|
door Ds. F.H.
Veenhuizen
Met de vraag Kan
bidden geleerd worden? is J. Firet (1) een witte raaf
in de literatuurlijst van de dissertatie van J.A.M. Siemerink, die
handelt over Het gebed in de religieuze vorming (2).
Een Protestantse witte raaf wel te verstaan. Deze lijst wemelt
namelijk van titels waarin uitdrukkingen voorkomen als
gebedsopvoeding, leren bidden, gebedspracticum, oefenschool voor
het gebed, enz. Maar ze zijn vooral uitgegeven in steden bezuiden
onze grote rivieren (bijv. Nijmegen, Leuven, Tielt) en geschreven
door auteurs die we als Rooms Katholiek kennen, zoals Rahner en
Guardini. Voor ons Protestanten zijn woorden als gebedstraining of
gebedseducatie maar vreemd. Althans, tot voor kort - er begint
voor dit onderwerp belangstelling te komen.
1)
J. Firet, ‘Kan bidden geleerd worden?’, in: Rondom het
Woord, 1977- 4, blz. 29-36.
2)
J.A.M. Siemerink, Het gebed in de religieuze vorming.
Empirisch-theologisch onderzoek naar de effecten van
gebedseducatie bij volwassenen, Kampen 1987.
Wel is er,
ook in ons land, veel over gebed geschreven. In de Lutherse
traditie ligt het net zo. Manfred Seitz zegt in zijn essay Beten
lernen, lehren, üben (3) dat de Evangelische Kirche
een rijke gebedsliteratuur heeft. Waarmee hij dan overigens niet
de gebeden zelf bedoelt maar de literatuur die ‘hinführt zum
Gebet’. Maar op de vraag op welke wijze het gebed in de praktijk
zou moeten worden ingeoefend gaat hij niet in. Zoals ook
bijvoorbeeld W.H. Velema veel goeds over het bidden zegt in zijn
belangrijke boek over de spiritualiteit, (4) maar de
hoe-vraag komt niet aan de orde. Firet vermeldt in zijn reeds
genoemde artikel wel het feit dat je in onze tijd kunt horen van
‘gebedstrainingen’ die hier en daar gegeven worden. Maar hij
vraagt zich af of bidden niet zo’n intieme, persoonlijke zaak,
zozeer een zaak van het hart is, dat het zich onmogelijk in een
training laat brengen. Naar zijn mening kan een leraar het je
eigenlijk niet leren, wel kun je het jezelf leren. In ieder geval
kun je wat over bidden leren. Vervolgens behandelt hij een aantal
aspecten van het bidden. Hij eindigt zijn artikel dan als volgt:
‘Kun je dat leren? Je kunt het proberen, in elk geval.’
3)
In Manfred Seitz, Erneuerung der Gemeinde, Gemeindeaufbau und
Spiritualität, Göttingen 1985, blz. 83-94.
4)
W.H. Velema, Nieuw zicht op Gereformeerde spiritualiteit, Kampen
1990.
Ik ben dit met
Firet eens. Ik denk dat je bidden niet kunt leren zoals je leert
autorijden of tennissen (als je maar lang genoeg oefent krijg je
het wel onder de knie). Je kunt het wel leren zoals je de
kwaliteit van iedere liefdesrelatie en van iedere liefdevolle
omgang kunt verbeteren. Door er meer en meer over te weten te
komen en door te letten op het voorbeeld van anderen. Daardoor kan
men zelf het eigen gebedsleven verrijken. De gemeente heeft dan
ook de plicht de theorie en de praktijk van het gebedsleven in de
toerusting aan de orde te stellen. Over mijn ervaringen die ik in
gebedstoerusting heb opgedaan, wil ik in dit artikel een en ander
vertellen.
Toerusting om ‘verder te
komen’
Gebedstoerusting dus,
maar niet in die zeer brede zin van het woord wat gebedspracticum
genoemd wordt. Daarvan zegt Frans Maas: ‘Gebedspraktica zijn het
resultaat van ons zoeken naar nieuwe vormen van retraite, waarin
we proberen de winsten van de groepsdynamica aan te wenden op het
vlak van de geloofsbezinning en gebedscultuur. (...) Daarbij
gebruiken we verworvenheden uit de hedendaagse menswetenschappen,
o.a. uit de sensitivity-training, de ontmoetingsgroep, rollenspel,
Gestalt, psychosynthese, verschillende vormen van meditatie, enz.’
