|
Bron: Wereld van
verschil, H. Binnendijk
1 Samuël 8-23
De weg naar Gods hart
Toen Prins Willem
Alexander werd gevraagd naar zijn toekomstige koningschap, zei
hij: Ik ben er klaar voor. Dat kon je bij koning Saul niet zeggen.
Hij was er niet klaar voor. Wat niet wil zeggen dat hij er tien
jaar later wel klaar voor zou zijn geweest.
Tenslotte was hij niet de enige koning die zijn ambt op zich nam
op jeugdige leeftijd. Dat kwam later in de geschiedenis van
Israël vaker voor. Joas bijv. was zeven jaar toen hij koning werd
(2Kon.12:1). En hij was bepaald niet de slechtste.
Bij Saul was het niet zozeer zijn leeftijd, die bepalend was. Maar
meer het feit dat hij er niet op voorbereid was. Het kwam zomaar
ineens op zijn pad. Het was helemaal niet Gods bedoeling dat
Israël een menselijke koning zou krijgen. God zelf wilde hun
koning zijn, maar Israël wilde een koning die ze konden zien, en
die hun aanvoerder zou zijn in de strijd. Sterker nog, ze eisten
dit, mede omdat ze zagen dat de zonen van Samuël niet in hun
vaders voetspoor liepen.
De oudsten van Israël gingen dan ook naar de profeet Samuël en
zeiden: Stel NU een koning over ons aan om ons te richten,
als bij alle andere volken (1Sam.8:5). Dat was hun drijfveer: om
gelijk te zijn aan alle andere volken. Ze wilden niet meer dat
apart gezette (geheiligde) volk van God zijn, maar gelijk zijn aan
de volkeren in de wereld.
Daarom zegt God tegen Samuël: "Hoor naar de stem des volks
in alles, wat zij tot u zeggen zullen" m.a.w. geef ze hun zin
maar in alles wat ze vragen, "want zij hebben niet u
verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, zodat Ik geen Koning
over hen zal zijn." (1Sam.8:7).
Hoe Samuël ook zijn best doet om het volk van deze grote fout af
te houden, ze luisteren niet. Er moet en zal een mens als koning
worden aangesteld. Er staat: "Het volk weigerde echter naar
Samuël te luisteren en zij zeiden: Neen, toch moet er een
koning over ons zijn; dan zullen ook wij zijn als alle andere
volken (1Sam.8:19).
En zo moet er op korte termijn een koning komen. En wijst God
iemand aan. In die omstandigheden zal God best de meest geschikte
man voor die taak gekozen hebben. En dat werd Saul. Tot zijn eigen
verbazing. Want Saul had bepaald geen hoge dunk van zichzelf (1Sam.9:21).
Nu is het bijna altijd zo dat iemand die door God geroepen wordt,
zichzelf ongeschikt vindt (Exod.3:11, Richt.6:15).
Dat is niet zo erg, want in zekere zin is het zelfs voorwaarde om
in Gods Koninkrijk te kunnen dienen. Maar het ontbreken van
zelfvertrouwen moet dan wel opgevuld worden met vertrouwen op God.
Afzien van jezelf en opzien naar God. Maar dit laatste lijkt bij
Saul ook te ontbreken. Zijn gevoel van kleinheid wordt niet
overheerst door geloof in Gods grootheid. Hij weet niet dat Gods
kracht zich juist openbaart in menselijke zwakheid (2Cor.12:9).
Hij blijft steken in zijn eigen zwakheid. In zijn gevoel van
minderwaardigheid. En op het moment dat hij tot koning wordt
uitgeroepen, is hij nergens te vinden. Hij verbergt zich achter
het pakgoed (1Sam.10:21,22).
Als hij later een overwinning heeft behaald, verdwijnt zijn
minderwaardig gevoel en slaat hij door naar de andere kant. Dan
lijdt hij onder een teveel aan eigenwaarde. Hij slaat zover door
dat hij zelfs een gedenkteken voor zichzelf opricht (1Sam.15:12).
Hij wordt in zijn onzekerheid heen en weer geslingerd.
- Van minder- naar
meerderwaardigheid.
- Van gebrek aan moed naar
overmoed.
- Van gebrek aan beleid naar te
grote beslistheid.
- Van slachtoffer naar redder.
De slinger gaat voortdurend heen
en weer en komt niet tot rust, omdat hij niet rusten kan in God.
En dat ondanks het feit dat
- God hem van alles wat nodig is
voorziet.
- Hij duidelijk door God
geroepen wordt (1Sam.10:1).
- God hem tot een ander mens
maakt (1Sam.10:6).
- God met hem is (1Sam.10:7).
- God hem een ander hart schenkt
(1Sam.10:9).
- Gods Geest hen aangrijpt (1Sam.11:6).
