|
Gebed
1
|
|
De
Bijbel bevat geen algemeen gebod om te bidden. Het gebed is een
vrijwillige uiting van de ziel die niet voorgeschreven of
opgelegd kan worden. Het is een persoonlijke belijdenis van onze
afhankelijkheid van God.
De vermaningen in het Oude en Nieuwe Testament veronderstellen
dan ook de behoefte aan gebed en hebben alleen betrekking op de
manier waarop wij bidden.
Het Oude Testament bevat geen enkel voorbeeld van een gebed,
zoals in het Nieuwe Testament Het onze Vader is. De
gebeden bij het brengen van de eerstelingen (Deut.26:5-10) en
van de tienden in elk derde jaar (Deut.26:13-15) zijn meer
belijdenissen dan voorbeelden voor gebeden.
Het Psalmboek is Israëls gebeden- en gezangboek, maar de meeste
Psalmen zijn persoonlijke of nationale ontboezemingen. Zij
kunnen alleen in waarheid nagebeden worden door mensen die in
dezelfde omstandigheden verkeren als de dichter.
Paulus noemt vier verschillende gebeden die ook elementen van
elk gebed kunnen zijn (1 Tim.2:1):
-
Smeking,
waarbij God om bepaalde geestelijke of tijdelijke zegeningen
wordt gevraagd;
-
Lofgebed,
waarbij God en zijn daden worden verheerlijkt. Hierbij hoort
ook de doxologie;
-
Voorbede,
waarbij Gods barmhartigheid over en hulp aan anderen wordt
ingeroepen en
-
Dankgebed,
waarbij de HEERE wordt gedankt voor zijn weldaden en
zegeningen.
Bij Joden zowel
als christenen is het gebed het kenmerk van een persoonlijke
gemeenschap met God. Gebed en dankzegging gaven in het verleden
waarde aan offers; bij de inwijding van de tempel sprak Salomo
een plechtig dankgebed uit. Jesaja vermeldt het bidden als
afzonderlijke daad (Jes.1:15). In de Apocriefe Boeken is het
gebed verbonden met vasten (Tob.12:9; Jdt.4:12) en volgens
1Makk.5:33; 11:71; 2Makk.15:26 werd er ook gebeden in de oorlog.
Treffende voorbeelden van voorbede hebben wij in het
gebed van Abraham voor Sodom (Gen.18:22-35), van Mozes voor het
volk (Exod.32:31vv; Num.14:13-19, van Elia voor de weduwe
(1Kon.17:20) en van Jezus voor de zijnen (Joh.17).
Aan de voorbede van vrome mannen werd altijd een bijzondere
kracht toegekend, zie Jac.5:16, Spr.15:8,29, Jes.1:15 en
Joh.9:31.
De
Bijbel legt dan ook nadruk op het gebed van de gemeente voor
haar leiders en leraren (Efe.6:19; 1Th.5:25; 2Th.3:1 en voor de
leden onderling (Efe.1:16-17; 3:14-19; Jac.5:16.
De Heer Jezus heeft door woord en daad het bidden voor onze
vijanden aanbevolen (Matt.5:44-48; Luk.23:34).
Het bidden voor de doden wordt in de canonieke boeken van de
Bijbel niet geleerd en berust alleen op het voorbeeld van Judas
in 2Makk.12:43-46.
Wat de gebruiken bij het bidden betreft, vaak bad men in stille
afzondering (Matt.6:6), in een bovenkamer (Dan.6:11; Hand.1:13),
op het dak, op heuvels (Matt.14:23; Mark.6:46; Luk.6:12;
Hand.10:9), en in Jeruzalem bij voorkeur in de voorhoven van de
tempel (Luk.18:10; Hand.3:1). Als men bad in de voorhof, keerde
men zich naar het heilige der heiligen (Ps.5:8; 28:2). De
Israëliet buiten Jeruzalem richtte zich naar de tempelberg
(Dan.6:11), net zoals de Samaritanen zich naar de Gerizim en de
Moslims zich naar Mekka wenden.
Men bad staande (1Sam.1:26; 1Kon.8:22; Dan.9:20; Matt.6:5;
Mark.11:25). Maar als bewijs van hulde, onderdanigheid,
dienstvaardigheid en eerbied bad men ook wel geknield
(1Kon.8:54; Dan.6:11; Ps.95:6; Hand.20:36). Men kon buigen
(Gen.24:26), voorover vallen (Job 1:20), de handen opheffen
(Exod.17:11-13; Ps.63:5, 134:2;1Tim.2:8) of uitbreiden
(Exod.9:29; 1Kon.8:22) of uitstrekken (zodat de palmen tegen
elkaar kwamen) als bewijs van bereidheid om Gods weldaden en
zegeningen te ontvangen.
