Klik hier om onze site "Het Woord" te openen indien u alleen deze pagina zietKan bidden geleerd worden?

 

Kan bidden geleerd worden?

door Ds. F.H. Veenhuizen

Met de vraag Kan bidden geleerd worden? is J. Firet (1) een witte raaf in de literatuurlijst van de dissertatie van J.A.M. Siemerink, die handelt over Het gebed in de religieuze vorming (2). Een Protestantse witte raaf wel te verstaan. Deze lijst wemelt namelijk van titels waarin uitdrukkingen voorkomen als gebedsopvoeding, leren bidden, gebedspracticum, oefenschool voor het gebed, enz. Maar ze zijn vooral uitgegeven in steden bezuiden onze grote rivieren (bijv. Nijmegen, Leuven, Tielt) en geschreven door auteurs die we als Rooms Katholiek kennen, zoals Rahner en Guardini. Voor ons Protestanten zijn woorden als gebedstraining of gebedseducatie maar vreemd. Althans, tot voor kort - er begint voor dit onderwerp belangstelling te komen.

1) J. Firet, ‘Kan bidden geleerd worden?’, in: Rondom het Woord, 1977- 4, blz. 29-36.
2) J.A.M. Siemerink, Het gebed in de religieuze vorming. Empirisch-theologisch onderzoek naar de effecten van gebedseducatie bij volwassenen, Kampen 1987.

Wel is er, ook in ons land, veel over gebed geschreven. In de Lutherse traditie ligt het net zo. Manfred Seitz zegt in zijn essay Beten lernen, lehren, üben (3) dat de Evangelische Kirche een rijke gebedsliteratuur heeft. Waarmee hij dan overigens niet de gebeden zelf bedoelt maar de literatuur die ‘hinführt zum Gebet’. Maar op de vraag op welke wijze het gebed in de praktijk zou moeten worden ingeoefend gaat hij niet in. Zoals ook bijvoorbeeld W.H. Velema veel goeds over het bidden zegt in zijn belangrijke boek over de spiritualiteit, (4) maar de hoe-vraag komt niet aan de orde. Firet vermeldt in zijn reeds genoemde artikel wel het feit dat je in onze tijd kunt horen van ‘gebedstrainingen’ die hier en daar gegeven worden. Maar hij vraagt zich af of bidden niet zo’n intieme, persoonlijke zaak, zozeer een zaak van het hart is, dat het zich onmogelijk in een training laat brengen. Naar zijn mening kan een leraar het je eigenlijk niet leren, wel kun je het jezelf leren. In ieder geval kun je wat over bidden leren. Vervolgens behandelt hij een aantal aspecten van het bidden. Hij eindigt zijn artikel dan als volgt: ‘Kun je dat leren? Je kunt het proberen, in elk geval.’

3) In Manfred Seitz, Erneuerung der Gemeinde, Gemeindeaufbau und Spiritualität, Göttingen 1985, blz. 83-94.
4)
W.H. Velema, Nieuw zicht op Gereformeerde spiritualiteit, Kampen 1990.

Ik ben dit met Firet eens. Ik denk dat je bidden niet kunt leren zoals je leert autorijden of tennissen (als je maar lang genoeg oefent krijg je het wel onder de knie). Je kunt het wel leren zoals je de kwaliteit van iedere liefdesrelatie en van iedere liefdevolle omgang kunt verbeteren. Door er meer en meer over te weten te komen en door te letten op het voorbeeld van anderen. Daardoor kan men zelf het eigen gebedsleven verrijken. De gemeente heeft dan ook de plicht de theorie en de praktijk van het gebedsleven in de toerusting aan de orde te stellen. Over mijn ervaringen die ik in gebedstoerusting heb opgedaan, wil ik in dit artikel een en ander vertellen.
 
