Klik hier om onze site "Het Woord" te openen indien u alleen deze pagina zietKohlbrugge

 

Kohlbrugge

In de meeste handboeken van de kerkgeschiedenis wordt weinig of geen aandacht aan dr. Hermann Friedrich Kohlbrugge geschonken. Hij was tijdens zijn leven een vergeten persoon, van jongs af werd er al met afschuw over hem gesproken en ook nu hij al meer dan honderd jaar uit dit aardse leven weg is, zijn er nog velen die hem niet begrijpen.
 
Toch vragen wij aandacht voor deze man. Waarom zal duidelijk worden als je dit themanummer leest. Kohlbrugge is een man die door God gebruikt is om bij veel mensen de ogen te openen voor de rijkdom van het Evangelie.
 
Maar omdat Kohlbrugge dit op een ergerniswekkende manier preekte, werd hij door veel godsdienstige, nette, zogenaamd vrome mensen veracht. Op welke manier preekte hij dit dan? Zo:

de mens is niets en heeft niets om voor God aangenaam te zijn; ook de bekeerde mens heeft na ontvangen genade niets in zichzelf en hij is niets in zichzelf om voor God aangenaam te zijn.

Je begrijpt wel dat veel mensen het niet prettig vinden om dat elke zondag te horen. Maar toch: juist op deze manier komt het blijde en bevrijdende Evangelie duidelijk tot zijn recht; juist op deze manier zal onze ziel de Here Jezus Christus werkelijk nodig krijgen, Hem zoeken, Hem waarderen en Hem eren.
 
Om Kohlbrugge’s prediking en levensloop in één zin samen te vatten:

'Niets uit ons en alles uit Hem.'

Van deze dr. Hermann Friedrich Kohlbrugge wordt eerst de levensloop beschreven, vervolgens een paar interessante punten uit zijn leer en prediking, namelijk

  • zijn visie op opvoeding en gehoorzaamheid

  • zijn mening over de Doop

  • hoe hij dacht over Gods voorzienigheid

  • wat hij heeft geschreven over jong én Godzalig zijn

  • ten slotte iets over het gebed.

De levensloop van Kohlbrugge
Op 15 augustus 1803 wordt Hermann Friedrich Kohlbrugge te Amsterdam geboren. Zijn vader hoort bij de Lutherse kerk. Het is de Franse tijd: keizer Napoleon is aan de macht en beheerst ook ons vaderland. Het is dan ook een heel arme en verdrietige tijd.
 
Frits, zoals de kleine Hermann Friedrich wordt genoemd, is een merkwaardige jongen: voor spelen heeft hij weinig aandacht. Hij leest veel liever boeken. Wanneer hij op jonge leeftijd een oogziekte krijgt en gedurende twee jaar bijna blind is, richt hij zijn aandacht nog meer op geestelijke dingen. Al op heel jonge leeftijd denkt Frits veel na over de komende eeuwigheid.
Daarom is de Bijbel voor hem het belangrijkste boek.
 
Zijn grootmoeder
Kohlbrugge heeft een godzalige grootmoeder die op hem een onuitwisbare indruk maakt. Zij onderwijst haar kleine jongen in de Bijbelse geschiedenis aan de hand van voorstellingen op tegeltjes bij de haard. Wanneer zij hem vertelt van de zondeval in Genesis 3 voelt de jonge Frits alsof hij zelf uit de Hof van Eden wordt verdreven. Wanneer zij hem vertelt van de verloren zoon bij de varkenstrog, voelt hij het als volgt aan:
‘Daar zat een uitgehongerde jonge man met erg fijne gelaatstrekken die begeerde te eten, wat de zwijnen aten; maar hij kon niet bij de trog komen. Dan dacht ik maar steeds, dat ik daar zat.’

Later noemt hij zijn grootmoeder Loïs, zoals ook de grootmoeder van Timotheüs heette.
 
Studie voor predikant; bekering
Hoe arm Kohlbrugge’s vader ook is, zijn oudste zoon mag gaan studeren. Frits houdt veel van talen en studeert graag. Hij leest veel klassieke schrijvers. Helaas komt hij in zijn studietijd onder invloed van het heidense denken:
'Ik dacht niet meer aan het vroeger geleerde en begon eindelijk alle behagen te scheppen in heidense deugd en wijsheid, in joodse godsdienstigheid en eigengerechtigheid.'

 
Wanneer hij door de Heere wordt stilgezet op zijn levensweg en tot bekering wordt geleid, schrijft hij (25 jaar oud):
'Ik herinner mij een tijd, waarin het mij een genoegen was om de heiligste waarheden van de christelijke godsdienst te ondermijnen, te spotten met bekering en levendig geloof, te twijfelen aan het bestaan van een God, Die over ons allen waakt, en Zijn heilige wetten te vertrappen, terwijl ik mij huichelend in allerlei gruwelijke misdaden dompelde.’
 
Eens moet hij van de dominee bij wie hij op catechisatie gaat Filippenzen 3 uit het hoofd leren. Hij schrijft later aan een vriend:
 
'Het maakte een buitengewone indruk op mij. Het was mij, alsof ik alles begreep, hoe jong ik nog was. Hoezeer ligt toch onze hele levensbeschrijving in dat hoofdstuk!'
 
Wanneer de vader van Frits op sterven ligt - Frits is dan 23 jaar -, roept hij hem en zegt: beloof me dat je de studie van theologie zult afmaken! Kohlbrugge studeert eigenlijk heel niet meer om predikant te worden, maar nu heeft hij het zijn stervende vader beloofd en nu moet hij het ook doen. Door het sterven van zijn vader komt er een ernstige trek in Kohlbrugge: ook hij moest immers sterven! In dat jaar behaagt het God om Kohlbrugge te bekeren:
'In het jaar 1825, toen ik nog geen enkele gedachte van bekering had, toen ik nog niets van Gods volk of iets van die aard gehoord had - toen, in een donkere, diepe weg, ja, in de angst der hel, had ik de Bijbel voor mij. In een ogenblik drong er iets in mijn hart, dat ik niet beschrijven kan. Het was vlugger dan de bliksem, en de vurigheid kan ik al evenmin beschrijven. Maar in het vuur las en hoorde ik de woorden uit Jes.54:7,8:

'Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten, maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen. In een kleine toorn heb Ik Mijn Aangezicht van u een ogenblik verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen, zegt de HEERE, uw Verlosser.’

Een wolk van diepe vrede was in mij en om mij heen en al mijn zonden waren van mij verdwenen.'
 
Acht jaar later, op 31 juli 1833, raakt Kohlbrugge heel zijn bekering weer ‘kwijt’. Dat gebeurt, omdat hij een ‘bekeerde man in eigen oog’ is. Hij meent dat hij nu steeds heiliger en godzaliger wordt en dat God het goed met hem heeft getroffen. Maar dan laat JHWH hem zien, wie hij eigenlijk is. Al die tijd heeft Kohlbrugge geen diepgaande kennis van zonde. Hij kan nog steeds goed van zichzelf denken.
Hij is bezig een preek voor te bereiden voor de gemeente te Elberfeld, in Duitsland over Rom.7:14. Daar schrijft Paulus:
'Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.’ Dan laat de Heere hem zien, dat hij met al zijn bekering nog steeds niets goeds heeft in zichzelf. Later schrijft hij daarover:
 
'Samengevat zijn wij er op uit God de Heere en Zijn wet dood te maken en ons zelf te handhaven met ons werk. Ik heb lang volgehouden om met de wet in mijn hand tot volmaaktheid te komen en te strijden ten bloede toe. Ik zonk daarbij al dieper weg en waar ik niet dieper kon, maar ver beneden de duivel verzonken lag, daar, in mijn verlorenheid en radeloosheid, kwam de Heere mij tegemoet en heeft mij gezegd: ‘Zoals gij zijt, zo zijt gij Mij heilig; daar niets af, daar niets toe!’ Ik zag een Lam ter rechterhand van God en daar heb ik afstand gedaan van alles buiten Christus.’
Zo wordt Kohlbrugge bekeerd van het ‘bekeerd zijn’.
 
Luthers-Hervormd
Hermann Friedrich Kohlbrugge studeert voor predikant en is nog steeds lid van de Lutherse kerk te Amsterdam, waar hij ook belijdenis heeft gedaan. Eens zit hij onder het gehoor van de dominee. Dan wordt hij heel verdrietig omdat de predikant de waarheid van Gods Woord verdraait.
Kohlbrugge schrijft een brief, wordt voor de kerkeraad gedaagd en uiteindelijk afgezet, al is hij bijna predikant. Nu heeft hij geen kerk meer.
 
Hij wil zich daarna graag bij de Vaderlandse kerk aansluiten, maar die weigert hem schandelijk. Waarom? Omdat Kohlbrugge veel te eerlijk is. Hij neemt geen blad voor zijn mond. En in de Hervormde kerk van die dagen heeft men geen onruststoker nodig, zeggen de heren van de synode!
Maar met de Afscheiding kan Kohlbrugge ook niet mee. Hij vindt deze verkeerd. Hij denkt dat ze niet uit God is. Hij kan daar een plaats op de preekstoel krijgen. Maar hij blijft kerkloos tot aan zijn verhuizing naar Elberfeld in Duitsland (1846), waar hij predikant wordt.
 
Ondertussen trouwt Kohlbrugge op 30 juli 1829 met Catharina Louisa Engelbert. Na nog geen drie jaren sterft zij en wordt hij met twee kleine kinderen (Gerrit, 26 april 1830 en Jakobus, 5 september 1832) overgelaten. Het is een groot verdriet, maar hij mag weten:
 
'Zij is met blijdschap en vreugde ingegaan in het Paleis van
onze Heere en Koning en in het paradijs van onze God.'
 
De briefschrijver
In hetzelfde jaar maakt de bedroefde weduwnaar met zijn oudste kind een reis naar Duitsland om wat op krachten te komen. In het Wupperdal is een opwekking in het geestelijke leven gekomen onder de prediking van dominee G.D. Krummacher. Wanneer Kohlbrugge daar komt, ontvangt men hem met grote vreugde en de verbannen student in de theologie - die ondertussen al doctor is met een proefschrift over Psalm 45 - mag in Elberfeld het Woord van God prediken over zijn lievelingspsalm, Psalm 45.
 
