|
De
macht van het gebed 1
|
|
Door J.C. Schaeffer
Lezen
Mattheüs 9.35-38
Welke visie hebt u op
de taak van de kerk?
Welke visie hebt u op de plaats en de taak van de gemeente in de
wereld?
Welke visie hebt u op uw eigen taak en opdracht in dit alles?
De verzen, die hierboven staan aangegeven, vormen één van de
meest aangrijpende woorden uit het evangelie. In Matt.9:36 wordt
aangegeven met welke gezindheid Jezus zijn werk onder het volk
doet en wat Hem daarbij beweegt. Toen Hij de scharen zag, werd Hij
met ontferming over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgemat
waren, als schapen die geen herder hebben.
Jezus’ visie op de massa Toen Hij
de scharen zag ... Zien en zien is twee. Twee mensen kunnen naar
het zelfde kijken en toch ieder iets anders zien. De scharen, de
massa ... Wat zie je erin? Hoe vaak worden op de massa niet
woorden toegepast als gepeupel, het grauw, het plebs. Daar zit
duidelijk iets van afkeer in of van onverschilligheid.
De massa kan in z’n massaliteit
ook beangstigend zijn. Kijk naar een menigte in een
voetbalstadion, schreeuwend en tierend en ophitsend. Of neem het
krijsende, uitzinnige publiek bij een popfestival. Kijk naar een
demonstrerende mensenmassa.
Jezus ziet de massa en raakt met hen bewogen. Wie ziet het volk
zoals Hij? Het hart draait Hem gewoon in zijn lichaam om! Waarom
dan? Wat beroert Hem dan zo?
Nu, de ergste nood is niet allerlei
narigheid, die Hij ontdekt. Het ergste zijn niet de talloze
ziekten, of de sociale ellende of de politieke onvrijheid, enz.
Nee, Jezus ontdekt de grootste nood van het volk, de wortel van
hun misère. Dat is de herderloosheid van het volk. D.w.z. de
grote massa, al die mensen buiten de kerk, zij hebben geen herder,
die hen leiding geeft; geen voorman die hen in de goede richting
voert; niemand die hun het doel van het leven wijst. Ze zoeken
ernaar, individueel, samen, in de politiek, in godsdienstige
bewegingen. Men zoekt naar voormannen, goeroes, partijleiders, die
de toon aangeven en visies ontwikkelen.
Maar niemand kent de waarheid van
het leven. Niemand verstaat de zin van het bestaan. Het menselijk
verstand is afgestompt. Er is geen openheid voor de openbaring van
God. En daarom loopt alle zoeken en tasten op niets uit.
De massa buiten de kerk heeft geen herder. Dat betekent ook, dat
ze gevaarlijk is blootgesteld aan opwellingen. Dat ze uiterst
beïnvloedbaar is voor valse leiding. Een politieke leider, die de
gevoelige snaren van het hart weet te bespelen, krijgt de massa
zomaar mee op een totaal heilloze weg. Een welbespraakte
godsdienstige dweper of sekteleider verandert haar in een
fanatieke meute, die blindelings hem volgt.
Die massa, die zich zo ontpoppen
kan, zo beangstigend, onthutsend, die scharen wekken Jézus’
ontferming! Hij distantieert zich niet van hen. Ze irriteren Hem
niet. Menselijk gezien is het een wanhopig beeld. Maar niet voor
Jezus. Integendeel, hun richtingloosheid roert Hem. Hij krijgt
tranen in zijn ogen als Hij ziet dat hun alle houvast in leven en
sterven ontbreekt. Hij peilt hun nood, die hun ondergang is, en
het hart krimpt Hem samen.
Hij weet: de wereld heeft een herder
nodig, die de weg weet; die voor hen zorgt, strijdt, leiding
geeft, geneest. En die Herder is Hij. Dat weet Hij als zijn
opdracht. Hij geeft zijn leven voor deze wereld. Hij zet zijn
bestaan op het spel voor de schapen. Hij gaat aan het kruis voor
hen om hun weer leven te geven dat die naam werkelijk waard is.