Toerusting om ‘verder te komen’
Gebedstoerusting dus, maar niet in die zeer brede zin van het woord wat gebedspracticum genoemd wordt. Daarvan zegt Frans Maas: ‘Gebedspraktica zijn het resultaat van ons zoeken naar nieuwe vormen van retraite, waarin we proberen de winsten van de groepsdynamica aan te wenden op het vlak van de geloofsbezinning en gebedscultuur. (...) Daarbij gebruiken we verworvenheden uit de hedendaagse menswetenschappen, o.a. uit de sensitivity-training, de ontmoetingsgroep, rollenspel, Gestalt, psychosynthese, verschillende vormen van meditatie, enz.’ (5) Een dergelijke ‘spirituele begeleiding van groepen’ (6) waar een ervaren en deskundige trainer voor nodig is, staat mij in dit artikel niet voor ogen. Het gaat mij om iets dat iedere predikant die enige ervaring in groepswerk heeft in zijn of haar gemeente kan doen. Ik bedoel dan een gebedstoerusting die er op gericht is dat de deelnemers verder komen op hun weg van gebed en meditatie door eigen ervaringen te toetsen aan de Bijbel en de joods-christelijke traditie en door nieuwe ervaringen op te doen.

5) Frans Maas, Ervaringen met meditatie en gebedspraktika, geciteerd naar een gestencild artikel dat ook gepubliceerd is in L. Heijde e.a., Wat gebeurt er met de levensbeschouwing, Baarn 1977, blz. 68-80. J. Pieters heeft over dit onderwerp meerdere malen geschreven, b.v. ‘Gebedspraktika op verhaal komen’, Speling 27, 1975, blz. 107-125, en zijn inleiding op het boek van Thomas Oden, Ludieke vroomheid, Hilversum 1975.
6)
A. Schreurs, Spirituele begeleiding van groepen, Bijdrage tot een praktijktheorie voor geloofspraktica, Kampen 1990.

De doelstelling is dus ‘verder komen’. Dat veronderstelt dat men op een of andere wijze al als bidder onderweg is. Het alleen maar ‘verder komen’ zegt tevens dat er niet een vastomlijnd einddoel, een bepaald ideaal is dat in een dergelijke toerusting bereikt zou kunnen worden. Het zegt ook dat niet iedere deelnemer even ver is op de weg van gebed en meditatie. Daar moet terdege rekening mee gehouden worden. De sfeer in de groep moet zo veilig zijn dat men zich vrij voelt om te vertellen over eigen ervaringen en gebrek (!) aan ervaringen.
 
Ik spreek niet alleen over gebed maar over gebed en meditatie (en ik bedoel daarmee de bijbelmeditatie), omdat ik geloof dat het gebruik van de bijbel in het gebedsleven een grote plaats moet innemen. Seitz zegt dat de belangrijkste bijdrage van de Reformatie aan het gebedsleven is het bidden in onmiddellijke aansluiting aan de Heilige Schrift. (7) Vervolgens gaat het in deze toerusting om het toetsen van eigen ervaringen en het opdoen van nieuwe ervaringen. Het woord ervaring gebruik ik om aan te geven dat het niet alleen gaat om kennis en inzicht, maar vooral om de toepassing, de praxis. En tenslotte spelen in de toerusting niet alleen de bijbel en de bidders-in-de-bijbel een rol, maar ook de gebedspraktijk van het Jodendom, de Oosterse kerken, de Rooms Katholieke kerk en het Protestantisme in al zijn veelkleurigheid. (Het is vooral de Charismatische Beweging geweest die zich er voor heeft ingespannen om de vele gebedstradities bijeen te brengen.)

7) Zie aantekening 3, blz. 91.

De enige beschrijving van een dergelijke toerusting die ik in ons land gevonden heb is van de hand van Ds. H.J. Bavinck in het blad Toerusting. Hij vertelt over een toerustingcursus van 5 avonden in de winter van 1984/85 waar ongeveer 70 à 80 deelnemers aan meegedaan hebben. Ik acht zijn artikel van belang omdat hij de avonden zowel inhoudelijk als procesmatig beschreven heeft. (8)

8) Toerusting, dec. 1985, H.J. Bavinck, ‘Bidden, teken van leven’ (met vermelding van een dia-serie ‘Bidden is als ademen’) Docate, Ev. Meijsterlaan 54, Utrecht.

Een veel uitvoeriger beschrijving van zijn gebedsseminar geeft Wolfgang Lück. Een gebedsconferentie van vrijdagavond tot en met de zondagmorgen. Zijn publicatie is van belang wegens de beschrijving (veel breder dan Bavinck het doet) van het hele proces, vanaf de voorgeschiedenis tot en met het resultaat van de evaluatie. Maar ook de groepswerkmethoden en de teksten die gebruikt zijn, worden verantwoord en beschreven. (9)

9) Wolfgang Lück, Gebet, Zwei Seminar-Berichte Erwachsenenbildung der Evang. Kirche in Hessen und Nassau, Paulusplatz 1, 6100 Darmstadt.