Maar het duurt niet al te lang of men vindt ook in Duitsland dat Kohlbrugge wel erg scherp (te scherp) is en dat hij van bekeerde mensen wel erg weinig overlaat! De bekeerde mens wil graag nog wat goed over zichzelf denken. En na zestien preken wordt voor hem de toegang tot de preekstoel in de Oud Gereformeerde Gemeente te Elberfeld gesloten. Opnieuw wordt hij verbannen.
Kohlbrugge keert terug naar Utrecht en hertrouwt daar op 31 oktober 1834 met Ursulina Philippina baronesse van Verschuer; ze krijgen op 27 juni 1836 een kind: Anna Johanna Jakoba Theodora. Zo wordt hij getroost in zijn groot verdriet: de Heere is goed voor hem!
Hij krijgt veel vrienden en schrijft aan hen heel mooie brieven.
Twee stukjes:
 
'Waarlijk, waarlijk, de genade van Jezus Christus is overvloediger - de liefde Gods groter - de gemeenschap des Heiligen Geestes machtiger, dan alle heerschappij van zonde, van duivel, van dood, van dit ellendige leven en van vergankelijke genietingen, waarin het hart zo licht gewikkeld wordt.'

'De Heere alleen kan het doen! Recht zo, houd niet op en geef geen kamp, voordat gij met de Geest uit de hoogte bekleed zijt en met Gods heil zijt aangedaan. De Heere hoort geen professors, maar jonge raven; en een arme, die hier op Zijn voetbank tot Hem schreit: ‘O grote Ontfermer, leid mij, leer mij, wees voor mij een vertroostend God!’ Als gij bidt, kunt gij alles krijgen, wat gij wilt.'
 
Predikant te Elberfeld
In 1846 wordt hij voorganger in Elberfeld bij sommige gemeenteleden die het niet eens zijn met de kerkorde en de liturgie van hun gemeente. De keizer van Duitsland heeft namelijk allerlei onschriftuurlijke dingen aan de kerk bevolen. En ook de Oud Gereformeerde Gemeente te Elberfeld ging - hoewel schoorvoetend - akkoord. Daarom verenigden sommige gezinnen zich bij Daniël von der Heydt.
Zij nodigen Kohlbrugge uit om bij hen te preken en catechisatie te geven. Hij gaat op dit ernstige verzoek in en vestigt zich in Wuppertal. Daar gebeuren veel verdrietige dingen op kerkelijk gebied en na heel wat strijd en moeite wordt Kohlbrugge in 1846 uiteindelijk predikant van de Nederlands- Gereformeerde Gemeente. Na korte tijd wordt een eigen kerkje gebouwd.
 
In de eerste dienst worden wel dertig kinderen gedoopt (waarvan sommigen al een paar maanden oud), kort daarna wordt het Heilig Avondmaal gehouden en wekelijks mag Kohlbrugge voor zijn eigen gemeente voorgaan. Omdat zij hun doden niet mogen begraven op de begraafplaats van de moedergemeente moet er een stuk land worden aangekocht, waarop nu nog steeds de doden van de Nederlands- Gereformeerde Gemeente te Elberfeld begraven worden.
 
Eindelijk op een Nederlandse preekstoel
In die tijd worden veel preken van Kohlbrugge uitgegeven in het Duits en ook vertaald in het Nederlands. Steeds meer vrienden komen er in ons Vaderland die het diep betreuren dat de synode deze prediker heeft geweigerd lid te worden van de Hervormde Kerk. En op 29 juni 1856 preekt Kohlbrugge voor de eerste keer in Nederland op de kansel van de Hervormde Kerk, te Vianen. De dienst duurt twee uur en de kerk is helemaal vol. Terwijl de collecte anders F 2,= bedraagt (in die arme tijd), wordt er nu F 600, = gecollecteerd.
 
Vanaf die tijd zijn er meer die hem uitnodigen. Vooral in Utrecht en Amsterdam (waar wel 3000 luisteraars zijn). Later krijgt hij zelfs een beroep van de Hervormde Gemeente Zoutelande - waarvoor hij overigens bedankt: hij heeft zijn gemeente in het Wupperdal te lief om zomaar weg te gaan. Hoe is het dan in zijn gemeente? Wanneer een predikant dit aan Kohlbrugge vraagt, antwoordt hij (terwijl ze juist bij een rozenstruik in de tuin staan):
 
'Ziet u deze rozenstruik? Ze zit vol luizen en toch bloeien de rozen. Zó ziet het er ook uit in mijn gemeente.’
 
Zijn laatste levensjaren
Op 25 mei 1866 overlijdt Kohlbrugge’s tweede vrouw op 72-jarige leeftijd. Zij tobt veel met de vraag: hoe kom ik van mijn zonden af en hoe komt God aan Zijn eer? En de Heere verlost haar van al haar zonden, zodat zij zonder vrees de dood onder ogen mag zien.
Wanneer Kohlbrugge haar vraagt: ‘Zijt gij gereed’, antwoordt zij: ‘Mijn zonden maken mij nu niet meer ongerust; dàt zou een bespotting betekenen voor het Goddelijk zoenbloed van mijn Heere en Zaligmaker.’ Zij weet immers wat de Heere aan haar ziel heeft gedaan!
 
Kohlbrugge blijft als weduwnaar nog negen jaren eenzaam achter. Zijn laatste preek op 29 november 1874 handelt over Ps. 28:6,7: ‘Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem van mijn smekingen gehoord. De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild, op Hem heeft mijn hart vertrouwd en ik ben geholpen. Daarom springt mijn hart van vreugde en ik zal Hem met mijn gezang loven.’
 
Op 5 maart 1875 sterft dr. Hermann Friedrich Kohlbrugge.
Hij spreekt vlak voor zijn heengaan:
'Hoe lieflijk is mij het sterven! Dit weet ik dat ik in Gods hand geborgen ben. Er komt een grote dag van feestvieren en juichen!'

Tot zijn catechisanten zegt hij:
'Houdt vast aan het Woord, opdat ik met u, die God mij toevertrouwd heeft, eenmaal juichen mag voor de troon van God en het Lam.’
 
Over zijn graf zegt hij eens het volgende:
'Daarom, wanneer ik sterf - ik sterf echter niet meer - en als iemand mijn schedel vindt, dan moge die schedel hem nog prediken:

  • ik heb geen ogen, en toch zie ik Hem;

  • ik heb geen hersenen of verstand, en toch omvat ik Hem;

  • ik heb geen lippen; en toch kus ik Hem;

  • ik heb geen tong, en toch loof ik Hem met allen, die Zijn Naam aanroepen.

  • Ik ben een harde schedel, en toch ben ik helemaal week geworden en versmolten in Zijn liefde;

  • ik lig hier buiten op het kerkhof, en toch ben ik binnen in het paradijs! Alle lijden is vergeten! Dat heeft Zijn grote liefde voor ons bereid, daar Hij voor ons Zijn kruis droeg en uitging naar Golgotha.’

Kohlbrugge over opvoeding en gehoorzaamheid
De verhouding tussen Kohlbrugge en zijn vader (en moeder) is altijd uitstekend geweest. Ook met zijn godvrezende grootmoeder heeft hij een nauwe band. Zelf houdt hij ook veel van zijn kinderen; en dit alles komt ook in zijn preken en catechisatielessen duidelijk naar voren, wanneer hij spreekt over opvoeding en gehoorzaamheid, die jullie aan je ouders verplicht zijn.
Waarom moet je je ouders gehoorzamen? Niet omdat zij het beter weten, ouder zijn, sterker zijn of zo, maar omdat God jouw ouders heeft bekleed met gezag. Je vader en moeder zijn voor jou de plaatsvervangers van God:
'Een kind behoeft, zo te zeggen, de Heere God niet in de hemel te zoeken, het kind heeft de Heere God vóór zich in zijn ouders.'
 
Meteen daarbij maakt Kohlbrugge dan wel een heel belangrijke opmerking:
'Wij spreken slechts van zulke ouders die God vrezen.'
 
Hoe komt Kohlbrugge bij deze gedachte? Wel, zegt hij, God vraagt: eer uw vader en uw moeder. En 'eer' is wat je aan God schuldig bent. Waarom ben je nu ook aan je ouders diezelfde eer verschuldigd? Omdat je ouders de plaatsvervangers van God zijn.
Je moet daarom je ouders in alles gehoorzamen, waarin zij Gods gezag afspiegelen. Daarom is ongehoorzaamheid aan je vader, je moeder, ook zulk een grote zonde!
Hij merkt op: wij zullen allen wel eens erkennen, dat wij onze ouders in veel dingen ongehoorzaam zijn geweest, maar wie beseft dat hij met zijn ongehoorzaamheid tegen zijn ouders de dood verdiend heeft en de vloek?’
 
Verder wijst hij op Gods straf in dit leven: wanneer wij onze ouders slecht behandelen, moeten we er maar op rekenen dat onze kinderen straks met ons ook zo omgaan. Dan zul je bemerken: mijn kinderen doen mij nu net zoveel verdriet aan als ik vroeger mijn ouders heb aangedaan. Ik was net zo ongehoorzaam, net zo eigenwijs; ik gaf net zo’n grote mond en was net zo dwars.
 
Aan zijn moeder, die inmiddels weduwe is geworden, schrijft Kohlbrugge heel wat brieven, waarin wij kunnen merken hoeveel eerbied en liefde hij voor haar heeft. Hij schrijft:
'Lieve moeder, gij schrijft in uw brief dat wij in ons gebed veel zullen gedenken aan u en aan onze lieve grootmoeder. Wij doen dit dagelijks, biddende dat de Heere u Zijn Heilige Geest geve om te ontvangen verlichte ogen van uw verstand, om in te zien dat het alleen Zijn vrije genade is, als de arme zondaar behouden wordt.'
'Sta er na, lieve moeder, dat gij de Heere hebt en in Zijn genade staat, en vrees dan niet, wees niet bekommerd, niet klagende over hetgeen u overkomt; laat ons over onze zonden klagen en de Heere bidden dat Hij ze van ons afneemt en ons door Zijn Heilige Geest de zekerheid in het hart legt, dat wij kinderen Gods zijn. Weg dan met vertrouwen op weduwenfondsen. Laat ze verstuiven en uit elkaar geslagen worden. Wie tot Hem zijn toevlucht neemt, zal opgericht worden uit het stof. God leeft, God zorgt. Zie op Hem alleen! Vertrouw alles aan Hem alleen toe. Hij zal het goed maken!'
 
Wat houdt Kohlbrugge veel van zijn ouders en zorgt hij goed voor zijn moeder! Hij weet dat zijn vader en zijn moeder alles voor hem en zijn tien broertjes en zusjes hebben opgeofferd. Hij schrijft:
'Ouders brengen hun kinderen met smart voort en voeden ze op ten koste van hun eigen rust en gemak; zij nemen hun kinderen in bescherming tegen elk gevaar; zij staan duizend angsten en doden uit om hun kinderen; zij lijden liever zelf honger om hun kinderen te eten te geven.'
 