(5) Een dergelijke ‘spirituele begeleiding van
groepen’ (6) waar een ervaren en deskundige
trainer voor nodig is, staat mij in dit artikel niet voor ogen.
Het gaat mij om iets dat iedere predikant die enige ervaring in
groepswerk heeft in zijn of haar gemeente kan doen. Ik bedoel dan
een gebedstoerusting die er op gericht is dat de deelnemers verder
komen op hun weg van gebed en meditatie door eigen ervaringen te
toetsen aan de Bijbel en de joods-christelijke traditie en door
nieuwe ervaringen op te doen.
5)
Frans Maas, Ervaringen met meditatie en gebedspraktika,
geciteerd naar een gestencild artikel dat ook gepubliceerd is in
L. Heijde e.a., Wat gebeurt er met de levensbeschouwing, Baarn
1977, blz. 68-80. J. Pieters heeft over dit onderwerp meerdere
malen geschreven, b.v. ‘Gebedspraktika op verhaal komen’,
Speling 27, 1975, blz. 107-125, en zijn inleiding op het boek
van Thomas Oden, Ludieke vroomheid, Hilversum 1975.
6)
A. Schreurs, Spirituele begeleiding van groepen, Bijdrage tot
een praktijktheorie voor geloofspraktica, Kampen 1990.
De doelstelling
is dus ‘verder komen’. Dat veronderstelt dat men op een of
andere wijze al als bidder onderweg is. Het alleen maar ‘verder
komen’ zegt tevens dat er niet een vastomlijnd einddoel, een
bepaald ideaal is dat in een dergelijke toerusting bereikt zou
kunnen worden. Het zegt ook dat niet iedere deelnemer even ver is
op de weg van gebed en meditatie. Daar moet terdege rekening mee
gehouden worden. De sfeer in de groep moet zo veilig zijn dat men
zich vrij voelt om te vertellen over eigen ervaringen en gebrek
(!) aan ervaringen.
Ik spreek niet alleen over gebed
maar over gebed en meditatie (en ik bedoel daarmee de
bijbelmeditatie), omdat ik geloof dat het gebruik van de bijbel in
het gebedsleven een grote plaats moet innemen. Seitz zegt dat de
belangrijkste bijdrage van de Reformatie aan het gebedsleven is
het bidden in onmiddellijke aansluiting aan de Heilige Schrift. (7)
Vervolgens gaat het in deze toerusting om het toetsen van eigen
ervaringen en het opdoen van nieuwe ervaringen. Het woord ervaring
gebruik ik om aan te geven dat het niet alleen gaat om kennis en
inzicht, maar vooral om de toepassing, de praxis. En tenslotte
spelen in de toerusting niet alleen de bijbel en de
bidders-in-de-bijbel een rol, maar ook de gebedspraktijk van het
Jodendom, de Oosterse kerken, de Rooms Katholieke kerk en het
Protestantisme in al zijn veelkleurigheid. (Het is vooral de
Charismatische Beweging geweest die zich er voor heeft ingespannen
om de vele gebedstradities bijeen te brengen.)
7)
Zie aantekening 3, blz. 91.
De enige
beschrijving van een dergelijke toerusting die ik in ons land
gevonden heb is van de hand van Ds. H.J. Bavinck in het blad
Toerusting. Hij vertelt over een toerustingcursus van 5 avonden in
de winter van 1984/85 waar ongeveer 70 à 80 deelnemers aan
meegedaan hebben. Ik acht zijn artikel van belang omdat hij de
avonden zowel inhoudelijk als procesmatig beschreven heeft. (8)
8)
Toerusting, dec. 1985, H.J. Bavinck, ‘Bidden, teken van leven’
(met vermelding van een dia-serie ‘Bidden is als ademen’)
Docate, Ev. Meijsterlaan 54, Utrecht.
Een veel
uitvoeriger beschrijving van zijn gebedsseminar geeft Wolfgang
Lück. Een gebedsconferentie van vrijdagavond tot en met de
zondagmorgen. Zijn publicatie is van belang wegens de beschrijving
(veel breder dan Bavinck het doet) van het hele proces, vanaf de
voorgeschiedenis tot en met het resultaat van de evaluatie. Maar
ook de groepswerkmethoden en de teksten die gebruikt zijn, worden
verantwoord en beschreven. (9)
9)
Wolfgang Lück, Gebet, Zwei Seminar-Berichte Erwachsenenbildung
der Evang. Kirche in Hessen und Nassau, Paulusplatz 1, 6100
Darmstadt.