Het vouwen van de handen was in Israël en in de vroege kerk
niet bekend. Het is oorspronkelijk een Indogermaans teken van
hulde en onderwerping, werd door de Germanen naar Europa
overgebracht en in de christelijke kerk ingevoerd.
De Israëlieten hadden, in ieder geval na de ballingschap, en
misschien reeds daarvoor ook al, bepaalde gebedsuren (Dan.6:11):
bij het morgenoffer, op het derde uur (=’ s morgens negen uur,
Hand.2:15), op het zesde uur (’ s middags om twaalf uur,
Hand.10:9), en bij het avondoffer op het negende uur (’ s
middags om drie uur, Hand.3:1). De kerk nam deze drie
gebedstijden over.
Later maakte men er eerst zes en toen (volgens Ps.119:164,
"zevenmaal daags loof ik U") zeven van. Het zevende en
laatste gebedsmoment dat er bij kwam was het middernachtelijk
uur (nocturnum), om ook in dit opzicht trouw te zijn aan
Ps.42:9; 92:3; 119:55 en vooral aan Ps.119:62 en 134:1
|
|
Gebed
2
|
| 1. Oude
Testament
1. Een gebed
is er dikwijls op gericht, God te bewegen zijn goedheid,
erbarmen, gunst, genade tot de bidder neer te zenden. Soms gaat
het gepaard met zuchten en steunen. Het kan zelfs overgaan in
wenen met luide uithalen (Ps.6:9); de tranen lopen over het
gezicht (Ps.39:13). Men stort zijn ziel (1Sam.1:15) of hart
(Ps.62:9) of zorg (Ps.142:3) voor God uit.
Wij onderscheiden in de gebeden:
a. het
dankgebed (bijv. Ps.21);
b. de lofprijzing of aanbidding (bijv. Ps.33);
c. de zondebelijdenis (bijv. Ps.51);
d. de smeekbede (bijv. Ps.12);
e. de voorbede (bijv. Gen.18:16vv; Exod.32:11vv,
30vv).
2. Het O.T.
kent diverse gebedshoudingen:
a.
proskunesis, het zich eerbiedig ter aarde werpen (Gen.22:5);
b. knielen (Ps.95:6);
c. staan (1Sam.1:26; Ps.134:1) gepaard gaande met het
uitbreiden der handen naar God. (Exod.9:29-33; 1Kon.8:54;
Ps.134:2).
3. Het O.T.
leert ons de volgende kenmerken van het gebed:
a. Het is gericht tot JHWH. Voor de Israëliet betekent dit,
dat hij bidt tot de levende God, die het verbond met Israël sloot
en daarom betrouwbaar is en goed, heilig en rechtvaardig.
Zijn gebed wordt geheel beheerst door de relatie, die JHWH tussen
Zichzelf en Israël gesteld heeft. De grond van het gebed is niet
alleen het verbond, maar ook van de verwachting, dat JHWH zal
horen en verhoren. JHWH is krachtens het verbond Israëls God en
Israël is krachtens het zelfde verbond Gods volk, en daarom heeft
het zin op Hem een beroep te doen.
b. In het gebed roept men
gewoonlijk Gods hulp in voor het leven, dat in nood geraakt is.
Die nood kan zowel geestelijk als lichamelijk van aard zijn, maar
is meestal lichamelijk. Vooral de vijanden en verdrukkers
veroorzaken deze nood. JHWH moge van hen verlossen! De Israëliet
bidt niet vóór, maar tegen zijn vijanden.
c. Bij de cultus neemt het
gebed een grote plaats in. Toch is het niet zó nauw daarmee
verbonden, dat er voor het persoonlijke gebed geen plaats meer zou
overblijven. Denk maar aan Elia (1Kon.18:36vv) en Daniël (Dan.9).
Daarom kent het O.T. zoveel persoonlijke gebeden (van o.a.
Abraham, Mozes, Gideon, Manoah, Simson, Hanna, David, Salomo,
Elia, Jeremia, enz.). Vooral de persoonlijke gebeden van Jeremia
verdienen aandacht (Jer.4:10; 5:3; 12:1vv; 15:15; 17:13vv;
20:7vv). Het Psalmboek is het Israëlitische gebedenboek. De
Hebreeuwse titel luidt niet zonder reden: Tehillim (d.i. gebeden).