Daarvoor is Hij gekomen. De massa moet ontrukt aan de zinloosheid.
De massa is bestemd voor God. Jezus ziet het als zijn taak de
verlorenheid van hun bestaan te doorbreken en op te heffen.
De herderloze kudde, een
rijpe oogst
En dat maakt dat het beeld in onze tekst plotseling verrassend
verandert. Het springt over van de rampzalige, herderloze kudde
naar de oogst. En zo ontmoedigend het ene beeld is, zo hoopvol en
veelbelovend is het andere beeld. Diezelfde herderloze massa vormt
een oogst, die staat te rijpen op het land, goudgeel, klaar om
binnengehaald te worden. En de oogst is groot, overvloedig. De
velden, overgoten met de zon van Gods liefde, strekken zich uit
tot de verre horizont. Opvallend genoeg wordt hier niet gesproken
over de zonde en de schuld van de scharen. Jezus’ oordeel is
niet een veroordeling van een groep eigenzinnige, bokkige schapen.
Nee, Hij ziet die stuurloze massa in al hun goddeloosheid en
ellende als een veld vol zware korenaren, rijp om te worden
geoogst.
En Hij kàn het alleen zo zien,
omdat Hij aan het kruis hun ellende en zonde heeft weggedragen.
Als Hij, door ontferming bewogen, in hun plaats gaat staan, wat
blijft er dan nog over van hun zonde, hun ellende? Hun zonde is
juist hun nood, die Hij zielsgraag van hen weg wil nemen. Jezus
sluit de herderloze, stuurloze massa in zijn hart. En zo wordt het
een oogst, die er op wacht om te worden binnengehaald.
Werkers gevraagd?
De herderloze schare is een immens grote oogst. Maar (en dan lijkt
het alsof de hoop, die even voor de massa gloorde, toch weer de
bodem wordt ingeslagen) waar zijn de arbeiders? En dan kijkt Hij
naar zijn discipelen, zijn volgelingen. Dan kijkt Hij naar hen,
die het eerste begin vormen van de kerk. Jezus kijkt naar de
wereld, peilt de diepste nood van de massa, en kijkt dàn naar de
kerk. Hij zegt eerst iets over de massa daarbuiten. En naar
aanleiding dààrvan richt Hij het woord tot zijn volgelingen. Hij
stelt vast dat de wereld een immens groot werkterrein vormt. En
komt dàn met zijn opdracht tot de gemeente. Een opdracht voor de
wereld!
Laten we dat goed beseffen: De kerk
is er voor de wereld. De gemeente van Christus heeft een roeping
voor de massa. Wij zijn er ten behoeve van die herderloze menigte,
die ook de huizen en straten van onze woonplaatsen bevolkt en die
(als God het niet verhoedt) haar doel niet zal bereiken en buiten
de stal van de goede Herder ten prooi valt aan de vernietiging.
Hoe reageert u op Jezus’
constatering dat er maar weinig arbeiders zijn? Als u ook maar
iets begrepen heeft van de blik van Jezus op de scharen, als u ook
maar iets meemaakt en meebeleeft van zijn ontroering over hun lot,
dan stokt u bij deze vaststelling de adem in de keel. Jezus ziet
de scharen in hun verlorenheid. Tegelijk weet Hij van de geweldige
mogelijkheid van hun redding. Daar zal Hij zijn leven voor geven.
De talloze verdwaalden kunnen worden thuisgebracht in zijn stal.
Maar waar zijn de arbeiders? Hoevelen staan klaar om daaraan hun
tijd en hun aandacht te geven?
Dus maar snel aan
het werk, natuurlijk! Er op af! Redden wat er te redden valt. God
heeft arbeiders nodig. Christus zoekt medewerkers. Aktie gevraagd!
Wie biedt zich aan?