Mijn eerste
stappen op deze toerustingweg bestonden uit het gebruikmaken van
bestaande boekjes. Het ene is wat meer op onderling gesprek
gericht, (10) het andere wat meer op onderricht (11)
of op bijbelstudie. (12) Van lieverlee ben ik wat
meer gaan improviseren (zonder bestaand materiaal) en ben ik met
iedere groep weer op zoek gegaan naar de beste weg: welke stappen
moeten de volgende avond gezet worden?
10)
Paul Oskamp, ‘Bidden, een manier van leven’, Toerusting nr.
500, Centrale voor Vormingswerk, Postbus 1100, 3970 BC
Driebergen.
11) Richard Foster,
De nieuwe levenswandel, De weg naar een actieve beoefening van
het geestelijk leven, Utrecht 1983. J.P. Versteeg, Het gebed
volgens het Nieuwe Testament, Amsterdam 1976. Ralph Martin, Al
wat ik ben smacht naar U, Praktische hulp voor het persoonlijk
gebed, Kampen, z.j. Jack C. Imslow, Als ik ontwaak... Over het
houden van ‘stille tijd’, Den Haag 1976. G.C. Tromp, Biddend
onderweg, Over gebedsvormen en de praktijk van het bidden, Den
Haag 1985. Wilhard Becker, Hoe moeten wij bidden, Den Haag 1973.
Andrew Murray, With Christ in the school of prayer. Dit
klassieke werk, door Richard Foster een van de beste over het
gebed genoemd, verschijnt in de loop van 1991 bij Gazon, Den
Haag. J. Happee, Mediteren met Luther, zie aantekening 19.
Zonder datgene wat ik uit deze boeken geleerd heb, zou ik het
geven gebedstoerusting niet aandurven. Een eerste publicatie
over de huisgodsdienst, een nog maar nauwelijks beschreven
thema, is: M. van Campen, Aangaande mij en mijn huis... Over het
dienen van God in het gezin, Den Haag 1991.
12) Het gebed, acht
bijbelstudies, Nederlandse Christelijke Gemeenschapsbond,
Parkweg 19, 6994 CM, De Steeg. School van gebed, Praktisch plan
voor een uur van gebed, Evangelische Alliantie, Hoofdstraat 51a,
3971 KB Driebergen, 1991, zie ook noot 22. Here, leer ons
bidden, Suggesties voor het gebedsleven, Agape, postbus 271,
3940 AG Doorn. De christen en het gebed, eveneens Agape.
Vier problemen
Mijn ervaring als
predikant in de gemeente heeft me geleerd dat er in ieder geval
rekening gehouden moet worden met vier problemen:
1. Velen
kennen het gebed eigenlijk alleen maar als vraaggebed.
Dankzegging en verootmoediging nemen een veel kleinere plaats
in. Lofprijzing, aanbidding en toewijding zijn nog minder
bekend.
2. Velen zijn zich niet bewust van de aard van hun relatie met
God, hebben geen zekerheid omtrent
hun persoonlijke relatie tot
Hem.
3. Velen lezen wel in de bijbel, maar doen hem daarna
schielijk weer dicht of grijpen naar een dagboek bij de bijbel.
Men beschouwt zichzelf als
leek en beschouwt de bijbel als een boek
dat uitleg van een deskundige nodig heeft. Niemand heeft
hen geleerd hoe je zelf over de betekenis van een bijbelgedeelte
kunt nadenken, noch hoe je in de bijbel God kunt
ontmoeten, noch hoe je in de bijbel Zijn stem kunt verstaan
voor je eigen leven.
4. Velen hebben zichzelf nog nooit hardop horen bidden en
zouden dat dan ook in bijzijn van
anderen niet durven. Een gebedsgemeenschap
waar iedereen aan het gebed mag deelnemen, waar
zusters en broeders gezamenlijk en eenparig bidden, kennen
ze niet en durven ze ook niet te leren kennen. Ten aanzien
van dit laatste geeft Fritz Schwarz een verslag van een
toerusting onder de titel Gemeinschaft im Beten. (13)
13)
Fritz Schwarz, Überschaubare Gemeinde, deel 2, Gladbeck z.j.,
blz. 110-114.