Mijn eerste stappen op deze toerustingweg bestonden uit het gebruikmaken van bestaande boekjes. Het ene is wat meer op onderling gesprek gericht, (10) het andere wat meer op onderricht (11) of op bijbelstudie. (12) Van lieverlee ben ik wat meer gaan improviseren (zonder bestaand materiaal) en ben ik met iedere groep weer op zoek gegaan naar de beste weg: welke stappen moeten de volgende avond gezet worden?

10) Paul Oskamp, ‘Bidden, een manier van leven’, Toerusting nr. 500, Centrale voor Vormingswerk, Postbus 1100, 3970 BC Driebergen.
11)
Richard Foster, De nieuwe levenswandel, De weg naar een actieve beoefening van het geestelijk leven, Utrecht 1983. J.P. Versteeg, Het gebed volgens het Nieuwe Testament, Amsterdam 1976. Ralph Martin, Al wat ik ben smacht naar U, Praktische hulp voor het persoonlijk gebed, Kampen, z.j. Jack C. Imslow, Als ik ontwaak... Over het houden van ‘stille tijd’, Den Haag 1976. G.C. Tromp, Biddend onderweg, Over gebedsvormen en de praktijk van het bidden, Den Haag 1985. Wilhard Becker, Hoe moeten wij bidden, Den Haag 1973. Andrew Murray, With Christ in the school of prayer. Dit klassieke werk, door Richard Foster een van de beste over het gebed genoemd, verschijnt in de loop van 1991 bij Gazon, Den Haag. J. Happee, Mediteren met Luther, zie aantekening 19. Zonder datgene wat ik uit deze boeken geleerd heb, zou ik het geven gebedstoerusting niet aandurven. Een eerste publicatie over de huisgodsdienst, een nog maar nauwelijks beschreven thema, is: M. van Campen, Aangaande mij en mijn huis... Over het dienen van God in het gezin, Den Haag 1991.
12)
Het gebed, acht bijbelstudies, Nederlandse Christelijke Gemeenschapsbond, Parkweg 19, 6994 CM, De Steeg. School van gebed, Praktisch plan voor een uur van gebed, Evangelische Alliantie, Hoofdstraat 51a, 3971 KB Driebergen, 1991, zie ook noot 22. Here, leer ons bidden, Suggesties voor het gebedsleven, Agape, postbus 271, 3940 AG Doorn. De christen en het gebed, eveneens Agape.

Vier problemen

Mijn ervaring als predikant in de gemeente heeft me geleerd dat er in ieder geval rekening gehouden moet worden met vier problemen:

1. Velen kennen het gebed eigenlijk alleen maar als vraaggebed.
Dankzegging en verootmoediging nemen een veel kleinere
plaats in. Lofprijzing, aanbidding en toewijding zijn nog minder bekend.
2.
Velen zijn zich niet bewust van de aard van hun relatie met
God, hebben geen zekerheid omtrent hun persoonlijke relatie tot Hem.
3.
Velen lezen wel in de bijbel, maar doen hem daarna schielijk weer dicht of grijpen naar een dagboek bij de bijbel. Men
beschouwt zichzelf als leek en beschouwt de bijbel als een boek dat uitleg van een deskundige nodig heeft. Niemand heeft hen geleerd hoe je zelf over de betekenis van een bijbelgedeelte kunt nadenken, noch hoe je in de bijbel God kunt ontmoeten, noch hoe je in de bijbel Zijn stem kunt verstaan voor je eigen leven.
4.
Velen hebben zichzelf nog nooit hardop horen bidden en
zouden dat dan ook in bijzijn van anderen niet durven. Een gebedsgemeenschap waar iedereen aan het gebed mag deelnemen, waar zusters en broeders gezamenlijk en eenparig bidden, kennen ze niet en durven ze ook niet te leren kennen. Ten aanzien van dit laatste geeft Fritz Schwarz een verslag van een toerusting onder de titel Gemeinschaft im Beten. (13)

13) Fritz Schwarz, Überschaubare Gemeinde, deel 2, Gladbeck z.j., blz. 110-114.