Bidders gevraagd!
Wacht even! Want nu komen we tot het hart van de tekst. Want nadat
Jezus de nood heeft vastgesteld en nadat Hij van de vaste hoop
gesproken heeft, maar tegelijk een ontstellend gebrek aan
arbeiders heeft geconstateerd, stuurt Hij niet onmiddellijk zijn
volgelingen er op uit. Nee, Hij draagt hen op te bidden!
Dat onderstreept nog eens temeer de
diepte van de nood, de immense zwaarte van de taak. De
verlorenheid van de scharen is niet maar eventjes door ons
aktivisme op te heffen. De problemen van de niet-gelovige
samenleving zijn niet zomaar door ons in kaart te brengen aan de
hand van diepborende analyses en breed opgezet onderzoek. Niet dat
dat onbelangrijk is! Dat gebeurt misschien nog wel te weinig.
Maar het moet ergens anders
beginnen. Het moet beginnen met en gedragen blijven door het
gebed. Alleen biddend leren wij te kijken naar de massa met de
ogen van Jezus. Alleen biddend leren we samen met elkaar en ieder
voor zich onze opdracht kennen, hoe en waar wij in Gods oogst aan
de slag kunnen.
Bidden is een belijdenis: God in de hemel, U bent de Heer van de
oogst. Wie weet beter dan U waar we aan de slag kunnen en moeten?
En hoe we dat moeten doen?
Als volgelingen van Jezus weten we
dàt God ons gebruiken kan. Maar in onophoudelijk gebed laten we
Hem beslissen hoé en wààr Hij ons gebruiken wil. En zo’n
gebed mag gebeuren in de zekere verwachting, dat Hij ons leiden
zal. Dat Hij ons konkreet zal duidelijk maken, wat er van ons
verwacht wordt. Want Hij is de Heer van de oogst. En al biddend
krijgen we deel aan de ontfermende blik van Jezus, die de nood tot
op de grond doorziet.
Het
geheim van ons gebed
Bidt de Heer van de oogst dat Hij arbeiders uitzendt ... Maar is
dat eigenlijk geen wonderlijke opdracht als je er goed over
nadenkt? Kan Christus dat zelf niet bidden? Zou één gebed van
Hem niet meer effect hebben dan duizend van ons? En ziet God, de
Heer van de oogst, dan zelf die nood niet? Zal Hij op zijn tijd
geen arbeiders uitzenden, ook zonder ons gebed?
Dit zijn vragen die ons brengen tot
het diepste, ondoorgrondelijke geheim van het gebed en van de
macht die het heeft in het Koninkrijk van God. Het legt een enorme
verantwoordelijkheid op ons. En tegelijk staat het onder een
geweldige belofte. Een biddende gemeente, die daarin luistert naar
de stem van haar goede Herder, die daarin niet verslapt, maar
volhoudt, die mag een stroom van heil en liefde verwachten over
zichzelf en haar omgeving.
Wij hebben in ons gebed de macht
ontvangen om te voorzien in de nood van de wereld. Zeg maar heel
concreet: de nood van de grote massa ongelovigen, overal waar wij
onze plaats in de samenleving innemen. En de Heer van de oogst zal
ons gebed om leniging van die nood verhoren. Hij wil toch dat de
oogst wordt binnengehaald? Dat heeft de Heiland toch wel duidelijk
gemaakt? En geloof maar gerust, dat Hij die ons tot dit gebed
opriep, dit gebed zal bekrachtigen bij de Vader. We mogen van zulk
aanhoudend bidden veel verwachten. Ik ben er dan ook van
overtuigd, dat dit gebed niet gauw een te grote plaats in ons
persoonlijk en gemeenteleven in kan nemen.