2. Jodendom
De Joden baden twee of driemaal per
dag (komt misschien reeds voor in Ps.55:18). In Hand.3:1 en 10:9
zijn deze dagelijkse gebedstijden bekend; ook de christenen houden
zich daaraan.
Men bad dan het Sjema’ bestaande
uit Deut.6:4-9; 11:13-21 en Num.15:37-41. Het wordt zo genoemd
naar het eerste woord van Deut.6:4: Sjema’ Israël = Hoor
Israël. Het behoort tot de oudste bestanddelen van de dienst in
de synagoge. Het werd vaak omringd met allerlei andere gebeden.
Het hoofdgebed der Joden heette: Sjemone-Esre. Het bestaat uit
achttien benedicties, die uit verschillende tijden stammen. De
huidige lezing dateert van ca.100 n.C. Het is aldus samengesteld:
a. drie
lofprijzingen;
b. gebeden om kennis, een boetvaardig hart, vergeving van
zonden, verlossing, genezing van ziel en lichaam, vruchtbaarheid
der aarde, bevrijding en vergadering van het Joodse volk,
herstel der theocratie, (verwerping der afvalligen), opneming
der proselieten, (wederopbouw van Jeruzalem en de tempel),
verhoring der gebeden, aanneming der offers (na de verwoesting
van de tempel vervangen door: vernieuwing van de offerdienst);
c. Dankzegging voor Gods liefde-regering en gebed om vrede.
Evenals het Onze
Vader heeft het gebed de wij-stijl; Israël voelt zich gemeente.
Men bad dit gebed twee of driemaal daags, soms in verkorte vorm.
Naast dit hoofdgebed kenden de Joden tafelgebeden: vóór het eten
wordt de Schepper geprezen.
Zij kenden natuurlijk ook het
vrije gebed. Dikwijls laste men deze in het achttien-beden-gebed
in. Een voorbeeld van zulk een vrij gebed vinden we in
Luk.18:10vv.
Strenge voorschriften over
gebedsriemen en -kwasten hielden het bewustzijn levend, dat men
tot de Allerhoogste sprak. Jezus bekritiseert de misbruiken in
Mat.6:5; Mark.12:40; Luk.18:10vv.
3. Nieuwe Testament
Dikwijls zocht Jezus de eenzaamheid
om te bidden. Zijn genezingen gingen soms met een gebed gepaard;
soms in de vorm van een blik ten hemel of een zucht. Hartelijk
dankt Hij voor iedere spijze. Vurig bidt Hij voor de zijnen in
Gethsémané, (Luk.22:31vv.) en in het hogepriesterlijk gebed
(Joh.17).
Hij kent zijn hemelse Vader en weet, dat deze Hem hoort in liefde.
Daarom brengt Hij alles in zijn gebeden vóór God (Mark.11:24).
Hij brengt de eenvoud van het kinderlijk gesprek in het bidden en
verzet Zich tegen de gewichtig doenerij van de Farizeeën. Een
groot, blij vertrouwen, een rustig zich overgeven aan de Vader
blijkt uit Jezus’ bidden. Juist in zijn gebeden toont Hij
hoezeer Hij er geheel voor God is. Daarom bad Hij ook om dingen,
die Gode aangenaam waren; Hij vroeg niets voor Zichzelf. Zijn
bidden was gericht op de komst van het Rijk. Het Onze Vader is er
de samenvatting van.
In deze lijn gingen de christenen
voort. Zij baden om alles, wat zij als burgers van het Rijk, die
nog op aarde waren, behoefden. Niet altijd werd hun bede verhoord
(2Cor.12:7-9).
Ook de voorbede neemt een grote plaats in; Paulus begint bijna al
zijn brieven met de vermelding van zijn gebeden en dankzeggingen
voor de gemeenten; zie ook Hand.12:5; Jac.5:14vv. Ook voor de
overheden en de vervolgers werd gebeden.
Men bad tot God of tot Jezus. Het
evangelie van Johannes legt nadruk op het gebed in Jezus’ naam
(Joh.14:13; 15:16; 16:23vv.). Ook wist men, dat Jezus voorbede
voor hen deed bij God (Rom.8:34; 1Joh.2:1).
Rom.8:26 noemt de Heilige Geest als de Geest, die voor ons pleit
met onuitsprekelijke verzuchtingen. Daarin komt Hij onze zwakheid
te hulp, want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren,
zodat wij gevaar lopen God te bidden om dingen, die niet in
overeenstemming zijn met zijn heilsplan.
|
|
|