Ik zal nu de opzet van de cursus zoals ik die zelf geef beschrijven. De duur van de cursus is doorgaans vier of vijf maanden.

De eerste avond worden na de kennismaking de verwachtingen voor de cursus opgeschreven en besproken. (Het opschrijven is belangrijk want aan het eind van de avond keren ze in gebedsvorm weer terug.) We beginnen daarna niet met een inleiding of bijbelstudie over het onderwerp bidden, maar vragen iets op te schrijven van de eigen ervaring. Bijvoorbeeld: Bidden is voor mij als...; (14) of: Probeer voor jezelf je gebedsleven van vroeger en van nu onder woorden te brengen; realiseer je tegelijk hoe je dit beleeft; (15) of: Schrijf over drie dingen iets op; goede ervaringen met gebed, moeilijkheden met gebed en vragen voor deze cursus. (16) We voeren hierover een gesprek aan de hand van een aantal gespreksregels die ik uitdeel en bespreek. De kwintessens daarvan is dat we niet met elkaar gaan discussiëren, maar proberen door vragenstellen elkaar beter te leren kennen. Het gaat er niet om wat we er van vinden, maar om de ander te helpen dichter bij de eigen beleving van het gebed te komen en deze te verduidelijken. Daarom stellen we elkaar open vragen zoals ‘En hoe vind je dat dan?’ ‘Zou je daar iets meer over willen vertellen?’ Deze gespreksregels bevorderen een open sfeer. Men voelt zich niet bedreigd en durft heel persoonlijke dingen te vertellen. (17)

14) H.J. Bavinck, zie aantekening 8.
15)
G.L. Goedhart, Gemeenteopbouw, Kampen 1984, blz. 100. Goedhart beschrijft hier de cursus ‘Geloven beleven’; een van de avonden is gewijd aan het gebed.
16)
Lück, zie aantekening 9.
17)
Ontleend aan Goedhart, zie aantekening 15. Een uitvoeriger bespreking van het werken met deze gespreksregels geeft hij in: Bert Goedhart, Vreedzaam leren spreken over vrede, Baarn 1988.

Na de koffiepauze (een onvermijdelijk gegeven in ons land) vertel ik in het tweede deel van de avond iets over de vertrouwelijke omgang met God, het begrip ‘stille tijd houden’ en bespreek met name wat uiterlijkheden zoals gebedstijd, -houding, -plaats, -regelmaat, enz. Vervolgens gaan de deelnemers in groepjes van 3 à 4 een gesprek voeren over Daniël (Dan.6:1-12) en ik geef ze daarbij een paar gespreksvragen over het gebedsleven van Daniël. Na het plenair gesprek hierover besluiten we de avond met het Avondgebed. (18) Dit geeft gelegenheid iets te vertellen over liturgie, de waarde van de liturgische traditie en het gebruik van bestaande gebedsteksten. De deelnemers krijgen een blad waarop de liturgie van het Avondgebed staat afgedrukt en een blad waarop de liederen, de psalmlezing en een avondgebed staan. Het eerste blad wordt uiteraard iedere keer opnieuw gebruikt, het tweede blad wisselt. Alvorens het Avondgebed uit te delen vraag ik de deelnemers de verwachtingen voor de cursus die ze in het begin van de avond opgeschreven hebben nu te herschrijven in de vorm van een gebed: een vraag of God hun dat geven wil door deze cursus. En ik vraag hun dat gebed straks voor te lezen in het Avondgebed, om de beurt.

18) "Onze Hulp," Prof. Dr. G. v.d. Leeuw-stichting, Amsterdam 1978.