Maar moeten we niet eerlijk
vaststellen, dat die bewogenheid om de wereld ons nog al teveel
ontbreekt? En zou dat niet de oorzaak zijn voor het schreeuwende
gebrek aan arbeiders in de oogst, ook vandaag nog, na zoveel
eeuwen christendom? Hebben we het als gelovigen en als kerk
eigenlijk niet veel te druk met ons zelf en de binnenkerkelijke en
interkerkelijke problemen, dan dat we ons ook nog kunnen
bekommeren om hen die buiten zijn? Maar missen we zo niet het doel
van ons gemeente-zijn? Lopen we zo niet onze roeping mis?
Daarom, laten onze huizen
gebedshuizen zijn. Laten onze bijbel- en contactkringen
gebedskringen zijn. Laten onze erediensten nog meer gebedsdiensten
zijn. Wat zullen we zo kunnen uitgroeien tot bereidwillige
arbeiders in Gods grote oogst! Wat zullen we zo deel kunnen nemen
aan Christus’ herderschap over een herderloze wereld. Als we als
kinderen van God en als gemeente van Christus deze opdracht
serieus nemen en bidden voor de omgeving waarin we leven en
werken, dan zullen we verhoord worden.
|
|
De
macht van het gebed 2 |
|
Door J.C. Schaeffer
Lezen:
Mark.9:14-29
Licht
en duister
In Mark.8.27 lezen we van een hoogtepunt in het evangelie. Voor
het eerst klinkt de belijdenis dat Jezus de Christus is, de Zoon
van God. Maar tegelijk wordt duidelijk, dat Petrus en de anderen
niet weten wat ze zeggen. Zo zien alleen Jezus’ grootheid. Ze
hebben geen oog voor de noodzaak van zijn lijden. Onthutsend
klinken hun de woorden in de oren over kruisdragen,
zelfverloochening en levensverlies op de weg achter de Meester.
Goede Vrijdag werpt zijn schaduw vooruit. Onmiddellijk daarna is
er dan het gebeuren op de berg, met drie van de twaalf discipelen
als getuigen. De verheerlijking op de berg is a.h.w. een
vooruitgrijpen op Pasen. Het is als een blik in Gods toekomst.
Maar de weg daarheen zal moeten worden volbracht door de diepten
heen. Het zal gaan met vallen en opstaan. Dat is voor Jezus zelf:
kruis en opstanding. Dat is voor zijn discipelen: Hem volgen op
dat spoor!
En uit dat hemels licht gaat het dan
ook weer de duisternis van deze wereld in. Aan de voet van de berg
staat Jezus plotseling weer temidden van de werkelijkheid, die
staat in het teken van de alles verlammende menselijke onmacht,
het niet-kunnen.
Kunnen of niet-kunnen, dat is het
sleutelwoord in deze geschiedenis. We komen het tegen in vs 18
over de discipelen, die de demon niet hebben kunnen uitdrijven. We
horen het in vs 22 en 23 in het gesprek tussen de vader van de
bezeten jongen en Jezus. En het keert tenslotte terug in de vraag
van de discipelen in vs 28: Waarom hebben wij het niet gekund? Een
verlammende onmacht, waardoor demonische, duistere krachten de
overhand behouden.
De onmacht van kerk en wereld
Wat is er precies gebeurd? Terwijl Jezus met drie van zijn
volgelingen op de berg vertoeft, zijn de negen achtergebleven
discipelen in een netelige situatie verzeild geraakt. Een radeloze
vader heeft hun hulp ingeroepen voor zijn wel uiterst
meelijwekkende zoon. Maar wat de discipelen ook proberen, het
heeft geen enkel resultaat. De kracht van Jezus’ Naam, waarin ze
ziekten genazen en demonen uitdreven (Mark.6.13), lijkt niet meer
te werken. En kennelijk is dit voor een aantal Schriftgeleerden
aanleiding om hiervoor met de discipelen in dispuut te gaan. De
negen worden bestormd met vragen en kritiek.
Wat zullen ze zich beroerd hebben
gevoeld, dat ze zo afgaan voor het front van een grote menigte.