Ik zal nu de
opzet van de cursus zoals ik die zelf geef beschrijven. De duur
van de cursus is doorgaans vier of vijf maanden.
De eerste avond
worden na de kennismaking de verwachtingen voor de cursus
opgeschreven en besproken. (Het opschrijven is belangrijk want aan
het eind van de avond keren ze in gebedsvorm weer terug.) We
beginnen daarna niet met een inleiding of bijbelstudie over het
onderwerp bidden, maar vragen iets op te schrijven van de eigen
ervaring. Bijvoorbeeld: Bidden is voor mij als...; (14)
of: Probeer voor jezelf je gebedsleven van vroeger en van nu onder
woorden te brengen; realiseer je tegelijk hoe je dit beleeft; (15)
of: Schrijf over drie dingen iets op; goede ervaringen met gebed,
moeilijkheden met gebed en vragen voor deze cursus. (16)
We voeren hierover een gesprek aan de hand van een aantal
gespreksregels die ik uitdeel en bespreek. De kwintessens daarvan
is dat we niet met elkaar gaan discussiëren, maar proberen door
vragenstellen elkaar beter te leren kennen. Het gaat er niet om
wat we er van vinden, maar om de ander te helpen dichter bij de
eigen beleving van het gebed te komen en deze te verduidelijken.
Daarom stellen we elkaar open vragen zoals ‘En hoe vind je dat
dan?’ ‘Zou je daar iets meer over willen vertellen?’ Deze
gespreksregels bevorderen een open sfeer. Men voelt zich niet
bedreigd en durft heel persoonlijke dingen te vertellen. (17)
14)
H.J. Bavinck, zie aantekening 8.
15) G.L. Goedhart,
Gemeenteopbouw, Kampen 1984, blz. 100. Goedhart beschrijft hier
de cursus ‘Geloven beleven’; een van de avonden is gewijd
aan het gebed.
16) Lück, zie
aantekening 9.
17) Ontleend aan
Goedhart, zie aantekening 15. Een uitvoeriger bespreking van het
werken met deze gespreksregels geeft hij in: Bert Goedhart,
Vreedzaam leren spreken over vrede, Baarn 1988.
Na de koffiepauze
(een onvermijdelijk gegeven in ons land) vertel ik in het tweede
deel van de avond iets over de vertrouwelijke omgang met God, het
begrip ‘stille tijd houden’ en bespreek met name wat
uiterlijkheden zoals gebedstijd, -houding, -plaats, -regelmaat,
enz. Vervolgens gaan de deelnemers in groepjes van 3 à 4 een
gesprek voeren over Daniël (Dan.6:1-12) en ik geef
ze daarbij een paar gespreksvragen over het gebedsleven van
Daniël. Na het plenair gesprek hierover besluiten we de avond met
het Avondgebed. (18) Dit geeft gelegenheid iets te
vertellen over liturgie, de waarde van de liturgische traditie en
het gebruik van bestaande gebedsteksten. De deelnemers krijgen een
blad waarop de liturgie van het Avondgebed staat afgedrukt en een
blad waarop de liederen, de psalmlezing en een avondgebed staan.
Het eerste blad wordt uiteraard iedere keer opnieuw gebruikt, het
tweede blad wisselt. Alvorens het Avondgebed uit te delen vraag ik
de deelnemers de verwachtingen voor de cursus die ze in het begin
van de avond opgeschreven hebben nu te herschrijven in de vorm van
een gebed: een vraag of God hun dat geven wil door deze cursus. En
ik vraag hun dat gebed straks voor te lezen in het Avondgebed, om
de beurt.
18)
"Onze Hulp," Prof. Dr. G. v.d. Leeuw-stichting,
Amsterdam 1978.
Veertien dagen
later komen we weer bijeen en daarom geef ik de aanwezigen 14
bijbelteksten over bidden mee. Het verzoek is iedere dag een van
deze teksten (in het verband) te lezen en te overdenken en zo
mogelijk in het gebed te betrekken. Hoe dat precies in z’n werk
gaat komt de tweede avond aan de orde. Ik vertel dan iets over de
‘Viervoudige Krans’ van Luther. Dit is de eerste lijn die in
de loop van de cursus steeds verder ontwikkeld wordt. Luther heeft
in zijn beroemde Wie man beten soll aan zijn kapper, Meester
Peter, verteld hoe hij zelf zijn gebedsleven inricht. Het Onze
Vader, de Tien Geboden en de Geloofsbelijdenis zijn voor hem een
leerboek, een dankboek, een biechtboek en een gebedenboek. J.