Veertien dagen later komen we weer bijeen en daarom geef ik de aanwezigen 14 bijbelteksten over bidden mee. Het verzoek is iedere dag een van deze teksten (in het verband) te lezen en te overdenken en zo mogelijk in het gebed te betrekken. Hoe dat precies in z’n werk gaat komt de tweede avond aan de orde. Ik vertel dan iets over de ‘Viervoudige Krans’ van Luther. Dit is de eerste lijn die in de loop van de cursus steeds verder ontwikkeld wordt. Luther heeft in zijn beroemde Wie man beten soll aan zijn kapper, Meester Peter, verteld hoe hij zelf zijn gebedsleven inricht. Het Onze Vader, de Tien Geboden en de Geloofsbelijdenis zijn voor hem een leerboek, een dankboek, een biechtboek en een gebedenboek. J. Happee heeft in zijn niet meer uit de Nederlandse gebedsliteratuur weg te denken boek Mediteren met Luther (19) dit gebedsonderricht van Luther behandeld. Hij vat de viermaal gedraaide krans als volgt samen:
1. bedenken wat de tekst op zichzelf te zeggen heeft;
2. bedanken de God die door dit Woord tot ons spreekt;
3. bekennen wie wij zelf zijn en waar wij zelf staan in dit verband;
4. bidden van een concrete vraag die uit deze meditatie opkomt. (
20)

19) J. Happee, Mediteren met Luther, De weg van meditatie en gebed, Deventer 1983.
20)
Idem blz. 129.

De deelnemers gaan na deze korte informatie uiteen in kleine groepjes, krijgen een bijbelgedeelte mee, bijv. Joh 14:1-7, en bespreken bij ieder vers de vier vragen:
1. wat betekent het,
2. waarvoor kunnen we God danken,
3. waarover moeten we ons voor God verootmoedigen en
4. welke dingen zouden we Hem kunnen vragen, voor anderen en/of voor onszelf.
Deze werkwijze wordt beschreven in Samen bidden, een boek dat een schat van aanwijzingen bevat voor een gebedscursus. (21)

21) Jill Briscoe, Samen bidden, Hoornaar 1978.

De daaropvolgende avond breid ik deze eerste lijn verder uit. De driedeling dankzegging/schuldbelijdenis/vraaggebed is klassiek. Ik maak daar dan drie groepen van:
1. dankzegging, lofprijzing en aanbidding;
2. verootmoediging (vergeef ons) en toewijding (gelijk ook wij vergeven);
3. voorbede (vraaggebed voor anderen) en smeking (vraaggebed voor jezelf).
 
In een derde bespreking vertel ik iets over andere indelingen en laat bijvoorbeeld een schema zien van 12 onderdelen voor een uur van gebed. (22) Siemerink geeft een interessante verhandeling over de verschillende soorten of typen van gebed. Hij constateert dat de indelingen die men maakt soms als invalshoek hebben de eigenschappen van God; een andere keer wordt het ordeningsprincipe gelegd bij de mens in zijn reactie op of zijn relatie tot God. Weer een andere keer worden de soorten van gebed onderscheiden aan de hand van aanleidingen of motieven die mensen hebben om zich tot God te wenden. Zelf kiest hij voor vijf ‘modaliteiten’ van het gebed, nl. klacht, aanklacht en smeking (als ervaring van onheil), dank en aanbidding (als ervaring van heil). (23) Het is te begrijpen dat het van de groep afhangt in hoeverre zulke onderscheidingen behandeld kunnen worden.

22) Dit schema is afkomstig uit het in noot 12 genoemde ‘School van gebed’.
23)
Zie aantekening 2, blz. 99-146.

Het blijkt telkens opnieuw dat de deelnemers het als een bijzondere verrijking voor hun gebedsleven ervaren dat ze inzicht krijgen in de verschillende soorten van gebed. Bovendien is het een verrassing dat de toepassing vrij gemakkelijk is wanneer geoefend wordt aan de hand van een bijbelgedeelte. Dat de bijbel het Woord van God wordt genoemd weten ze allen, maar dat je op het Woord van God op deze drie (of vijf- of zeven-) voudige wijze antwoord zou kunnen geven is nieuw voor de meesten.

Gebed en bijbel
Een tweede lijn die stap voor stap in de cursus tot ontwikkeling gebracht kan worden is de lijn van de omgang met de bijbel. De eerste keer (Dan.6) volstaan we met de vraag ‘Wat betekent dit?’ en geven we op een fotocopie drie vertalingen: Statenvertaling, N.B.G. 1951 en Groot Nieuws Bijbel.
De vergelijking hiervan biedt voldoende antwoord.
Een volgende keer wordt dit dan uitgebreid met twee andere vragen: ‘Waar staat het?’ (O.T. of N.T., historisch of profetisch boek, evangelie of brief, wat gaat er aan vooraf en wat volgt er op) en ‘Met welk doel is het geschreven, wat wilde de bijbelschrijver ermee bereiken?’
Een derde keer kan de vraag naar de toepassing er aan toegevoegd worden: ‘Wat wil God bij mij bereiken met dit bijbelwoord?’ Het zijn de bekende zeven W-vragen: wie, wat, waar, wanneer, waarmee, waarom en waartoe. Na deze bijbelleesoefening kan de bijbelmeditatie aan de orde gesteld worden. (24)

