|
Farao is de
titel van de Egyptische koningen. Het woord betekent "het
grote huis" en het duidt in hiërogliefen-teksten de
koning aan zonder dat hij bij name genoemd wordt. Een Farao
had titels die meer voor een God dan voor een mens passen,
zoals "heer der beide werelden", "de leven
gevende" en de "eeuwig levende". Hij gold als
een aardse verschijningsvorm van de zonnegod Ra, wiens zoon,
nakomeling en erfgenaam hij was. Hoewel zijn macht onbeperkt
was en hij ook na zijn dood goddelijke eer ontving, werden
zijn schreden zorgvuldig bewaakt door de priesters, die voor
hem de gebedsuren leid- den en de offers brachten. Slechts
enkele Farao’s waagden het hun leven in te richten in strijd
met de oude inzettingen, welke de koning voor ieder uur van
don dag bijzondere verrichtingen voorschreven.
De wettige vrouw van Farao, de
koningin, had een hoge positie die soms hoger was dan die van
haar man, omdat er ook opvolging in de vrouwelijke linie
mogelijk was. Anders dan andere Oosterse vorsten vertoonde de
koning van Egypte zich vaak in het openbaar, zelfs in
gezelschap van zijn vrouw en zoons. Dat er bij die
gelegenheden veel luister ten toon gespreid werd, ligt voor de
hand.
De gedenktekens beelden de
koning af in zeer verschillende kostuums. Dikwijls
draagt hij alleen een schort met een gordel. Om de hals heeft
hij een brede band van edelstenen en goud. Hij droeg een pruik
omdat de Egyptenaren kale hoofden hadden.
De koning werd gekroond op de
dag na het overlijden van zijn voorganger. De paleizen van de
Farao’s waren zeer groot en door tuinen omgeven. Maar
terwijl de tempels van steen waren, waren de paleizen van
tegels en hout; ze zijn dus niet bewaard gebleven. |