|
Over het
gebed, hetwelk de voornaamste oefening van het geloof is, en
waardoor wij de weldaden van God dagelijks verkrijgen.
1. Uit hetgeen tot nu toe verhandeld is, zien wij
niet onduidelijk hoe ledig en ontbloot de mens is van alle goed;
en dat hem alle middelen der zaligheid ontbreken. Indien hij
derhalve middelen zoekt waardoor hij zijn gebrek mag te hulp
komen, zo moet hij buiten zichzelf gaan, en die van elders
verkrijgen. Daarna is ons verklaard dat de Here Zich uit eigen
beweging en vrijgunstig ons voorstelt in Christus, in Wie Hij
ons alle gelukzaligheid voor onze ellende, en alle rijkdom voor
onze armoede aanbiedt, in Wie Hij ons de hemelse schatten opent,
opdat ons ganse geloof Zijn geliefde Zoon aanschouwe, onze ganse
verwachting aan Hem alleen hange en al onze hoop op Hem alleen
gevestigd zij en ruste.
Dit is waarlijk wel een geheim en verborgen wijsgerig onderwerp
dat door sluitredenen niet kan opgedolven worden; maar die
nochtans zij leren, wie God de ogen geopend heeft om in Zijn
licht het licht te aanschouwen. Als wij nu door het geloof
onderwezen zijn te bekennen dat al wat ons nodig is en in ons
gemist wordt, in God is en in onze Here Jezus Christus, als in
Wie de Vader gewild heeft dat al de volheid van Zijn
milddadigheid wonen zou, opdat wij allen uit Hem, als uit een
mild vloeiende fontein scheppen zouden; zo is nog overig, dat
wij in Hem zoeken en van Hem door gebeden vragen hetgeen wij
geleerd hebben dat in Hem is.
Want te weten dat God een Heer en Gever van allerlei goederen
is, Die ons tot Zich nodigt om die van Hem te begeren, en toch
niet tot Hem te gaan en niet te begeren, zulks zou hetzelfde nut
doen, als wanneer iemand een hem aangewezen, in de grond
begraven en verborgen schat met minachting liet liggen.
Daarom heeft de Apostel, om te
tonen dat het ware geloof niet zijn kan zonder het aanroepen van
God, deze orde gesteld (Rom.10:14): dat, gelijk het geloof uit
het gehoor van het Evangelie voortkomt, ook alzo onze harten
door het geloof bekwaam worden gemaakt om Gods Naam aan te
roepen. En dit is hetzelfde hetgeen hij een weinig te voren
gezegd had (Rom.8:26), dat de Geest der aanneming, Die het
getuigenis van het Evangelie aan onze harten verzegelt, onze
geest richt, dat hij zijn begeerten aan God durft blootleggen,
onuitsprekelijke zuchtingen verwekt, en met vertrouwen roept:
Abba, Vader. Zo moet dan dit laatste, dewijl het te voren alleen
ter loops gezegd en als even aangeroerd is, thans wijder
behandeld worden.
|