Tegenover al de ongehoorzaamheid van ons aan onze ouders - en hebben wij er wel eens droefheid over gehad? - stelt Kohlbrugge nu de volkomen gehoorzaamheid van onze Heere Jezus Christus, Die daardoor onze ongehoorzaamheid volkomen bedekt.
Van wie? Van allen, die komen met de oprechte belijdenis: 'Heere Jezus, ik heb de eeuwige dood verdiend, ik ben niets, Gij alleen zijt mijn Sterkte!” 

Kohlbrugge en de Heilige Doop
'Wanneer we het water van de Doop niet onderscheiden van het gewone water, dan dopen wij ons tot een oordeel’,
 
Zo begint Kohlbrugge een dooppreek. Verder beroven ouders die hun kind zo ten Doop houden zich van een grote troost met betrekking tot hun kinderen. Dan doen zij net als de wederdopers die tegen de kinderdoop zijn. Tegen dit ongeloof en de duivel die ons deze troost wil ontroven, wil Kohlbrugge optrekken met de prediking van Gods Woord over de Doop. Veel mensen denken: de Doop is eigenlijk niet echt waardevol...
Maar de Bijbel leert ons in Col.2:10-12, dat wij in de Doop met Christus begraven zijn en dat wij toen ook met Hem opgewekt zijn door het geloof dat God werkt en zo voor Hem mogen leren leven.
 
‘Toen gij gedoopt zijt geworden, hebt gij de belofte ontvangen, dat gij door Christus’ bloed en Geest van de onreinheid van uw zielen, dat is van al uw zonden gewassen zijt, evenzo zeker, als gij uiterlijk met het water van de Doop zijt besprengd geworden.'
'Toen gij gedoopt zijt geworden, zijt gij met Christus in Zijn dood en in Zijn graf ingegaan; toen hebt gij in Hem de oude mens afgelegd, en zijt voorts met Hem uit de doden weder te voorschijn gekomen en opgewekt, om voor Hem te leven en Hem te dienen in ware gerechtigheid en heiligheid, en dat een eeuwig leven lang. Nu zit echter de wederdoper of de baptist in ons aller hart verscholen; in ons aller hart zit die dwaasheid dat wij eerst de vrucht willen zien, voordat er gezaaid wordt.’
 
Ook voor de (gelovige) gemeente en voor godvrezende ouders ligt er veel troost in de Doop van de kleine kinderen, al wordt het ook nòg zo aangevochten.
 
Kohlbrugge zegt daarover:
'Wij, gemeente, hebben grote en dierbare beloften voor ons en voor ons zaad. Immers de Heere God in de hemel heeft het gezegd: ‘Ik wil uw God zijn en de God van uw zaad na u, - dat is Mijn verbond, een eeuwig verbond’ - en dan behaagt het Hem wel eens aan menige ouders, die bekommerd zijn om het eeuwige heil van hun kinderen, met macht toe te roepen: ‘Al uw kinderen zullen van de HEERE geleerd zijn en de vrede van uw kinderen zal groot zijn.’
Het wekke u op, gij ouders, om bij de Heere aan te houden dat Hij zodanige belofte, waarvan gij het teken en zegel aan uw kinderen ontvangt, bij uw kinderen moge waarmaken en vervullen.’
Wat zal een mens nu doen? Wij geven de geest van treurigheid ruimte, we laten de hoop varen en zitten radeloos neer. God wil echter, wanneer ge uw nood en ellende recht en grondig kent - en erkent: God alleen kan hier helpen - dat ge dan ook tot de Heere zult vluchten. Dan komt ge juist zoals de Heere u hebben wil.

  • God wil uw dood niet!

  • God wil uw verdoemenis niet!

  • God wil dat gij uw nood en ellende recht en grondig kent.

  • En wanneer gij uzelf daaronder verootmoedigt voor Zijn

Majesteit, dan wil God dat gij òndanks deze verootmoediging, juist ìn deze verootmoediging vertrouwt: om wille van Christus wil Hij mijn gebed zekerlijk verhoren.’
 
Kohlbrugge en Gods rijksdaalders
Eens schrijft Kohlbrugge dat God nog genoeg ‘rijksdaalders in Zijn kast’ heeft. Hij bedoelt: bij de Heere is nog genoeg, al zijn Gods kinderen nòg zo arm... Hij is er in zijn ziel diep van overtuigd dat God er nog genoeg heeft. Hoe weet Kohlbrugge dit zo zeker? Omdat hij er soms zelf niet één meer heeft. Hij leeft in een tijd dat er bijna geen verzekeringen zijn, dat er bijna geen sociale voorzieningen zijn en dat inenten nog niet gewoon is.
 
En hij krijgt met die dingen te maken: zijn moeder meent na het sterven van haar man recht te hebben op een weduwenpensioen. Maar Kohlbrugge schrijft aan haar dat ze alleen op de Heere en Zijn voorzienige verzorging moet vertrouwen.
 
In zijn preken over God, de Almachtige, zegt hij ten aanzien van Gods volk:
‘De Catechismus vraagt: wanneer gij nu belijdt ‘ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde’, zeg mij dan eens, wat gelooft gij daarmee nu eigenlijk?
Dat is zo’n vraag, precies als wanneer iemand in grote nood is en F 100 nodig heeft en hij heeft ze niet. Maar wel heeft hij een cheque die F 1000 waard is, maar waarvan hij de betekenis niet begrijpt. Dan moet hij zich laten uitleggen welke waarde dit papier heeft. Zo moet u zich ook laten uitleggen, welke waarde deze waarheid heeft ‘ik geloof in God de Vader...’
Ik geloof in God, ik stel op Hem mijn vertrouwen voor heden en morgen en omdat Hij een koninklijke Vader is, daarom ben ik een rijk kind. Deze Vader heeft alles in Zijn macht, alles moet Hem dienen. Zon, maan en sterren heeft Hij geschapen op één dag. Dat doet geen mens Hem na.
De dwaze wereld zegt: ik geloof aan een zak vol geld. En dan begrijpt de dwaze wereld niet dat een kind van God rijker is dan die ganse wereld. Zo ziet Hij op ons en bewaart ons. Hij laat ons niet los. Hij zorgt zelfs voor een stuiver, Hij zorgt zelfs voor een naald.
En het is vaders recht om voor zijn kinderen te zorgen. Dat mag een vreemde niet! Vader geeft huisvesting, kleding, schoenen, eten en drinken. God de Vader heeft alles beloofd..., twijfel niet! Hij zal u verzorgen met alles wat gij voor het leven nodig hebt. Doe daarom niet mee met de wereld. Doet gij dat wel, dan komt er nood.
Maar, waarvan moet ik dan leven? Zie door het venster naar buiten: waarvan leven de vogeltjes? Wanneer God voor de mussen zorgt, dan zorgt Hij zeker ook voor mij, want Hij is immers een genadige Vader!
De duivel wil dat u Gods Woord er aan geeft en het leven in eigen hand zoekt. God echter wil dat wij de ogen sluiten en blindelings aan Zijn trouwe hand voortgaan. Hoewel men soms lang moet wachten, tenslotte komt het toch!’
 
 
Wanneer Christus ons deel is, kunnen wij veilig op God vertrouwen, want dan gelden voor ons de beloften voor tijd en eeuwigheid, voor ziel én lichaam:
'Uw Vader heeft goede ogen, Hij ziet al uw noden. Voor vele jaren heeft Hij ze reeds in het vooruit gezien. De schoenen die gij nodig hebt, heeft Hij reeds laten maken, ze liggen bij de schoenmaker. De kleding die gij nodig hebt, zijn óók al gereed, zij liggen in de winkel. Het brood dat gij behoeft, is al gebakken, het ligt bij de bakker. Hij heeft alles, alles reeds laten maken en houdt het gereed. Hoe kom ik er echter aan? Wel, alles hangt af van Zijn Vaderlijke hand: mijn ziel, wees stil tot God en wacht op Hem!
Wie zich daarin kan verblijden dat hij deel heeft aan de schatten van de liefde van Christus, die heeft een verzekering, die zonder ophouden, dagelijks mild en overvloedig voorziet. Die schatten zijn onuitputbaar; ze zijn echter in ‘s Heeren hand, waar ze trouwens ook het best bewaard zijn. Dus verder getroost alleen op de Heere zien! Hoe minder hoop op onze eigen krachten en hulp van mensen, des te beter!’
O, om jaloers op te worden...

Kohlbrugge en jong-Godzalig zijn
Vanwaar komt het dat zo menig kind, dat zich overigens behoorlijk gedraagt, zich lichtzinnig in het huwelijk begeeft, zonder godsvrucht, zonder te vragen: ‘Vreest ook die jonge man, vreest ook dat meisje God?’ Kunt gij God niet vragen om een vrouw, om een man; en geduld hebben? Zult ge u dan liever door de duivel in de hel laten werpen, dan dat ge uw onkuise begeerte, al kost het ook moeite, bedwingt?’ 

Zo vraagt Kohlbrugge in een preek over het zevende gebod aan de jeugd van zijn gemeente. Hij weet heel goed hoeveel gevaren er juist op het terrein van verkering huwelijk zijn. Hij weet wel met welke begeerten ook jij te strijden hebt. Dat er zondige verlangens in je opkomen en dat je ze niet kunt overwinnen. Hij bidt voor zijn jeugdige gemeenteleden, dat zij een rein hart van God zullen ontvangen en zo reine begeerten mogen hebben. Hij spreekt daarover heel eerlijk:
 
Verboden wordt dus alles wat tot onkuisheid opwekt, allerlei onbetamelijke gedachten, woorden en gebaren; want er is duizenderlei gelegenheid tot hoererij. Denken wij aan het dansen, het zich nodeloos ontbloten; boeken die onkuise dingen beschrijven, romans die de verbeelding prikkelen en het toneel dat daarop uit is.’
 