- En God hem de overwinning
geeft(1Sam.11:13).
Toch is er bijna geen reactie van
de kant van Saul.
- Je leest een keer dat hij een
altaar voor de Here bouwt (1Sam.14:35).
- En een keer dat hij God om
leiding vraagt (1Sam.14:37).
Maar dan is het al te laat. Want
dan antwoordt God hem al niet meer, omdat hij gezondigd heeft en
dat niet belijdt. En vooral dat laatste is zijn ondergang
geworden. Zondigen is al iets wat God niet kan uitstaan, maar er
dan ook nog eens mee blijven lopen en er niet mee naar God gaan,
of tegen beter weten in doorgaan met zondigen. Daarmee sluit je de
weg naar God volledig af. En dit was het geval bij Saul.
Hij moest optrekken om tegen de Filistijnen te strijden. En de
profeet Samuël had hem gezegd dat hij aan het front in Gilgal
zeven dagen moest wachten. Totdat Samuël kwam om daar een
brandoffer te brengen (1Sam.10:8). Het ging hier niet om zomaar
een godsdienstig ritueel. maar om te tonen dat we geheel en al
afhankelijk zijn van God, en om aan Saul te leren dat hij zijn
vertrouwen op God moest stellen zodat hij kon gaan zien hoe God
tussenbeide zou komen en hem de overwinning zou geven.
Samuël had dat al eens heel duidelijk meegemaakt (1Sam.7:10).
Samuël wist dat als hij zijn vertrouwen op God stelde, dat God
dan handelend optrad voor zijn volk. En dat brandoffer gaf daar
uitdrukking aan: Here God, het moet helemaal van U komen. U
vertrouwen we.
Maar Saul kende God niet zo. Voor hem was God iemand die je
gunstig moest stemmen. Zoals bij de afgoden. Die moest je een
offer brengen, om bij in de gunst te komen (1Sam.13:12). En toen
Samuël aan de late kant was en de Filistijnen reeds optrokken,
werd Saul bang. Hij was daar niet alleen in, het volk werd ook
bang. Zij begonnen van hem weg te lopen (1Sam.13:8). En ze
verborgen zich in spelonken (1Sam.13:6).
Saul wordt daarop doodsbang. Hij ziet het volk weglopen van het
front. Hij ziet de vijand oprukken, en hij ziet Samuël nog niet
komen. De strijd zal weldra beginnen, en hij heeft God nog niet
gunstig gestemd. In zijn angst ziet hij geen andere mogelijkheid
dan - Hoewel hij weet dat hij dat niet mag - om het offer maar
zelf te brengen. Juist als hij bezig is met het offer komt Samuël
(1Sam.13:10).
Samuël zegt: Wat heb je gedaan? (1Sam.13:11). Waarop Saul
antwoordt dat het de schuld van het volk is en de schuld van
Samuël. Immers het volk begon weg te lopen en Samuël kwam niet
op tijd (1Sam.13:11). En dat allemaal onder de dreiging van de
Filistijnen. Saul verontschuldigt zich door de schuld op anderen
en op de omstandigheden te schuiven.
Dit gedrag is kenmerkend voor een
onzeker mens die zich schuldig, en in het nauw gedreven voelt. In
de onzekerheid is het voor de vleselijke mens moeilijk om schuld
te bekennen. Maar wie dat niet leert, kan zeker geen koning zijn.
Want het is een van de basisprincipes in het koninkrijk Gods. Om
eigen schuld onder ogen te kunnen zien, te kunnen erkennen en te
kunnen belijden. En dat kon Saul niet.
Eén keer is hij bijna zover. Als Samuël hem op zijn zonde wijst,
kan hij zeggen: Ik heb gezondigd (1Sam.15:30). Maar als in één
adem voegt hij er aan toe: bewijs mij nu toch eer in
tegenwoordigheid van de oudsten van mijn volk. Dan wil ik mij voor
de Here, Uw God neerbuigen (1Sam.15:30).
In een zin: Ik heb gezondigd, bewijs mij nu toch eer, dan zal ik
mij buigen. Alsof schuld belijden en eer ontvangen samen gaan.
Schuld belijden is vernederend. En hoe groter de schuld, des te
groter de vernedering bij het belijden daarvan. Zeker als daar ook
nog mensen bij betrokken zijn. Ik heb mensen schuld zien belijden
aan anderen. Grote schuld. Die mensen gingen door een hel. Het was
vreselijk voor ze om daarmee op de proppen te komen.
Het was de weg van het kruis. De weg van Golgotha. Toch gingen ze
die weg en ervoeren daarna de bevrijding. Saul ging die weg niet.