24) Over meditatie wordt de laatste tijd veel geschreven. Kick Bras, Als met een vriend, omgaan met God, Kampen 1990. J. van der Linden, Spiritualiteit, een werkschrift voor bijbelse meditatie, Toerusting nr. 509, postbus 1100, 3970 BC Driebergen. Malcolm Smith, Mediteren kun je leren, Arnhem (nu via Het Gulden Boek te Langbroek te bestellen).

Een derde lijn in deze toerusting, nl. die van de thuis te lezen bijbelteksten, heb ik reeds vermeld. Iedere keer krijgen de deelnemers 14 dagteksten die uitgekozen zijn hetzij ter voorbereiding op de volgende bijeenkomst, hetzij ter nadere bezinning op het de laatste keer behandelde onderwerp. (25)

25) Dit idee heb ik ontleend aan Is stille tijd praktisch uitvoerbaar, N.C.G.B., Parkweg 19, 6994 CM De Steeg. Een korte, goede inleiding over stille tijd en werkschrift met bijbelgedeelten voor iedere dag gedurende 13 weken.

Een vierde lijn betreft het gebed als vorm van omgang met God. De manier van omgaan wordt bepaald door de relatie. Je gaat nu eenmaal met je bakker anders om dan met je huisarts en met je collega anders dan met je chef, aangezien je met een ieder van hen nu eenmaal een andere relatie hebt. De vraag ‘Welke relatie heb je met God?’ heeft dus met je Godsbeeld te maken: Wie is God voor jou en wie ben jij voor Hem? Voor mijzelf is deze drieslag van belang: God is mijn Vader, mijn Vriend en mijn Bondgenoot, ik ben Zijn kind, Zijn vriend en Zijn medearbeider. (26)

26) Over ‘Godsbeelden en gebed’ zie aantekening 2 blz. 72-96.

Tenslotte de laatste lijn: de deelname aan het Avondgebed. De eerste bijeenkomst wordt alleen de verwachting voor deze cursus als gebed voorgelezen. De tweede keer is geoefend met het antwoordend bidden: (Joh.14) in groepjes wordt een dankzegging, een verootmoediging of een vraaggebed geformuleerd als antwoord op een bijbelgedeelte.
In het Avondgebed daarna lezen we een bijbelgedeelte, ieder om de beurt een vers. Daarna stilte om te bedenken: wat staat hier, wat betekent dit?
In een tweede ronde zegt ieder wat de betekenis van ‘zijn’ vers is. Daarna stilte om een gebed te formuleren (zo kort mogelijk, liefst in een enkele zin). In de derde ronde wordt dit voorgelezen. Op de volgende avond kunnen deze oefeningen verder uitgebreid worden b.v. met de vrijheid het uit te spreken gebed wel of niet van tevoren op te schrijven.

Deze lijnen blijken in iedere gebedstoerusting weer anders te verlopen. We komen de ene keer met déze lijn, de andere keer met die lijn verder. Dat komt omdat het gebed raakt aan alle aspecten van de geloofsleer en het geloofsleven. Dat wil dus zeggen dat alle mogelijke onderwerpen ter sprake kunnen komen. Wie zich niet beperken wil tot een monologisch gebedsonderricht maar dialogisch wil proberen hulp te bieden om tot een rijkere gebedspraktijk te komen, zal op de vragen van de deelnemers moeten ingaan. Vandaar mijn aanbeveling om niet met een strak gestructureerd lesprogramma te werken maar langs een aantal lijnen te gaan om de deelnemers wat verder te brengen op hun weg van gebed en meditatie.
Of ze inderdaad op die weg komen? Dat hangt van hen zelf af.
 

 

.

 

 

Inhoud

 

 

Referenties

o

 

.

o

 


Het Woord Index Thema G Totaal
Voordat we bovenstaande teller in werking stelden werden we reeds 180977 bezocht
Helaas stopte die teller met zijn service.