Toch stelt Kohlbrugge geen somber leven aan jonge mensen voor. Van zogenaamde vroomheid (die rechtvaardiger wil zijn dan God Zelf aangeeft) is hij wars; en hij is het van harte eens met Luther die zegt: ‘God wil graag vrólijke Christenen.’
Naar aanleiding van Pred.11:9 (Verblijd u o jongeling, in uw jeugd) zegt hij dan ook:
'Mensen menen gewoonlijk dat als wij tot God zullen komen, wij een zekere plooi moeten aannemen en dat wij ons ik weet niet welke dingen ontzeggen moeten om een vroom binnenste te hebben. Volgens zulke mensen is vooral de jeugd een zeer zondige leeftijd; men bestraft een jongen omdat hij geen oude man is en een meisje omdat zij niet is als haar grootmoeder. Dit is echter eigenwillige geestelijkheid, waaruit niets goeds voortkomt en die lijnrecht tegen des Heeren Woord is. Des Heeren Woord wil dat Zijn schepsel zich verheugt en blij is voor het Aangezicht des Heeren, op welke leeftijd hij of zij ook is. Daarentegen wil de duivel droefgeestigheid, zuur zien, ach’s en och’s, waar dit geen pas geeft en dat men zich anders voordoet dan het hart gestemd is.
De jeugd is als de lente; en de duivel - de vernieler van alle menselijk geluk en van alle zoetheid van het leven - leert ons de lieve lentebloemen te vertrappen.
Maar anders leert de koninklijke Prediker: ‘Geniet het leven, jongen, meisje, wees blij in je jeugd.’ De jeugd moet vrolijk wezen. ‘Maar zie toe hóe gij dat doet: wat niet uit het geloof is, dat is zonde.’ Vrees God, opdat het genot dat gij in uw jeugd hebt, u niet veroordeelt. Vrees God en verblijd u in Zijn vrees. Laat díe blijdschap des harten niet verstoren.
Deze lieflijke lente niet te genieten zoals God het wil, is een verschrikkelijke ondankbaarheid. Is het in het gewone leven reeds zonde fruit te laten verrotten en elke gave die van Boven is, ongebruikt te laten verderven - des te meer is het zonde om Gods goedertierenheid te veronachtzamen.
De waarschuwing heeft betrekking op het hóe en het wanneer. Het huichelachtige hart vraagt altijd: zou dat ook verkeerd wezen? en denkt: ik zou het wel graag doen, maar misschien is het niet goed; ondertussen hunkert het naar het zondige.’
 

Kohlbrugge en het Gebed
Wat verstaan wij onder bidden? Kohlbrugge zegt:
'God ootmoedig Zijn beloften voorhouden!'

Het is tot eer van God als wij tot Hem de toevlucht nemen, want daarin belijden wij: ik ben geheel van U afhankelijk en Gij wilt het graag geven:
God is onvermoeid in het geven en wij moeten onvermoeid zijn in het bidden.’
 
Onder het bidden moeten mogen wij met de ogen van het geloof blijven staren op Zijn heilsbeloften, op alles wat Christus voor ons volbracht heeft en ondanks dat de duivel ons aanvecht, moeten mogen wij God aanroepen als een genadige en getrouwe Vader. Waar moet je nu het meest om vragen? Om de gave van de Heilige Geest. Daarom moeten we al onze nood en ellende eerlijk vertellen:
'Wij zullen dus doen als een kind, het niet zal verbergen en bedekken, wanneer zijn schoenen stuk zijn - dan zou het alleen maar des te erger worden - maar hij zal ze aan zijn vader laten zien, opdat deze de schoenen weer laat herstellen.
Verder: een kind mag toch niet naar andere mensen gaan om brood en kleren van hen te vragen, maar hij moet tot zijn eigen vader gaan; en die zal hem alles geven, zoals hij steeds alles gegeven heeft. Zo moeten wij ook niet gaan tot een vreemde god, maar tot de ware God.’
 
Wat moeten wij dan van Hem bidden? Alles wat Hij ons bevolen en beloofd heeft (en dat staat samengevat in het ‘Onze Vader’). Hoe moet je dan daarmee omgaan? Als volgt:
‘Heeft God de belofte gegeven van de vergeving der zonden?, zo moeten wij Hem die voorhouden (#Ex 34:7,9).’
 
De rechte bidder voelt zich in al zijn nood steeds goddelozer worden en durft niet meer te bidden. Desondanks getuigt de liefdevolle prediker uit Elberfeld:
‘Maar God beveelt dat we met onze radeloosheid en hulpeloosheid tot Hem zullen komen. Wie zijn zonden recht en grondig kent, kan zichzelf niet helpen, weet niet waarheen hij zich wenden zal en kan zichzelf geen raad geven.
 
Zo is iets uit het leven en uit de geschriften van dr. Hermann Friedrich Kohlbrugge verteld.
 
Van harte wens ik je toe, dat je er winst mee mag doen. Welke winst? Dat je Kohlbrugge helemaal vergeet en de God van Kohlbrugge ernstig leert zoeken, hartelijk kennen, kinderlijk vertrouwen en vurig liefhebben.
 
De man over wie dit themanummer gaat, zou er zeker niet blij mee zijn, wanneer je (in je jonge leven) veel van hem zou weten en ondertussen aan zijn God zou voorbij leven. Maar hij zou er zeer zeker van harte verblijd over zijn, als zijn levensloop en preken, zijn catechisatieboekje en brieven deze vrucht mochten hebben: dat een jongen of een meisje, die bekommerd is over de vele zware zonden, vergeving zoekt in Christus en zich gelovig geheel verlaat op Zijn volkomen offer op Golgotha.
God geve dat deze regels van Kohlbrugge’s Lofpsalm ook in jóuw leven waar mogen zijn of worden:
De tijd, de tijd genaakt, dat G’ ons zult overkleden met eeuw’ge heerlijkheid, terwijl wij voor U treden in ‘t hemelse Paleis, -dáár kroont G’ Uw Eigen werk;
dáár juicht in zegepraal Uw duurgekochte Kerk!
 
Over de stokbewaarder te Filippi
‘Wij hebben in de stokbewaarder de getrouwe afbeelding voor ons van de mens, van een ieder van ons, zoals wij van nature zijn: zonder God in de wereld, vol diepgewortelde haat tegen God en vol vijandschap...
 
Als de stokbewaarder zegt ‘wat moet ik doen om zalig te worden’, geeft hij daarmee te kennen dat hij van de zaligheid geheel en al ontbloot is, dat hij diep in zijn ellende ligt verzonken, dat een zware last van zonden, schuld en onreinheid op hem ligt, ja, dat hij zich radeloos en reddeloos aan de rand van de hel bevindt, - ook, dat hij het volkomen inziet, dat hij zichzelf niet kan redden; ja, dat hij hongert en dorst naar heil en zaligheid.
 
Dit alles zagen de apostelen in hem; zij zagen in hem het werk van de Heilige Geest. Daarom konden zij het ook deze man met alle vrijmoedigheid toeroepen: geloof in de Heere Jezus Christus. Had de zaak anders gelegen, dan was dit woord niets anders dan een gebod. Geen mens kan of zal ooit uit zichzelf in de Heere Jezus Christus geloven, maar de Heilige Geest Die het ene werkt, werkt ook het andere. Hij wil het echter aan de heil-verlegenen en bekommerden laten aanzeggen door mensen, die ook op dezelfde manier zalig zijn gemaakt. En waar dit woord komt, daar is ook de Geest, zodat men geheel vrijwillig, geheel van ganser harte op deze enige Grond, Oorsprong en Uitdeler der zaligheid gaat leunen en steunen - want dat betekent het woord ‘geloven’ in het oorspronkelijke, namelijk dat men zich geheel en al op de Heere Christus werpt en op Hem steunt, op Hem vertrouwt, terwijl men onder dat alles voor des Heeren Woord wegzinkt.’

Over de Enige Troost van de Heidelbergse Catechismus
‘Wat is uw enige troost in leven en in sterven? Zie kind, zie volwassene! Hier wordt u een volle korf met levensbrood aangeboden! Zij wordt echter alleen toegereikt aan hem die uit de Wet zijn zonde leerde kennen, zijn zonde belijdt en betreurt, niet als zonde op zichzelf, maar als een vergrijp tegen de allerhoogste Majesteit, als een misdaad tegen de almachtige en alleen heilige God, Die u gemaakt heeft en van Wie u afhankelijk bent. Tegenwoordig grijpt men met zijn goddeloze, onreine handen in de korf der genade zonder te belijden: ‘Ik heb gezondigd.’
 
Wanneer de vraag ‘Wat is uw enige troost beide in het leven en sterven?’ tot u komt, verwacht zij dus van u dat u vanwege uw zonden waarachtig bedroefd, verslagen en verbroken zit. De vraag komt tot kinderen of volwassenen, jongemannen of grijsaards die goed weten dat zij geen enkel gebod Gods werkelijk gehouden hebben en dat zij nog steeds tot alle boosheid geneigd zijn...
 
Gij antwoordt: ik heb geen troost. ‘Zie!’ zegt de vraag, ‘gij hebt haar toch! gij hebt de enige troost!’ ‘Ja? waar heb ik deze troost dan?’ O, die troost heeft God en ik zeg u, die hunkert naar troost, dat deze troost úw troost is. ‘Hoe weet gij dat?’ Dat weet ik uit eigen ervaring: toen de troost tot mij kwam, lag ik in de hel en was ik bedroefd tot in het diepst van mijn ziel. En zo dikwijls als deze vraag van de Catechismus tot mij komt, lig ik in de hel en almachtige genade is nodig om mij uit de diepte te trekken en mij uit deze banden te verlossen.’

Over de Naam IMMANUEL
‘Immanuël: God met ons. Is er nog nood, hebt gij nog te vrezen bij deze Naam, o alle gij treurigen te Zion? Waar gij klaagt, dat daarbinnen in het hart alles overhoop ligt, dat in het hart alles verstoord, woest, ijl en ledig is, dat niets dan zonde en dood in het hart zitten, niets dan duisternis op de afgrond ligt. Gij, die in duisternis en schaduw des doods gezeten zijt, zie omhoog: Hij is het Licht des levens! Al zegt uw hart louter ‘neen’ en al houdt Hij Zich verborgen...laat Zijn Woord - de daad dat God met ons is die zonder genade zijn - voor u gewisser zijn dan alle twijfel die u kwelt omdat gij zo zondig zijt.’
 
Aan zijn moeder die weduwe is
‘Hartelijk geliefde moeder!
Het is met het weduwenfonds niet anders gegaan dan ik zo dikwijls gezegd heb, evenwel bedroef ik er mij niet over. ‘Die nu waarlijk weduwe is en alleen gelaten, die hoopt op God en blijft in smekingen en gebeden dag en nacht’, zo spreekt de Schrift. En op een andere plaats zegt de Heere: ‘Vervloekt is een ieder die op mensenarm vertrouwt en vlees maakt tot zijn God.’
 