Maar wat is er dan aan de hand? Jezus had hun toch volmacht
gegeven om demonen uit te drijven in zijn Naam? Vanwaar hun
onmacht?
Eén ding is duidelijk: hun volmacht
om demonen uit te drijven en zieken te genezen was niet een
tovermiddel. Het was niet een bepaalde techniek, die je onder de
knie kunt krijgen en dan kunt toepassen wanneer je maar wilt ...
Zou het kunnen zijn dat hun
onmacht samenhangt met wat we lezen aan het slot van Markus 8, wat
Jezus hun vertelde over zijn lijden en over de kruisweg, waarop
zij Hem moeten volgen? Zullen ze daardoor niet behoorlijk zijn
geschokt in het vertrouwen op de kracht van zijn Naam? En in die
situatie van innerlijke onzekerheid wordt hun plotseling gevraagd
een zieke en bezetene te genezen. Daarbij ook nog op de vingers
gekeken door wantrouwige rabbijnen, die hun mislukking natuurlijk
rechtstreeks op de Meester verhalen.
In die netelige situatie verschijnt
Jezus zelf. Wat moet voor Jezus het kontrast enorm groot geweest
zijn tussen die uren van hemelse harmonie in onmiddellijk contact
met de Vader en aan de voet van de berg die conflictsituatie. Op
de berg waren de hemelse geesten Hem zo heerlijk nabij. Hier
kwellen weer de geesten van de afgrond.
Als Jezus hoort wat er aan de hand
is, is zijn eerste reactie een verzuchting: O ongelovig geslacht,
hoe lang zal Ik nog bij u zijn? Hoe lang zal Ik u nog verdragen?
Maar dat woord, daar en toen in een heel bijzondere situatie
gesproken, reikt veel verder dan alleen die verzameling van
mensen, de paniekerige discipelen, de vitterige Schriftgeleerden,
de radeloze vader en zijn hulpeloze zoon. Het typeert de hele
mensheid, gevangen in ongeloof en onmacht. Het typeert de wereld,
die zichzelf geen vrede geven kan.
En in die wereld leeft de gemeente
van Christus. Maar hoe? Wat stralen we uit in die wereld? Is er
niet een ontstellend gebrek aan kracht en aan gezag? Is er niet
een schrijnend gebrek aan geloof om Jezus te verkondigen en de ban
van de duisternis te breken en in zijn Naam tekenen op te richten
van het Rijk dat Hij gevestigd heeft? Is onze prediking niet
gebroken door onze kerkelijke verdeeldheid? Onze schuldige
verscheurdheid? En blijft het niet bij praten en confereren en
delibereren over wat er mis is en hoe het anders zou moeten?
En ondertussen raken steeds meer
mensen vervreemd van het evangelie, raken op drift, komen in de
greep van het materialisme of drijven mee met allerlei geestelijke
stromingen die veel beloven, maar weinig bieden. En ook daarover
kunnen we eindeloos praten en we schrijven weekbladen en boeken
vol over het probleem van kerkverlating en secularisatie. Maar we
ontplooien nauwelijks enige kracht om aan de afkalving van het
kerkelijk leven weerstand te bieden. Met de wereld blijken ook wij
onmachtig.
De macht van Christus
... hoe lang zal Ik nog bij u zijn? Hoe lang zal Ik u nog
verdragen? Ja, dat is ook tegen ons gericht. Wij doen onze Heiland
zuchten. Hij klaagt over de weerbarstigheid van kerk en wereld.
Dat zuchten is de uitdrukking van
het heimwee waarmee de Zoon verlangt naar het Vaderhuis, dat kort
daarvoor voor zijn ogen even weer was opengegaan.
Maar desondanks is er bij de Heiland geen moment de gedachte om
deze ongelovige mensheid en zijn kleingelovige discipelen de rug
toe te keren. Onmiddellijk daarna klinkt het bevel. Brengt hem bij
Mij! Jezus gaat zijn macht tonen. Ja, nog voordat Hij ook maar
iets gedaan heeft, laat zijn invloed zich al blijken. Zodra de
jongen bij Hem is gekomen, krijgt hij een vreselijke aanval.
