake schuld en pand tegen de geest van de wet was.
 
De Israëlieten hadden niet zoveel slaven als de Grieken en Romeinen. Volgens de opgaven van de met Zerubbabel teruggekeerde ballingen (Ezra 2:64vv; Neh.7:66vv) waren er op 42.360 vrijen slechts 7.337 slaven en slavinnen.
 
De prijs van een slaaf was afhankelijk van leeftijd, geslacht, gezondheid, bekwaamheid en kracht. De gemiddelde prijs was 30 zilveren sikkels (Exod.21:32). Deze prijs was tamelijk constant, want Ptolemeüs Philadelphus liet (Josefus Ant. 12.2.3) voor elke Joodse krijgsgevangene in Egypte een losgeld betalen van 120 drachmen ofwel 30 sikkels. Twintig sikkels werden voor de zeventienjarige Jozef betaald (Gen.37:28). 2. We moeten de tempelslaven en degenen die heerdiensten deden onderscheiden van de slaven. Zij waren geen lijfeigenen en bijna allemaal overgebleven Kanaänieten.
 
Bij de slaven was er een belangrijk verschil tussen Israëlieten en niet-Israëlieten. De niet-Israëlietische slaven werden als "eigendom" aangemerkt. Bij de meeste oude volken had de slaaf geen rechten tegenover zijn meester, maar in Israël zag men zowel de slaaf als de meester als door God geschapen. Daarom hadden ook slaven rechten, die de meester niet straffeloos kon schenden. Zo mocht de slaaf niet worden gedood of verminkt.
 
De slaaf moest de sandalen van zijn meester dragen, aan- en uittrekken (Matt.3:11; Mark.1:7; Joh.1:27;), hem aan- en uitkleden, zijn voeten wassen, hem helpen bij het baden, gasten bedienen, het rijdier zadelen enz. Ook moest hij het huis- en akkerwerk verrichten, voor het vee zorgen, enz.
 
Slaven die men vertrouwde werden door rijke mensen aangesteld als huismeesters en rentmeesters: denk aan Eliëzer (Gen.15:2; 24:2), Jozef (Gen.39:4-9), en Ziba (2Sam.9:2, 9vv). Zij pasten ook op de kinderen en moesten hen opvoeden. De slavin moest de vrouw des huizes helpen bij het huiselijke werk, zoals malen, bakken, koken, wassen enz.; zij moest op het veld werken: koren maaien en schoven binden (Ruth 2:8, 22vv). Malen met de handmolen (Exod.11:5; Jes.47:2) was het geringste en zwaarste werk.
 
Slaven mochten lichamelijk straffen met stok en gesel krijgen. Maar de wet stelde grenzen, om misbruik te voorkomen. Wanneer een meester zijn slaaf of slavin doodgeslagen had, dan moest hij gestraft worden - hoe, wordt niet gezegd. Had een meester zijn slaaf diens oog of tand uitgeslagen, dan moest hij hem vrijlaten (Exod.21:20, 26). Over het algemeen werden slaven zacht behandeld. Slavenoproeren kwamen niet voor en slaven liepen zelden weg (Gen.16:6; 1Sam.25:10; 1Kon.2:39).
 
Toch was de niet-Israëlitische het eigendom van de meester: hij kon hem verkopen, als pand geven, weggeven en bij testament vermaken (Lev.25:44vv). Een slavin kon men voor zichzelf, zijn zoon of iemand anders als bijvrouw nemen. Dan kreeg zij een hogere positie. Werd deze verbintenis verbroken, dan moest zij op haar verzoek vrijgelaten worden. Men moest een krijgsgevangen vrouw, voordat men haar trouwde, een maand tijd geven om het verlies van vader en moeder te bewenen en aan de nieuwe omstandigheden te wennen (Deut.21:10vv). Slavinnen waren dus niet prijsgegeven aan de lusten van hun heren.
 
Ook kon een meester zijn slaaf en slavin met elkaar laten huwen. De kinderen van een slavin waren het eigendom van de meester; alleen wanneer zij de bijvrouw van hemzelf of van zijn zoon was, werden haar kinderen niet als slaven aangemerkt.
 
Het strafrecht maakt in twee gevallen onderscheid tussen slaven en vrijen:

1. Stierf een slaaf (of slavin) door grote nalatigheid van de eigenaar van een stier, die stootte, dan hoefde deze eigenaar het verzuim niet met zijn leven te boeten; in dit geval moest hij aan de meester van de slaaf 30 sikkels schadevergoeding geven (Exod.21:32).
2. Een man die een slavin verleidde, die al voor een andere man bestemd was, werd niet met de dood gestraft; de zaak werd alleen als schending van het eigendomsrecht beschouwd en behandeld (Lev.19:20vv).