Daarover bedroef ik mij meer, dat in deze van God afvallige en huichelachtige eeuw, een ieder het zijne zoekt en niet wat des Heeren is. Dat men spreekt van fondsen en verzekeringen in plaats van zich geheel met een volkomen hart toe te vertrouwen aan de Heere HEERE Die ons geschapen heeft en ons ook onderhoudt; bij Wie uitkomsten zijn tegen nood en dood, en Die Zich betonen wil te zijn de getrouwe en zorgdragende Man der weduwen en de liefderijkste Vader der wezen.’
 
Nooit sterk geweest dan alleen in God
‘Kracht heb ik niet om mijzelf te bekeren; kracht vond ik niet om Gods gebod te bewaren, zoals ik wel gewild had en waarvoor ik mijn best deed, - kracht vond ik niet om mij tot God te wenden, geen kracht om ook maar een enkele zucht uit te stoten; kracht vond ik niet om ook maar een enkele zonde, een belachelijke zonde, zo zwak als een spinneweb, als een draad te verscheuren; kracht vond ik niet om aan de wereld en haar smaad tegenstand te bieden! - en juist toen, toen ik zo krachteloos was, heb ik het meegemaakt, dat de Heere de Sterkte van Zijn volk is. Sterk ben ik nooit geweest dan alleen in de kracht des Heeren. Blij ben ik nooit geweest, dan alleen in de vreugde des Heeren.
 
Dat ondervond ik al van mijn jeugd af: ik ben door alle radeloosheid heengekomen, maar geen mensen, maar de Heere alleen: Hij heeft gehoord, Hij heeft geholpen, toen ik aan de rand van de afgrond lag!’
 
Zijn godzalige vader
‘Veel dank ik naast God aan mijn godzalige vader die - toen ik nog zeer jong was - tot mij zei: ‘Als je de vijf Boeken van Mozes verstaat, versta je de gehele Bijbel.’ Alles wat de geliefde man tot mij zei, maakte op mij de indruk als sprak God door hem, zodat ik zijn woorden in mijn hart weglegde ook al misten ze voor dat ogenblik de rechte toepassing.
 
Het vlijtig lezen van de Boeken van Mozes heeft, van mijn jeugd af, vruchten gedragen en is de grondslag geweest voor het juiste begrip der Heilige Schrift. Zo zijn de evangelisten en apostelen mij uit de profétische geschriften duidelijk geworden.’

Lofpsalm
Looft God! Hij is ‘t, Wiens stem ons uit de doodsslaap riep, Hij is ‘t, Wiens vrije gunst ons naar Zijn beeld herschiep! Hij is alleen de Man, Die woord hield, als Hij sprak, Die alles heeft beloofd, en nooit beloften brak. Heft vrolijk ‘t hoofd omhoog, verbrijzelden van harte, hoe macht’loos in uzelf, doorgriefd van zondensmarte! O dierbaar volk van God, volharden w’ in de strijd, blijv’ hand en hart en mond de Heere toegewijd! Wel zijn wij macht’loos, ja behoeven zelf bescherming, maar onze Koning is ook Priester vol ontferming. Geloofd zij onze Vorst, Die tevens Priester is, in Wiens Gerechtigheid ons schuldvergiffenis te beurt valt; Wiens genâ de heerschappij blijft voeren, schoon satan, wereld, zond’ en dood ons hart beroeren. Beminden Gods, wat heil is ons, ja ons beschoren! Ellendig in onszelf, verdorven, diep verloren en waardig, dat God ons in eeuw’ge duisternis ternederstiet, schonk Hij ons toch vergiffenis... Ja, kom Gij Zelve, Heere Jezus! wij verlangen naar U, want zond’ en dood houdt vlees’lijk ons omvangen. Maak ons volkomen vrij en geef ons oog en oor dat elk van ons U zie, en U alleenlijk hoor’! Verbreek de banden, die ons aan de wereld binden; Dood Gij de oude mens, en wat G’ in ons moogt vinden, dat lust heeft om de wil des duivels nog te doen: Uw Borggerechtigheid, Uw Godd’lijk bloed-rantsoen delg’ uit in ons wat U mishaagt, en schenk’ ons ‘t Uwe. Dat ons gereinigd hart van voor’ge afgoôn gruwe, U zuiver minne, Die ons ‘t eerst heeft liefgehad
en ons gewassen in des Geestes waterbad!
 
Voor hen die op weg willen naar het belijdenis-doen, schrijft Kohlbrugge een boekje met vragen en antwoorden met als titel: ‘Beproeft uzelf, enige vragen en antwoorden tot onderzoek en oefening van zichzelf of bij het doen van de belijdenis des geloofs’. Daarin komt het volgende aan de orde:

  • Gods Woord,

  • God Zelf,

  • de schepping,

  • de zonde,

  • Gods Wet,

  • het werk- en het genadeverbond,

  • de Heere Jezus en Zijn werk,

  • de Heilige Geest en onze heiligmaking,

  • Gods Kerk,

  • de sacramenten

  • en de leer der laatste dingen.

Van Gods Woord
1.
Vr. Geef ons eens een uiterlijk bewijs dat de Bijbel Gods Woord is?
Antw. 2Pet.1:20,21. Zie ook Joh.16:13
 
2. Vr. Zijn dus de profeten en apostelen daarvan verzekerd geweest dat hun woord en doen des Heeren Woord was?
Antw. Ja, en zo versta ik wat Mozes zegt (Deut.30:19), en wat ik bij Jozua lees, (Joz.21:45)
Alle profeten heffen hun prediking steeds aldus aan: ‘Zo spreekt de Heere!’ en hoe zeer de apostelen daarvan zeker geweest zijn, leren wij uit: 1Cor.15:1,2; Gal.1:8; Jak.1:21; 1Th.2:13
 
3. Vr. Maar hoe weet gij dat voor uzelf, dat door de Bijbel de Heere tot u spreekt, als een man tot zijn naaste?
Antw. Aan de kracht en de werking ervan op mijn ziel en zijn invloed op mijn doen en laten, vooral bij zielstreurigheid, bekommering en radeloosheid, zoals de apostel zegt: ‘dat ook werkt in u die gelooft.’
 
4. Vr. Maar gij zijt maar een ongeleerd mens; kunt gij u met dat innerlijk bewijs niet bedriegen?
Antw. Ik zeg met de Geloofsbelijdenis artikel 5: ‘Wij ontvangen al deze boeken om ons geloof daarnaar te regelen, daarop te gronden, en daarmee te bevestigen. Wij geloven zonder twijfel al wat daarin begrepen is inzonderheid omdat de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat die boeken van God zijn.’
 
5. Vr. Maar is dat geen dweperij?
Antw. 1Joh.2:27; en vervolgens: Jes.54:13; Joh.6:45; Joh.7:17; Matt.11:25.
 
6. Vr. Maar er is zoveel onduidelijks in, of begrijpt gij wel alles wat er in staat?
Antw. 1Cor.2:12; en verder: 2Tim.3:15,16,17; 2Pet.3:15-18; Ps.19:8; Hos.14:9; Spr.4:18; 2Pet.1:19; Jes.8:20; Luk.16:29; Mark.4:24. Verder bid ik Ps.119:18; en vertrouw op de belofte van Ps.25:12-14.
 
7. Vr. Waarom is u des Heeren Woord boven alles dierbaar?
Antw. Vanwege de krachtige troost en de rust der ziel, die het geeft in nood en dood, gelijk ik geleerd ben en ondervind, hoe de Heere Zijn Woord aan alle kanten waar maakt in Zijn bedreigingen voorwaar, en niet minder, maar nog overvloediger, in Zijn heilsbeloftenissen, Ps.119:92,96; Jes.34:16
 
8. Vr. Waarom leest gij dus de Bijbel?
Antw. Om mijn God daarin te ontmoeten, Hem te horen, Hem te vrezen, in Hem te geloven en Hem boven alles te leren liefhebben.
 
Van God
 
9.
Vr. Wie is God?
Antw. Dat eeuwig, enig, eenvoudig, volmaakt, rechtvaardig, heilig en goedertieren Wezen, dat buiten mij en alle schepselen in Zichzelf bestaat, van alles onafhankelijk is, en mij alleen gelukkig en zalig maakt in Zijn genade en Zijn algenoegzaamheid.
 
10. Vr. Wat is dus God voor u?
Antw. Een levende God, mijn enig al, mijn hoogst en eeuwig goed, de enige rust voor mijn ziel, geheel licht, geheel liefde.
 
11. Vr. Wat belijdt gij van God, als gij het geschapene aanziet?
Antw. Gen.15:5. Vergelijk hiermee: Job 42:2,3; Ps.8:4,5, Ps.104:24,27, 146:5,6; Jes.40:26,27; Hand.14:17, 17:25,27; Rom.1:20; Opb.4:10,11.
 
12. Vr. Waar leidt u dat alles heen?
Antw. Tot des Heeren genadeverbond, of Zijn volmaakte regel van ootmoedig geloof en een dankbaar leven, hetwelk de hoofd-inhoud van Zijn Woord is.
 
13. Vr. Weet gij iets van God zonder Christus?
Antw. Neen, dan is Hij mij òf onbekend, òf een verterend Vuur.
 
14. Vr. Hoe wenst gij dan alleen altijd met God te wandelen of aan Hem te denken?
Antw. Nooit zonder Christus, Zijn lieve Zoon, mijn Heere. Joh.1:18.
 
15. Vr. Waaraan kent gij God in Zijn ernst?
Antw. Aan het schrikken van het ontwaakt geweten, aan Zijn toorn in mijn binnenste over mijn zonden.
 
16. Vr. Waaraan kent gij God geheel in al Zijn goedertierenheid?
Antw. Aan de vergeving van al mijn zonden. Jer.31:34; Mich.7:18.
 
17. Vr. Wat weet gij daarvan ondervindelijk te vertellen?
Antw. Ps.66:16.
 
18. Vr. Hoe komt gij voor Gods aangezicht?
Antw. Efe.2:18; en verder: Hebr.11:6 Ps.25:4-7; Luk.15:18; Ps.100:2,3
 
19. Vr. Hoe geeft God Zich te kennen aan Zijn uitverkorenen, zodat in die kennis al hun leven en hun enige troost in leven en sterven is?
Antw.

  • Als een genadige en verzoend God;
  • Als een enig en drieënig Wezen;

  • In al Zijn deugden en volmaaktheden, zoals ze verheerlijkt zijn in Christus Jezus;

  • In Zijn vrijmacht van eeuwige verkiezing of verwerping;

  • In Zijn bepaalde verkiezing ten eeuwige leven van hun bijzondere personen uit vrijmachtig welbehagen en vrije ontferming;

  • In Zijn Vaderlijke voorzienigheid.