Happee heeft in zijn niet meer uit de Nederlandse gebedsliteratuur
weg te denken boek Mediteren met Luther (19) dit
gebedsonderricht van Luther behandeld. Hij vat de viermaal
gedraaide krans als volgt samen:
1. bedenken wat de tekst op zichzelf te zeggen heeft;
2. bedanken de God die door dit Woord tot ons spreekt;
3. bekennen wie wij zelf zijn en waar wij zelf staan in dit
verband;
4. bidden van een concrete vraag die uit deze meditatie
opkomt. (20)
19)
J. Happee, Mediteren met Luther, De weg van meditatie en gebed,
Deventer 1983.
20) Idem
blz. 129.
De deelnemers
gaan na deze korte informatie uiteen in kleine groepjes, krijgen
een bijbelgedeelte mee, bijv. Joh 14:1-7, en bespreken bij ieder
vers de vier vragen:
1. wat betekent het,
2. waarvoor kunnen we God danken,
3. waarover moeten we ons voor God verootmoedigen en
4. welke dingen zouden we Hem kunnen vragen, voor anderen
en/of voor onszelf.
Deze werkwijze wordt beschreven in Samen bidden, een boek dat een
schat van aanwijzingen bevat voor een gebedscursus. (21)
21)
Jill Briscoe, Samen bidden, Hoornaar 1978.
De daaropvolgende
avond breid ik deze eerste lijn verder uit. De driedeling
dankzegging/schuldbelijdenis/vraaggebed is klassiek. Ik maak daar
dan drie groepen van:
1. dankzegging, lofprijzing en aanbidding;
2. verootmoediging (vergeef ons) en toewijding (gelijk ook
wij vergeven);
3. voorbede (vraaggebed voor anderen) en smeking
(vraaggebed voor jezelf).
In een derde bespreking vertel ik iets over andere indelingen en
laat bijvoorbeeld een schema zien van 12 onderdelen voor een uur
van gebed. (22) Siemerink geeft een interessante
verhandeling over de verschillende soorten of typen van gebed. Hij
constateert dat de indelingen die men maakt soms als invalshoek
hebben de eigenschappen van God; een andere keer wordt het
ordeningsprincipe gelegd bij de mens in zijn reactie op of zijn
relatie tot God. Weer een andere keer worden de soorten van gebed
onderscheiden aan de hand van aanleidingen of motieven die mensen
hebben om zich tot God te wenden. Zelf kiest hij voor vijf ‘modaliteiten’
van het gebed, nl. klacht, aanklacht en smeking (als ervaring van
onheil), dank en aanbidding (als ervaring van heil). (23)
Het is te begrijpen dat het van de groep afhangt in hoeverre zulke
onderscheidingen behandeld kunnen worden.
22)
Dit schema is afkomstig uit het in noot 12 genoemde ‘School
van gebed’.
23) Zie aantekening
2, blz. 99-146.
Het blijkt
telkens opnieuw dat de deelnemers het als een bijzondere
verrijking voor hun gebedsleven ervaren dat ze inzicht krijgen in
de verschillende soorten van gebed. Bovendien is het een
verrassing dat de toepassing vrij gemakkelijk is wanneer geoefend
wordt aan de hand van een bijbelgedeelte. Dat de bijbel het Woord
van God wordt genoemd weten ze allen, maar dat je op het Woord van
God op deze drie (of vijf- of zeven-) voudige wijze antwoord zou
kunnen geven is nieuw voor de meesten.
Gebed en bijbel
Een tweede lijn
die stap voor stap in de cursus tot ontwikkeling gebracht kan
worden is de lijn van de omgang met de bijbel. De eerste keer (Dan.6)
volstaan we met de vraag ‘Wat betekent dit?’ en geven
we op een fotocopie drie vertalingen: Statenvertaling, N.B.G. 1951
en Groot Nieuws Bijbel.
De vergelijking hiervan biedt voldoende antwoord.