Tussen de discipelen en hun tegenstanders was Christus’ macht
een onderwerp van discussie. Maar voor de demon, die deze jongen
in z’n greep hield, is het een werkelijkheid. Hij voelt zich
bedreigd en gaat in machteloze woede tekeer. Hij wéét dat hij
het verliezen gaat. Midden in die spanning opeens zoiets als een
doktersvraag: Hoe lang heeft hij dit al? Al jarenlang blijkt de
jongen constant in levensgevaar te verkeren. Is het dus geen
hopeloos geval? En dat moet je dan allemaal maar vertellen.
Terwijl ondertussen je kind met het schuim op de lippen over de
grond kronkelt. De vader houdt het niet langer. Als u iets kunt
doen, help ons Dan. Het is een wanhoopskreet. Zijn vertrouwen in
Jezus heeft door de onmacht van zijn discipelen een geduchte knauw
gekregen. Gaat dit niet alle mensen-mogelijkheden te boven? Zal
ook de rabbi uit Nazareth hier niet machteloos staan? De man
borduurt eigenlijk verder op het twistgesprek tussen de
Schriftgeleerden en de discipelen. In zijn vraag wordt de macht
van Jezus ter discussie gesteld. Jézus’ macht wordt ter
discussie gesteld. Wat een intens trieste situatie eigenlijk.
Demonen hoeven Jezus maar te zien of ze sidderen voor zijn macht.
Maar de mensen vragen zich af wat Jezus eigenlijk kan. Staat
Jézus’ kunnen ter discussie? Zit het dààr op vast, dat
vastgelopen situaties niet worden opengebroken? Man, roept Jezus
uit, dàt is het punt niet! Het zit vast op jou, op je geloof.
Onmacht is ongeloof
Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft. Dit woord is de
kern van het verhaal. Hier komt het op aan. Hier wordt de onmacht
van mensen aan de kaak gesteld als ongeloof, als gebrek aan
vertrouwen, als blindheid voor de macht van God in Jezus Christus.
Hier ligt de kern van het probleem van de nood van onze wereld.
Hier wordt de zwakheid van de kerk ontmaskerd. Dat men niet beseft
wat men aan Christus heeft. Dat men voor de uitkomst uit allerlei
noodsituaties toch altijd maar weer begint met zoeken bij zichzelf
of andere menselijke mogelijkheden.
Hoe breekt een mens hieruit? Let op
de vader van die bezeten jongen. Hij geeft zich gewonnen aan
Jezus. Wat heeft de vader zover gebracht? Het is het machtswoord
van Jezus. Het is Jezus’ belofte, die hem in beweging brengt.
Zijn koninklijke machtswoord overweldigt hem. Het grijpt hem aan
in zijn binnenste. Het trekt hem plotseling over de streep.
Daardoor is hij bekeerd. Hij belijdt zijn geloof. Maar het is een
geloofsbelijdenis, die een innerlijke spanning kent. Een
ondubbelzinnig ik geloof kan hij niet uitspreken. Hij wordt
getrokken door Jezus’ belofte en door de macht die Hij
uitstraalt. Maar hij voelt tegelijk de duisternis van deze wereld
aan hem trekken. De weerbarstige werkelijkheid, die Jezus’ macht
schijnt te logenstraffen en die verleidt tot ongeloof.
Wat is ongeloof? Geen vertrouwen
hebben. Twijfelen aan de waarheid van Gods beloften. Ongeloof is
Christus voor een praatjesmaker houden. Ongeloof is schuld.