20. Vr. Wie vond God als zijn genadige God en verzoende Vader?
Antw. (Aan de lezer overgelaten)
 
21. Vr. Waarom is de waarheid dat God énig is, hem een zielsbehoefte?
Antw. Om verzekerd te wezen, dat in God geen ‘ja’ én ‘nee’ is.
 
22. Vr. Waarom kan een gelovige niet leven zonder het geloof dat God drieënig is?
Antw. Omdat elk ander geloof zou strijden tegen de werking, die hij voor zichzelf van de drie onderscheidene Personen ondervonden heeft en ondervindt.
 
23. Vr. Wat hebt gij dan daarvan voor uzelf ondervonden?
Antw. Aan de lezer overgelaten.
 
24. Vr. Vertel ons eens tot versterking van onze harten, wat gij van Gods deugden en volmaaktheden voor lichaam en ziel ondervonden hebt, en welke invloed deze op uw wandel hebben, bijvoorbeeld van Gods almacht, lankmoedigheid en geduld, Zijn alomtegenwoordigheid, alwetendheid, getrouwheid en blijken van gunst, ook van Zijn heiligheid en onkreukbare rechtvaardigheid.
Antw. De mededeling daarvan aan de lezer overgelaten.
 
25. Vr. Hoe is Gods eeuwige verkiezing en verwerping een troost?
Antw. Aan de lezer overgelaten.
 
26. Vr. Hebt gij iets ondervonden van uw bijzondere verkiezing tot zaligheid?
Antw. Het ging mij als Hagar, de zwarte en rebelse, Gen.16:13. In de nood der ziel en onder het kruis kreeg ik de troost naar Jer.31:2; Jes.54:10. Rom.8:30. En meer dergelijke goede, troostrijke woorden van mijn grote Ontfermer.
 
27. Vr. Weet gij het goed, dat dit geen zinsbedrog geweest is?
Antw. Jes.38:15,16. Verder 1Tim.1:15
 
28. Vr. Wat weet gij uit uw leven en dat van de uwen bij ondervinding van Gods Vaderlijke voorzienigheid over u, tot lof des Heeren, u te herinneren?
Antw. Aan de lezer overgelaten.
 
29. Vr. Moesten u ook de zonden medewerken ten goede?
Antw. Tot mijn verootmoediging, zonder dat de heilige God ooit oorzaak van het kwaad der zonde is. Ps.51:6
 
Van de schepping van hemel en aarde, der engelen en der mensen
 
30.
Vr. Wat zegt de apostel Paulus daarvan?
Antw. Hebr.11:3.
 
31. Vr. Wat troost u die schepping?
Antw. Dat ik niet tot de afgoden behoef te lopen, en geen vlees tot mijn arm stellen, maar dat ik, bij Gods Wet en Getuigenis blijvende, al zie ik ook niet van waar het komen moet of komen kan, mij op de almacht en trouw van mijn God verlaten mag, naar Ps.33:9; Rom.4:17.
 
32. Vr. Wat is die schepping voor een daad Gods?
Antw. Een daad van Zijn goedheid en barmhartigheid.
 
33. Vr. Door Wie heeft God alles gemaakt?
Antw. Door Zijn eeuwige Zoon, het ongeschapen Woord. Joh.1:3; Col.1:16.
 
34. Vr. Onderhoudt en regeert God alles door Zijn Zoon Christus?
Antw. Ja zeker, en zo is er niets bij geval en moet al het schepsel dienstbaar zijn tot verheerlijking Gods en Zijn uitverkorenen ten goede.
 
35. Vr. Wat troost hebt gij daarvan, dat God alles door de Zoon van Zijn liefde schiep en onderhoudt?
Antw. Dat ik, de Heere Jezus gevonden hebbende, de belofte heb ook voor dit leven, voor ‘t kleinste en ‘t grootste, aangezien Hem alles onderdanig gemaakt is, zoals geschreven staat Ps.8:7-9; Jes 33:16. En zo weet ik dat al het geschapene mijn hemelse Vader toebehoort, Die aan mij, Zijn kind, niets zal laten ontbreken.
 
36. Vr. Wat troost het u, dat God de engelen geschapen heeft?
Antw. Hetgeen de apostel Paulus van die heilige troongeesten zegt, Hebr.1:14; en wat de Heere Jezus ons daarvan openbaart, Matt.18:10; Luk.15:10; 16:22.
 
37. Vr. Zijn alle engelen goed gebleven?
Antw. Neen, enigen zijn uit de hemel uitgeworpen vanwege hun hoogmoed. Zie Judas 6.
 
38. Vr. Wat zijn deze sindsdien?
Antw. Gezworen vijanden van God en van al Zijn kinderen, haters van het goede, listige leugenaars en verdervers, die nooit ophouden mij te bestrijden, Gods genade in verdenking te brengen, Christus voor mij te verdonkeren, en mij van het blijven bij des Heeren Woord en gebod af te trekken.
 
39. Vr. Wat zegt de apostel Petrus daarvan?
Antw. 1Pet.5:8.
 
40. Vr. Waartoe zoekt de duivel steeds te verleiden?
Antw. Tot zonde, onder voorgeving van het goede, profijt of vermaak, zelfs van hoger licht, kennis en genot.
 
41. Vr. Wat troost het u, dat God u geschapen heeft?
Antw. Dit, dat God mij, als Zijn werk, door en door kent, en Zijn werk niet laat varen; ten andere, dat Hij ons na onze diepe val, in Christus Jezus herschiep.
 
Van de zonde
 
42.
Vr. Wat was oorzaak van die diepe val, waarvan gij spreekt?
Antw. Des duivels listige verleiding en ‘s mensen moedwillige ongehoorzaamheid. Joh.8:44; Rom.5:12,19.
 
43. Vr. Wat is zonde?
Antw. Alles wat is, denkt en handelt tegen Gods ordinantiën, buiten de gemeenschap Gods, zonder geloof, buiten of boven Zijn Woord en gebod der liefde.
 
44. Vr. Waar begint bij ons die zonde, welke ‘erfzonde’ heet?
Antw. Zij heeft haar oorsprong in Adam’s overtreding, wiens overtreding en schuld op ons, als zijn nakomelingen, overging door toerekening, en begint bij ons van het ogenblik aan van onze ontvangenis en geboorte. Ps.51:7; Gen.8:21.
 
45. Vr. Wat belijdt gij van deze uw erfzonde?
Antw. Bij de heilige doop belijd ik met wat het formulier zegt, dat de kinderen aan allerlei ellende, ja aan de verdoemenis zelfs, onderworpen zijn; en verder volgens mijn eigen droevige ervaring, wat onze Geloofsbelijdenis daarvan zegt in artikel 15.
 
46. Vr. Hoelang hebt gij met deze verdorven aard te strijden?
Antw. Ik zeg met de catechismus: ‘mijn ganse leven lang.’
 
47. Vr. Zit die verdorvenheid in de uiterlijke leden des lichaams of in het hart?
Antw. In het hart, en de zonden komen daaruit voort in de gedachten door de kwade begeerlijkheid, en gaan zo over tot de daden. Mark.7:21,22; Jak.1:14,15.
 
48. Vr. Zeg ons nog nader, wat zonde is.
Antw. Ongehoorzaamheid aan Gods wet en gebod, ongerechtigheid, moedwillige ongelovigheid aan Zijn Evangelie en aan Zijn heilsbeloftenissen, -in ‘t kort: dat ik voor kwaad en gevaarlijk houd wat Gods Woord en Geest zeggen dat goed is, en voor goed wil laten doorgaan wat Gods Woord en Geest mij zeggen dat kwaad is.
 
49. Vr. Maar wat nut de waarheid der erfzonde?
Antw. Dat de mens ervan overtuigd zij, dat hij radicaal dood is voor het geestelijk leven, en ál zijn doen uit de dood is. Efe.2:1; 1Cor.2:14; Rom.8:7.
 
50. Vr. Wat is het gevolg der zonde?
Antw. Aangezien de zonde een bedrijf is met gedachten, woorden of werken tegen een heilig, eeuwig God en tegen Zijn heilige, eeuwige wet, zo is het gevolg, dat zij nooit door tijdelijke verbetering goed te maken is, maar een eeuwige schuld en een eeuwige straf, de eeuwige vervloeking en verdoemenis na zich sleept, welke straf moet gaan over ziel en lichaam, dus over de gehele mens.
 
Van Gods Wet
 
51.
Vr. Hoe is Gods wet?
Antw. Geestelijk.
 
52. Vr. Wat wilt gij daarmee zeggen?
Antw. Dat de woorden der wet moeten verstaan worden, en dat wij ermee in overeenstemming moeten zijn, naar de mening van de Heilige Geest, zoals Die ons hebben wil, om hier en hiernamaals eeuwig te mogen genieten de gelukzaligheid Gods voor Zijn heilig aangezicht.
 
53. Vr. Zo kent gij dan uw ellendigheid uit de wet Gods?
Antw. Ja, en wel bepaaldelijk die ellendigheid, dat als ik Jezus loslaat, om het elders te zoeken, ik spoedig ondervind, dat ik vleselijk ben, onder de zonde verkocht. Rom.7:14.
 
54. Vr. Wat ontdekt ons Gods wet in het algemeen?
Antw. Onze natuurlijke geneigdheid en ons "overgegeven zijn" om God en onze naaste te haten, terwijl haar rechtvaardige en heilzame eis enkel liefde is.
 
55. Vr. Wat leert gij voorál uit Gods wet?
Antw. Wat de apostel Paulus belijdt in Rom.7:7,8.
 
56. Vr. Wat ondervindt gij, als gij omgaat met het ‘doe dat’ en ‘de mens die deze dingen doet’?
Antw. Dat de wet toorn werkt, Gods toorn, over mij en mijn waan en mijn toorn en boosheid tegen God, omdat Hij mijn opzet en doen bestraft en verwerpt, die ik voor goed wilde doen doorgaan.
 
57. Vr. Zijn de ware gelovigen niet geheel van de wet ontslagen?
Antw. Wel wat hare verdoemende en dwingende kracht aangaat, maar niet voor zover zij een regel is van het genadeverbond; als zodanig hebben zij Gods wet van harte lief en zijn vrijwillige daders der wet.
 
58. Vr. Maar hoe komen zij dan tot het doen overeenkomstig deze regel?
Antw. Rom.7:4; en Efe.2:10; Jer.31:33; Eze.36:26,27; Ps.110:3.
 
Van het werkverbond en het verbond der genade
 
59. Vr. Bij welke apostel vindt gij de onderwijzing aangaande die beide verbonden?
Antw. Bij de apostel Paulus, onder anderen Gal.4:21-31.
 
