Klik hier om onze site "Het Woord" te openen indien u alleen deze pagina zietCalvijn
Institutie - Boek 3 - Hoofdstuk 20 - Sectie 1

 

Institutie van Calvijn (Boek 3, Hoofdstuk 20, Sectie 1)

Over het gebed, hetwelk de voornaamste oefening van het geloof is, en waardoor wij de weldaden van God dagelijks verkrijgen.
 
1. Uit hetgeen tot nu toe verhandeld is, zien wij niet onduidelijk hoe ledig en ontbloot de mens is van alle goed; en dat hem alle middelen der zaligheid ontbreken. Indien hij derhalve middelen zoekt waardoor hij zijn gebrek mag te hulp komen, zo moet hij buiten zichzelf gaan, en die van elders verkrijgen. Daarna is ons verklaard dat de Here Zich uit eigen beweging en vrijgunstig ons voorstelt in Christus, in Wie Hij ons alle gelukzaligheid voor onze ellende, en alle rijkdom voor onze armoede aanbiedt, in Wie Hij ons de hemelse schatten opent, opdat ons ganse geloof Zijn geliefde Zoon aanschouwe, onze ganse verwachting aan Hem alleen hange en al onze hoop op Hem alleen gevestigd zij en ruste.
 
Dit is waarlijk wel een geheim en verborgen wijsgerig onderwerp dat door sluitredenen niet kan opgedolven worden; maar die nochtans zij leren, wie God de ogen geopend heeft om in Zijn licht het licht te aanschouwen. Als wij nu door het geloof onderwezen zijn te bekennen dat al wat ons nodig is en in ons gemist wordt, in God is en in onze Here Jezus Christus, als in Wie de Vader gewild heeft dat al de volheid van Zijn milddadigheid wonen zou, opdat wij allen uit Hem, als uit een mild vloeiende fontein scheppen zouden; zo is nog overig, dat wij in Hem zoeken en van Hem door gebeden vragen hetgeen wij geleerd hebben dat in Hem is.
 
Want te weten dat God een Heer en Gever van allerlei goederen is, Die ons tot Zich nodigt om die van Hem te begeren, en toch niet tot Hem te gaan en niet te begeren, zulks zou hetzelfde nut doen, als wanneer iemand een hem aangewezen, in de grond begraven en verborgen schat met minachting liet liggen.
 

Daarom heeft de Apostel, om te tonen dat het ware geloof niet zijn kan zonder het aanroepen van God, deze orde gesteld (Rom.10:14): dat, gelijk het geloof uit het gehoor van het Evangelie voortkomt, ook alzo onze harten door het geloof bekwaam worden gemaakt om Gods Naam aan te roepen. En dit is hetzelfde hetgeen hij een weinig te voren gezegd had (Rom.8:26), dat de Geest der aanneming, Die het getuigenis van het Evangelie aan onze harten verzegelt, onze geest richt, dat hij zijn begeerten aan God durft blootleggen, onuitsprekelijke zuchtingen verwekt, en met vertrouwen roept: Abba, Vader. Zo moet dan dit laatste, dewijl het te voren alleen ter loops gezegd en als even aangeroerd is, thans wijder behandeld worden.
 

 

.

 

 

Inhoud

o

 

Referenties

o

 

.

o

 


Het Woord Index Woordenboek C Totaal
Voordat we bovenstaande teller in werking stelden werden we reeds 180977 bezocht
Helaas stopte die teller met zijn service.