Hoe humaan de slaven behandeld werden, blijkt uit het feit dat een vreemde slaaf, die zijn meester ontvlucht was, niet mocht uitgeleverd of door een Israëliet van zijn vrijheid beroofd worden; het "land van de HEERE" moest een veilig toevluchtsoord zijn waar hij kon wonen (Deut.23:15vv). Gunstig waren vooral de bepalingen voor de verhouding van de slaaf tot de geloofsgemeenschap: hij hoorde er gewoon bij. Was een in huis geboren slaaf acht dagen oud, dan moest hij besneden worden. Datzelfde gold voor een aangekochte slaaf, wanneer deze in dienst trad (Gen.17:10vv). Ook de Sabbatsrust kwam de slaven ten goede (Exod.20:10; 23:12; Deut.5:14). Ook namen zij deel aan de feesten en feestmaaltijden (Deut.12:12,18; 16:11,14), vooral aan de paasmaaltijd (Exod.12:44). De slaven van een priester mochten zelfs van het heilige eten (Lev.22:11).
 
Wel legden deze bepalingen de slaven een zekere godsdienstige dwang op, omdat zij dezelfde godsdienst moesten belijden als hun meester, maar tevens drukten zij een zekere gelijkheid uit van heer en slaaf voor God. En dezelfde dwang gold in feite ook voor vrije Israëlieten.
 
Een niet-Israëlitische slaaf had geen recht op vrijlating, tenzij zijn meester hem verminkt had (zie boven), of wanneer een krijgsgevangen vrouw bijvrouw" geworden was en deze verbintenis later verbroken werd (zie boven). In de praktijk werden slaven echter vaak vrijgelaten. Een slavin die met een vrije man huwde, kon door hem vrijgekocht worden of door haar meester vrijgelaten worden (Lev.19:20). Trouwe slaven kregen soms van hun stervende meester de vrijheid als een soort erfenis (Spr.17:2). Ook gebeurde het dat iemand, die geen mannelijke nakomelingen naliet, zijn dochter aan een slaaf ten huwelijk gaf; op deze manier zou zijn geslacht niet uitsterven, want de slaaf werd lid van de familie en erfgenaam van zijn meester (1Kron.2:34vv). Omdat Abram noch kinderen noch een rechtmatige erfgenaam had, zou een slaaf zelfs universeel erfgenaam zijn geworden (Gen.15:2vv). Maar dit waren uitzonderingen: Meestal was de lijfeigenschap voor niet-Israëlietische slaven levenslang.
 
3. Israëlietische slaven waren ook juridisch beter af. Bovenop het besef van de waarde van elk mens in het algemeen, kwam in hun geval de nationale en religieuze broederband (Lev.25:46). Zij waren dienstknechten van God en hoorden bij het volk dat uit het Egyptische slavenhuis verlost was. Zij mochten daarom niet gewoon als slaven verkocht en hard behandeld worden (Lev.25:42v, 46,55). Waarschijnlijk moesten zij hetzelfde werk doen als vrije dagloners; in elk geval konden zij iets voor zichzelf verdienen (Lev.25:49).
 
Zij werden niet voor het leven het eigendom van hun meester, maar hielden het recht om, als hun diensttijd verstreken was, weer hun vrijheid te hernemen. Hun dienstbaarheid had dus meer het karakter van een zich verhuren voor bepaalde tijd. Over hun vrijlating bepaalt Exod.21:2vv dat een Hebreeuwse slaaf zijn meester zes jaar moest dienen; in het zevende jaar had hij recht op de vrijheid, zonder losgeld. In deze bepaling is de invloed van de sabbatsidee duidelijk zichtbaar; niet dat het sabbatsjaar voor alle slaven op dezelfde tijd aanbrak; de bedoeling is dat hij vrijgelaten werd, zeven jaar na het begin van zijn diensttijd (zie artikel Sabbatsjaar).
 
Was de knecht met zijn vrouw slaaf geworden, dan kwamen zij en de kinderen ook vrij; maar wanneer zijn meester hem een van zijn slavinnen tot vrouw had gegeven, dan moest hij vrouw en kinderen aan zijn meester afstaan; in dit geval stond het eigendomsrecht van de meester hoger dan het huwelijksrecht van de dienstknecht. Wilde deze geen gebruik maken van zijn recht op vrijlating, dan moest hij plechtig voor altijd afstand doen van de vrijheid. In dit geval stelde zijn meester hem "voor God", dat wil zeggen voor de vergadering die in naam van God recht sprak. Daarna liet de meester hem voor de deur of deurpost van zijn huis - niet van de tempel - komen, en doorboorde zijn oor met een priem, zodat het oor enige ogenblikken aan de deur of deurpost gehecht bleef.
 
Na deze openbare handeling hoorde de slaaf levenslang bij het huis van zijn meester. Het recht van de slaaf was dus, dat hij alleen door een vrijwillig besluit levenslang dienstbaar kon worden. De openbare handeling moest voorkomen dat iemand tegen zijn wil, onder het voorwendsel dat hij afstand van zijn vrijheid gedaan had, in slavernij werd gehouden.
 

 

.

o

 

Inhoud

o

 

Referenties

... 1Sam.12:19; 19:1

 

.

o

 


Het Woord Index Woordenboek S Totaal
Voordat we bovenstaande teller in werking stelden werden we reeds 180977 bezocht
Helaas stopte die teller met zijn service.