60. Vr. Wat is het werkverbond, en hoe luidt het?
Antw. Het luidt: ‘De mens die deze dingen doet, zal daardoor leven’ en is de verplichting, die de mens op zich neemt om geheel en volkomen te zijn en te handelen naar de woorden der wet, waarbij God van Zijn zijde op Zich neemt, hem dan te laten leven.
 
61. Vr. En wat is het genadeverbond, en hoe luidt het?
Antw. Het luidt: ‘Ik ben de Heere, Die u heiligt, en het bestaat in de belofte, gegrond in het bloed des verbonds, dat God Zelf door Zijn Zoon alles voor ons doen zal, wat de wet eist, en ons door Zijn Geest zó zal maken, dat de wet niet egen ons zal zijn, terwijl wij van onze zijde zulke beloften, na Christus onze Heere ingeplant te zijn door een oprecht geloof, ook door dat oprecht geloof omhelzen, onder afzien van ons eigen zijn en van alle werk van onze zijde.
 
Van onze Heere Jezus Christus
 
62.
Vr. Wie is Hij?
Antw. Het Hoofd, de Uitvoerder en Borg van het genadeverbond.
 
63. Vr. Wat heeft Hij Gode gebracht, waarin dat verbond vaststaat?
Antw. Zichzelf tot genoegdoening aan Gods straf-eisende gerechtigheid door verzoening. Jes.53:10.
 
64. Vr. Heeft Hij alleen ons met God verzoend?
Antw. God met ons en ons met God. 2Cor.5:19.
 
65. Vr Wat troost u Zijn waarachtige rechtvaardige menselijke natuur?
Antw. Hebr.2:17,18; 4:15; 7:26.
 
66. Vr. Wat troost u Zijn Goddelijke natuur?
Antw. Dat God geopenbaard is in vlees, en dat mijns Heeren zoenoffer, eens voor altijd Gode gebracht, van een eeuwig geldende kracht en waardij is.
 
67. Vr. Welke staten merkt gij op in onze Heere?
Antw. De staat van Zijn vrijwillige vernedering en de staat van Zijn daarop gevolgde verhoging. Flp.2:6-10.
 
68. Vr. Wat troost u de staat van Zijn vrijwillige vernedering?
Antw. Dat ik met Hem in de wereld ben, gelijk Hij er was, 1Joh.4:17; dat ik met Hem in Zijn krib lag, met Hem aan het vervloekte kruishout hing en daar met Hem stierf, ook met Hem in Zijn graf lag en Hij in mijn graf, gelijk Hij mijn verdoemelijke geboorte aanvaardde, toen Hij ons vlees en bloed aannam.
 
69. Vr. En wat troost u de staat van Zijn verhoging?
Antw. Efe.2:4-6, 1:19-21; Col.3:1-4; Flp.3:21; Rom.8:11,34; Opb.1:17,18; Hebr.9:28, 13:20,21.
 
70. Vr. Wat troost u het profetisch ambt van onze Heere?
Antw. Jes.35:2-8; Joh.14:6; Jes.30:21.
 
71. Vr. Wat troost u het hogepriesterlijke ambt van onze Heere?
Antw. Hebr.4:16; verder: Joh.17; Hebr.6:17-20, 7:24,25, 8:1, 9:14, 10:10,21,22
 
72. Vr. Wat troost u het koninklijke ambt van onze Heere?
Antw. Hebr.2:8,9; Matt.9:27; Mark.10:47,48; Opb.5:5, 22:16; Matt.21:5, 25:34; Joh.18:37; Luk.19:27; 1Cor.15:25,26.
 
73. Vr. Wat verstaat gij door de naam ‘Middelaar’?
Antw. Dat Immanuël vrijwillig, volgens ‘s Vaders raadbesluit, het op Zich genomen heeft om ons zondaren, die Hem van de Vader gegeven zijn, te verzoenen en in eeuwige behoudenis te zetten in Zichzelf, nemende daartoe op Zich onze vloek, zonde, schuld en straf, en dragende Gods toorn, die over ons gekomen was. Zo is Hij de Middelaar van het genadeverbond. Joh.17:19,20; 1Tim.2:5,6
 
74. Vr. Hoe is Christus onze Borg, volgens Jer.30:21?
Antw. Hij is niet borg van Godswege bij ons, dat God ons zal zalig maken indien wij geloven, maar Hij is Borg voor ons bij God, dat Hij ons gewassen, gerechtvaardigd, geheiligd en volkomen verlost heeft, en dat Hij ons zonder vlek of rimpel, Gode toebrengt; en zo is Hij ook onze Voorspraak bij de Vader. Van dit alles was Juda, als borg en voorspraak van zijn broeder Benjamin, reeds een voorbeeld.
 
Van de Heilige Geest en onze heiligmaking
 
75.
Vr. Hoe weet gij dat de Heilige Geest God is, eenswezens met de Vader en de Zoon?
Antw. Ten eerste door de getuigenissen van de Heilige Schrift, en ten tweede door Zijn gemeenschap met ons.
 
76. Vr. Wat ondervindt gij dan door die gemeenschap?
Antw. Dat alles wat ik denk en doe als Gode welgevallig, Zijn daden zijn, daden van Zijn schepping, van Goddelijke macht en ongehouden genade.
 
77. Vr. Hoe dat?
Antw. Omdat ik vanwege mijn volslagene verdorvenheid, geheel onmachtig en onbekwaam ben om tot de Heere Jezus te komen, Hem ‘Heere’ te noemen, en ‘Abba, Vader!’ te roepen; ook mij het meest goddeloos, verkeerd en zwak vind, als de Heere Zelf dat door mij volbrengt, waartoe Hij mij roept. 1Cor.12:3; 2Cor.12:9; Jona 1:3; Hand. 10:14
 
78. Vr. Is er dan bij de mens niets van Gods heerlijke beeld overgebleven, zodat hij bijvoorbeeld door gebeden, verzuchtingen en andere goede werken uit zichzelf tot God komen kan?
Antw. Er is bij de mens zoveel van Gods beeld overgebleven als genoegzaam is, dat hij zichzelf niet verontschuldigen kan, maar verdoemd moet worden, Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 14; zoveel is er verder van overgebleven als de mens misbruikt om met hulp van de boze geest alle ware genade, zolang hij kan, tegen te staan. Daarentegen is er niets bij de mens overgebleven van dat heerlijk beeld, dat hem in staat zou stellen, iets te begrijpen van de dingen Gods en van Zijn zaligheid, of er ook maar naar te verlangen!
 
79. Vr. Zo belijdt gij dan, dat geloof, waarachtig berouw en bekering en gebed, en alle levendmaking en doen van ‘s Heeren wil, bij aanvang en bij voortgang een almachtige werking zijn van Zijn Geest?
Antw. Voorzeker.
 
80. Vr. Wie kan het ons alléén zeggen of God gedachten des vredes over ons heeft?
Antw. De Heilige Geest, en Die doet het ook.
 
81. Vr. Heeft de Heere Jezus het ons dan niet gezegd?
Antw. Ja, maar dat kunnen wij voor onszelf niet geloven tenzij de Heilige Geest dit, en verder alles wat de Heere Jezus gedaan, geleerd en geleden heeft, op ons krachtdadig toepast en in onze harten blijvend inprent.
 
82. Vr. Wat is de heiligmaking des Geestes?
Antw. Die vrijmachtige werking, welke gelegd is in de opstanding van onze Heere uit de doden, waarmee de Heilige Geest, naar Zijn wil, dat op onze zielen toepast, wat God ons heeft bereid, ons Christus door geloof inlijvende en ons de Heere Jezus met alles waartoe Hij ons van God gemaakt is en wat Hij voor ons verworven heeft, leert aannemen.
 
83. Vr. Hoe is de werking des Heiligen Geestes te dien einde?
Antw. Hij schenkt overtuiging van zonde, en dat wij niet drie of vier zonden, maar ontelbare zonden gedaan hebben, zowel die wij weten als die wij niet weten, zodat die meer zijn dan de haren op ons hoofd. Hij werkt een waarachtig berouw, niet alleen vrees voor straf, maar ook waarachtige haat tegen de zonde, verslagenheid der ziel en droefheid naar God, met belijdenis van schuld en verdiende eeuwige dood; zo maakt hij ons levend, leert ons Jezus zoeken, God om Zijn ontferming aanroepen en heilbegerig luisteren naar wat Jezus voor verloren en dode zondaren is; dan begint hij ons krachtdadig te roepen, door het gepredikte of geschreven Woord, om zo als wij zijn, tot Jezus de toevlucht te nemen; daarop brengt de Geest ons de woorden van de Heere Jezus in de ziel, verlicht ons verstand en buigt onze wil liefelijk over, om die woorden voor onszelf te geloven, zodat wij met de Heere één worden, Hem hand en hart geven, al Zijn beloften als aan ons gedaan en al Zijn weldaden aannemen en zo door en met Christus tot de Vader gaan; ook begint de Geest ons te verzekeren van des Vaders goedkeuring daarover, dat onze ziel tevreden is met Zijn Lam, dat de zonde der wereld wegdraagt, en ons te verzegelen van des Vaders tevredenheid met ons op deze enige grond.
 
84. Vr. Waar staat dat alles geschreven, wat gij onder heiligmaking des Geestes verstaat?
Antw. o.a.: 1Pet.1,2.
 
85. Vr Wat verstaat gij dus hoofdzakelijk onder heiligmaking?
Antw. Het krachtdadig inzetten van de uitverkorenen in alles wat God voor ons uit vrije goedheid heeft bereid, wat Christus voor ons is en ons verworven heeft door Zijn dadelijke en lijdende gehoorzaamheid; de krachtdadige roeping en daarmee verbonden bekering of wedergeboorte of levendmaking of vernieuwing naar Christus’ evenbeeld; de krachtdadige toepassing van alle heilsbeloften; het gelovig aannemen van de personele vrije rechtvaardigmaking en de dagelijkse vernieuwing; het vervuld worden met vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn; het wandelen in alle Gode welbehagelijke, goede werken; in het kort: het gehele geestelijke leven in zijn aanvang en voortgang, het overzetten in de beide delen des genadeverbonds: de vergeving van onze zonden en van onze zondige aard, en dat de Heere Zelf het op Zich genomen heeft ons te heiligen; de vervulling van alle behoeften van de geestelijke mens, in volle omvang.
 