Ongeloof is, ondanks alle woorden van God, denken dat we er in
wezen toch alleen voor staan en het zelf moeten doen. De vader uit
het verhaal voelt zich te zwak aan dit ongeloof weerstand te
bieden. En daarom kan hij zijn geloof alleen maar belijden in de
vorm van een gebed: Ik geloof, maar kom mij te hulp in mijn
ongeloof. Geloven, beseft hij, kun je alleen maar biddend doen. En
Christus laat geen bidder staan. Hij toont ogenblikkelijk zijn
macht. Een laatste worsteling volgt, zo hevig, dat de dood van de
jongen gevreesd wordt. Maar de demon moet zijn prooi loslaten.
Jezus blijft overwinnaar. Want Hij heeft de macht. En Hij houdt de
macht. Die draagt Hij niet over aan zijn kerk. Hij houdt die zelf.
Geloof uit zich in gebed
Maar wel laat Hij zijn kerk daarin delen. Daarin geven de
slotverzen nog een verhelderend inzicht. Bij thuiskomst vragen de
discipelen toch nog een nadere toelichting, waar het bij hen
misgelopen was dat zij niet in staat waren de ban van de demon te
breken. Het is opnieuw een vraag naar het kunnen. Waarom konden
zij de werkelijkheid niet aan? Waarom konden zij de macht van de
duisternis niet overwinnen? Waarom ging hun die kunst zo slecht
af?
Deze vraag, nà wat er is gebeurd,
getuigt van hardleersheid. En Jezus’ antwoord spaart de
discipelen niet. Dit geslacht, dit soort kan alleen verjaagd
worden met gebed. Het is geen truc die je kunt aanleren. Het gaat
erom dat je voortdurend biddend terugvalt op Christus en je
beroept op zijn macht: dat je in een ononderbroken geloofsrelatie
staat met Hem.
Het gebed: dat is het geheim van
leven uit de overwinning. Ook vandaag! Waar niet gebeden wordt,
staat de kerk schuldig aan haar eigen onmacht. Waar niet de Heer
gesmeekt wordt: Heer, zie ons aan in onze onmacht om onze kinderen
bij U te houden. Heer van de kerk, zie ons aan in onze onmacht om
de eenheid van uw kerk terug te vinden! Zie ons aan in onze
onmacht om de afkalving van het kerkelijk leven tegen te houden!
Zie ons aan in onze onmacht om de wereld te ontrukken aan de
demonische machten van chaos en ontreddering! Waar niet gebeden
wordt: Heer, wij kunnen niet! Maar U bent machtig! Dat geloven
wij, Heer! Maar help ons in ons ongeloof! Help ons de vijand in
onszelf te overwinnen, die ons er toe verleidt de werkelijkheid
die we zien reëler te achten, dan de werkelijkheid die ons door U
met gezag wordt voorgehouden.
Waar zo niet gebeden wordt, smékend gebeden wordt, individueel en
door ons samen met elkaar, daar bevestigen we onszelf in onze
onmacht. Er zijn geen trucs te leren om die te overwinnen. Praten,
schrijven, confereren, debatteren, organiseren, het helpt op
zichzelf geen steek verder. Het bevestigt ons slechts in onze
machteloosheid.
Maar Jezus, Hij is de Machtige.
Geloof Hem! Acht Hem betrouwbaar. Ja, roep Hem aan om uw geloof te
versterken. Daartoe roept Hij ons in deze geschiedenis op. Want om
dit geloof te leren is Jezus weer afgedaald van de berg tot een
schare, die door haar ongeloof Hem doet lijden. En tot leerlingen
die het geloven nog beter moeten leren. En daartoe is Hij
opgestaan uit de dood als de grote Overwinnaar om ons te laten
delen in zijn kracht. Om tekenen op te richten van het Rijk dat is
en dat komt! Hij kan dat doen. Ook vandaag! Ook in uw leven! Ook
in deze wereld! Als er maar een kerk is die bidt en die veel van
Hem verwacht. Als we maar bidden: We geloven, Heer! Kom ons te
hulp in ons ongeloof.
|
|
|