Een volgende keer wordt dit dan uitgebreid met twee andere
vragen: ‘Waar staat het?’ (O.T. of N.T., historisch of
profetisch boek, evangelie of brief, wat gaat er aan vooraf en wat
volgt er op) en ‘Met welk doel is het geschreven, wat wilde
de bijbelschrijver ermee bereiken?’
Een derde keer kan de vraag naar de toepassing er aan
toegevoegd worden: ‘Wat wil God bij mij bereiken met dit
bijbelwoord?’ Het zijn de bekende zeven W-vragen: wie, wat,
waar, wanneer, waarmee, waarom en waartoe. Na deze
bijbelleesoefening kan de bijbelmeditatie aan de orde gesteld
worden. (24)
24)
Over meditatie wordt de laatste tijd veel geschreven. Kick Bras,
Als met een vriend, omgaan met God, Kampen 1990. J. van der
Linden, Spiritualiteit, een werkschrift voor bijbelse meditatie,
Toerusting nr. 509, postbus 1100, 3970 BC Driebergen. Malcolm
Smith, Mediteren kun je leren, Arnhem (nu via Het Gulden Boek te
Langbroek te bestellen).
Een derde
lijn in deze toerusting, nl. die van de thuis te lezen
bijbelteksten, heb ik reeds vermeld. Iedere keer krijgen de
deelnemers 14 dagteksten die uitgekozen zijn hetzij ter
voorbereiding op de volgende bijeenkomst, hetzij ter nadere
bezinning op het de laatste keer behandelde onderwerp. (25)
25)
Dit idee heb ik ontleend aan Is stille tijd praktisch
uitvoerbaar, N.C.G.B., Parkweg 19, 6994 CM De Steeg. Een korte,
goede inleiding over stille tijd en werkschrift met
bijbelgedeelten voor iedere dag gedurende 13 weken.
Een vierde
lijn betreft het gebed als vorm van omgang met God. De
manier van omgaan wordt bepaald door de relatie. Je gaat nu
eenmaal met je bakker anders om dan met je huisarts en met je
collega anders dan met je chef, aangezien je met een ieder van hen
nu eenmaal een andere relatie hebt. De vraag ‘Welke relatie
heb je met God?’ heeft dus met je Godsbeeld te maken: Wie is
God voor jou en wie ben jij voor Hem? Voor mijzelf is deze
drieslag van belang: God is mijn Vader, mijn Vriend en mijn
Bondgenoot, ik ben Zijn kind, Zijn vriend en Zijn medearbeider. (26)
26)
Over ‘Godsbeelden en gebed’ zie aantekening 2 blz. 72-96.
Tenslotte de
laatste lijn: de deelname aan het Avondgebed. De eerste
bijeenkomst wordt alleen de verwachting voor deze cursus als gebed
voorgelezen. De tweede keer is geoefend met het antwoordend
bidden: (Joh.14) in groepjes wordt een dankzegging,
een verootmoediging of een vraaggebed geformuleerd als antwoord op
een bijbelgedeelte.
In het Avondgebed daarna lezen we een bijbelgedeelte, ieder om de
beurt een vers. Daarna stilte om te bedenken: wat staat hier, wat
betekent dit?
In een tweede ronde zegt ieder wat de betekenis van ‘zijn’
vers is. Daarna stilte om een gebed te formuleren (zo kort
mogelijk, liefst in een enkele zin). In de derde ronde wordt dit
voorgelezen. Op de volgende avond kunnen deze oefeningen verder
uitgebreid worden b.v. met de vrijheid het uit te spreken gebed
wel of niet van tevoren op te schrijven.
Deze lijnen
blijken in iedere gebedstoerusting weer anders te verlopen. We
komen de ene keer met déze lijn, de andere keer met die lijn
verder. Dat komt omdat het gebed raakt aan alle aspecten van de
geloofsleer en het geloofsleven. Dat wil dus zeggen dat alle
mogelijke onderwerpen ter sprake kunnen komen. Wie zich niet
beperken wil tot een monologisch gebedsonderricht maar dialogisch
wil proberen hulp te bieden om tot een rijkere gebedspraktijk te
komen, zal op de vragen van de deelnemers moeten ingaan. Vandaar
mijn aanbeveling om niet met een strak gestructureerd lesprogramma
te werken maar langs een aantal lijnen te gaan om de deelnemers
wat verder te brengen op hun weg van gebed en meditatie.
Of ze inderdaad op die weg komen? Dat hangt van hen zelf af.
|