86. Vr. Waarop is het geestelijke leven steeds uit?
Antw. Gode alléén van alles de eer geven, ‘in Christus Jezus gevonden te zijn, om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding’, enz. Flp.2:10,11. Hem onverdeeld lief te hebben en aan te kleven, in Hem te blijven en de broeders en de naaste te dienen; in het kort: op heiligheid in gedachten, woorden en werken, omdat de Heere het zo waardig is.
 
87. Vr. Kan het geestelijk leven door zonde, duivel en wereld er wel onder raken?
Antw. Ja, voor een tijd, en niemand van ‘s Heeren heiligen is zolang hij leeft, tegen enige zonde zeker, aangezien wij steeds tot alle boosheid geneigd zijn; maar het komt altijd weer boven, onder steeds diepere verootmoediging, door het Woord van de vergeving der zonden en door de Geest der genade en des gebeds.
 
88. Vr. Bij wie komt het altijd weer boven?
Antw. Bij hen in wie het onvergankelijk zaad van ‘s Heeren Woord door genade ligt. 1Joh.3:9.
 
89. Vr. Wat verstaan de apostelen Johannes en Paulus door de woorden ‘zonde’ en ‘zondigen’? Bijvoorbeeld 1Joh.3:9 en Hebr.10:26.
Antw. Dat wij naast het geloof werken zoeken tot onze rechtvaardigmaking, die Jezus miskennen, Die in vlees gekomen is, en de ware heiligen verlaten, uit liefde tot de wereld en uit vrees voor tijdelijk leed of verlies.
 
90. Vr. Wat verstaat de apostel onder heiligmaking, Hebr.12:14?
Antw. De heiligmaking in het bloed en door de Geest van Christus.
 
91. Vr. Is er nog een heiligmaking in een andere zin?
Antw. Ja, volgens de volgende teksten: Rom.12:1, 6:12,19; 1Th.4:3. Deze komt uit de eerste voort in lijdzaamheid, als wij de eerste najagen.
 
92. Vr. Wordt ons heiligheid ingestort bij de vrije rechtvaarmaking?
Antw. Volstrekt niet; God rechtvaardigt als Rechter de goddeloze, op grond van Christus’ genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid, alléén uit geloof, zonder werken der wet.
 
93. Vr. Hoe komt men dan tot goede werken?
Antw. Zoals boven gezegd is, niemand heeft die ooit in eigen hand, maar zij zijn ons ter hand gesteld en worden overvloedig naar Gods nieuwe schepping (Efe.2:10) en naar Zijn verbondsbelofte (Eze.36:27) als maar de plant van de hemelse Vader is.
 
94. Vr. Is er een inklevende heiligheid in de gelovigen?
Antw. God ziet geen andere heiligheid aan dan de heiligheid van Christus, welke aan het geloof, zonder de werken der wet, tegelijk met Zijn genoegdoening en gerechtigheid geschonken en toegerekend wordt (zie Heidelbergsche Catechismus vraag 60 zie HC 4133); maar dit is inklevend in de oprechten van gemoed, dat de Heilige Geest in hen blijft, Die hen troost en leert bidden dat God de Heere met hen doe en in hen werke, wat Hij in Zijn genadeverbond (Eze.36:27) beloofd heeft, om reden waarvan ook het zaad der wedergeboorte in hen blijft, (1Joh.3:9) en hun geloof niet ophoudt; en zo mogen alle ellendigen, die op de Heere hopen, de genade van hun volharding voor zeker houden.
 
95. Vr Hoe maakt iemand zijn roeping en verkiezing vast?
Antw. Dat leert ons de apostel Petrus, 2Pet.1:2-11. En ik versta dat in de zin, waarin de Heidelbergse Catechismus vraag 86 zie HC 4142 zegt: dat elk bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij. Vergelijk Flp.2:12,13.
 
96. Vr. Welke troost hebt gij daarvan?
Antw. Het verzekert mij niet van mijn rechtvaardigheid voor Gods rechterstoel, maar voor de oprechtheid van mijn wandel en van de rechtvaardigheid van mijn zaak tegenover alle vijanden van mijn Heere. Vergelijk Ps.18:21-25; 119:1-8; 139; 73.
 
97. Vr. Bereikt het geestelijke leven hier geheel datgene, waarop het uit is?
Antw. Neen, vergelijk de volgende teksten: Flp.3:12-15 1Cor.13:9-13; Rom.8:23.
 
98. Vr. Zijt gij van uw volkomen zaligheid in de Heere, zowel voor dit leven als tegen uw sterfuur, verzekerd?
Antw. De apostel Paulus schrijft, Efe.2:8 en Rom.8:38,39. Zie verder Flp.1:6 en 2Tim.4:18.
 
99. Vr. Maar hoe weet gij dat dit alles waarheid voor u is?
Antw. Door de troost van de Heilige Geest, als ik hard ziek en verwond voor God lig, en dan mijzelf, hoe zondig ook, op zij zet om in te zien in Gods Woord en Verbond, in de dood en in het leven van mijn Heere, ter rechterhand der Majesteit, dan vloeit er wel olie uit op mijn wond, dan druipt er wel honig af in de hijgende mond van een stervende kermer.
 
Van Gods Kerk
 
100. Vr. Welke belofte heeft Gods Kerk?
Antw. Jes.54:1,2. Verder Jes.54:8-17.
 
101. Vr. Hoe groot is het getal van haar leden?
Antw. Matt.18:20; Luk.12:32. Soms is het een groot getal, genaamd zevenduizend (Rom.11:4). Soms ook is het een zeer klein getal, acht in een ark gered door het water heen. En eindelijk is het ‘een grote schare die niemand tellen kan.’ (Opb.7:9)
 
102. Vr. Hoe zien die leden er allen uit?
Antw. Opb.7:14.
 
103. Vr. Is er op aarde een zichtbare en onzichtbare Kerk?
Antw. Neen, Gods Kerk is wel zichtbaar, volgens Matt.5:14,16.
 
104. Vr. Waar is Gods Kerk?
Antw. Waar ik met de mijnen op de levende God hoop en Hem in Geest en in waarheid aanbid. Waar verder Gods eeuwige Wet gehandhaafd wordt en Zijn énig eeuwig Evangelie verkondigd wordt, waar de sacramenten naar Christus’ bevel bediend worden en de Heere de gemeente in tucht houdt, volgens Hebr.10:24, 12:15,16; 1Cor.5:13.
 
105. Vr. Mag een ieder in het ambt van herder en leraar grijpen?
Antw. Neen, dat is tegen Gods ordinantie.
 
106. Vr. Welke leraars zal men volgen?
Antw. Die de Heere zendt en de Heilige Geest over de gemeente zet, bij ordelijke beroeping van de gemeente.
 
Jer.7:25 23:21,32 Efe 4:11-13.
 
107. Vr. Waaraan zijn die te onderkennen?
Antw. Matt.7:16. Verder: 1Cor.9:2, 3:13; Deut.18:21,22; Col.2:16-19; Gal.6:12,13; Matt.7:22-24.
 
Van de sacramenten of zegelen van het verbond der genade
 
108. Vr. Wat troost het u, dat gij uiterlijk met water zijt gedoopt in de Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes?
Antw. Dat ik zo op des Heeren bevel aan mijn eigen lichaam ontvangen heb het teken en zegel, dat ik in dat verbond der genade opgenomen ben, en dus niet voor mijn eigen rekening lig, maar voor rekening van een drieënig VerbondsGod.
 
109. Vr. Wat troost u het ontvangen brood en de ontvangen wijn van het Heilig Nachtmaal?
Antw. Wat het formulier zegt: ‘opdat wij vast zouden geloven dat wij tot dit genadeverbond behoren, nam de Heere Jezus in Zijn laatste Avondmaal dat brood’ enz. Zie 1Cor.10:16. Ook heeft de Heere gezegd, dat ik arme zondaar, bij het ontvangen van die tekenen, in mijn honger en kommer vanwege mijn zonden aan Hem denken mag.
 
Van de laatste dingen
 
110. Vr. Heeft de dood nog iets verschrikkelijks voor u?
Antw. Ja, als ik aan mijn zonden en dan aan Gods heiligheid denk buiten Christus, en dus niet in gedachtenis houd: Jezus Christus, opgestaan van de doden. 2Tim.2:8. ‘Onttrekt Gij Heer’, het Dijne, blijft zond’ en dood het mijne’, zegt het oude lied.
 
111. Vr. Kunt gij u wel over uw sterf-uur verblijden?
Antw. Ja, dat ik eens zal mogen zeggen: ‘Welkom eeuwigheid!’, dat verblijdt mij in de hope der zaligheid, die in Christus Jezus is met eeuwige heerlijkheid.
 
112. Vr. Weet gij zeker, dat gij sterven zult?
Antw. Wij weten de dag niet, waarop de Heere Jezus zal verschijnen op de wolken als onze grote God en Zaligmaker, om ons allen bij Zich te samen te brengen met onze ontslapenen, die in Hem ontsliepen; beleven wij die dag, dan sterven wij niet, maar worden plotseling veranderd. 1Cor.15:51.
 
113. Vr. Wat troost u de opstanding des vleses?
Antw. Dat aan de helse Farao geen van mijn beenderen zal achtergelaten worden, daar de Heere zowel mijn lichaam als mijn ziel tot Zijn eeuwig eigendom gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed.
 
114. Vr. Moogt gij u ook enigszins ophouden met hen, die de opstanding des vleses, dat is de lichamelijke opstanding, loochenen?
Antw. De apostel Paulus schrijft: ‘Kwade samensprekingen verderven goede zeden’, en onze Heere zegt: ‘Gij dwaalt, niet wetende de Schrift, noch de kracht Gods (Matt.22:29) en Mark.12:27.
 
115. Vr. Waarin hebt gij te berusten, als gij van de uwen iemand onbekeerd ziet sterven?
Antw. Dat ik mijn God grootheid geve. Spr.16:4.
 
116. Vr. Wat troost u het eeuwige leven?
Antw. De volkomen verlossing van de zonde en van alle kwaad; het einde van de strijd; de kroon voor mij gekocht door Goddelijk bloed; en dat ik des Heeren Aangezicht in grechtigheid zal aanschouwen en verzadigd zal worden met Zijn Beeld, als ik zal opwaken; in het kort: wat de apostel Johannes schrijft in 1Joh.3:2. Vergelijk Ps.17:15; 2Tim.4:7,8; Opb 21:4.
 

  

.

 

 

Inhoud

o

 

Referenties

o

 

.

o

 


Het Woord Index Woordenboek K Totaal
Voordat we bovenstaande teller in werking stelden werden we reeds 180977 bezocht
Helaas stopte die teller met zijn service.