In zijn onzekerheid kon hij zich niet vernederen, kon hij niet het
vertrouwen opbrengen om zich over te geven aan God en te leven uit
Gods genade. Hij hield zich staande, maar ging daarmee onderuit,
want het is voor God niet mogelijk om verder te gaan met iemand,
die de relatie verstoort en er vervolgens niets aan doet om die te
herstellen. God kan zo’n man of zo'n vrouw niet handhaven, zeker
niet op een post zoals Saul bekleedde.
Daarom staat er: En de Here had berouw, dat Hij Saul tot koning
over Israël had aangesteld (1Sam.15:35). Daarom gaat God uitzien
naar een ander en vindt die in de persoon van David.
Samuël moet tegen Saul gaan zeggen: Uw koningschap zal niet
bestendig zijn. De Here heeft Zich een man uitgezocht naar zijn
hart en de Here heeft hem tot een vorst over zijn volk aangesteld
(1Sam.13:14). Die man naar Gods hart is de jonge David. Totaal
onbekend bij de mensen, maar bekend bij God. God heeft zich een
man naar Zijn hart uitgezocht. God ziet niet aan wat voor ogen is,
God ziet het hart aan (1Sam.16:7).
God zegt van David: "Deze is het" (1Sam.16:12). Waardoor
wordt Gods keuze toch bepaald? We weten dat niet. Dat is
verborgen. Zoals het lied zegt: Ik weet niet waarom Gods gena
aan mij juist werd betoond (Joh. de Heer 112). God kiest voor
David, omdat Hij het hart aanziet. Misschien omdat Hij ziet dat
Hij met David ver kan komen, of omdat David een man is die al zijn
bevelen zal volbrengen (Hand.13:22).
David reageert op het aandringen van God. God werkt in hem. En dat
vindt voortdurend zijn weerklank in Davids leven. Dat is het
geheimenis waarvan David zegt: Van Uwentwege zegt mijn hart: Zoek
mijn aangezicht. Ik zoek Uw aangezicht, Here (Ps.25:8). Waarvan
Calvijn zegt: Gods voorzienigheid en onze verantwoordelijkheid
zijn wonderlijk met elkaar verweven. David is een jongen die van
jongsaf God vreest. En proeven mag wat het is dat Gods
vertrouwelijke omgang is met wie Hem vrezen (Ps.25:14). Dat is
voor David de bekoring geweest. Het mogen omgaan met zijn God. Dat
heeft hem ook door de moeiten gesleept. En dat heeft hem na grove
zonde, de weg tot God terug doen vinden. We kunnen het ook
andersom zeggen: Die vertrouwelijke omgang heeft God voortdurend
de weg tot David terug doen vinden. Beide zijn waar.
De voorbereiding voor Davids koningschap was zowel turbulent als
alledaags. Hooggegrepen en doodgewoon. Als Samuël komt om onder
de zonen van Isaï een koning voor God te zalven, is David
doodgewoon bij de schapen. Maar vanaf die dag greep de Geest des
Heren hem aan (1Sam.16:13). Toch doet David opnieuw gewoon zijn
dagelijks werk. Totdat een boodschapper van het hof van Saul hem
komt halen om voor de koning te spelen (1Sam.16:22). Daarna keert
hij weer gewoon terug naar de schapen van zijn vader (1Sam.17:15).
Totdat zijn vader hem naar zijn drie oudste broers stuurt. Die
dienen in het leger van Saul, dat tegen de Filistijnen moet
vechten. David moet hen voedsel gaan brengen. Daar aangekomen
wordt hij geconfronteerd met het optreden van Goliath. En dan komt
zijn voorbereiding plotseling in een versnelling. Want God
gebruikt de jonge David om Goliath te verslaan. Waardoor David van
de ene op de andere dag de held van Israël is. Geëerd door de
kroonprins (1Sam.18:1-4), maar gelijktijdig ook met wantrouwen
gade geslagen door koning Saul (1Sam.18:9).
Als Saul na deze veldslag in zijn paleis zit, komen de meisjes van
Israël hem toezingen. En het eerste couplet klinkt hem als muziek
in de oren: Saul heeft zijn duizenden verslagen (1Sam.18:7). Ze
zongen deze reidans in beurtzang, dus zullen ze dat couplet
verschillende keren herhaald hebben. Het was als balsem op de
gekwelde ziel van Saul. Maar toen kwam het tweede couplet: maar
David zijn tienduizenden. Wat moet dat een pijn gedaan hebben voor
de onzekere, depressieve en jaloerse Saul. Er staat dat hij zeer
toornig werd en dat dit woord hem mishaagde (1Sam.18:8).
Omdat hij de overleggingen van zijn hart (Ps.19:14) niet door God
liet corrigeren, volgde als vanzelf een uitbarsting. Toen David
voor Saul op de harp speelde, kon Saul zich niet langer beheersen
en wierp zijn speer naar hem, om hem te doden (1Sam.18:11). David
ontkomt ternauwernood en is vanaf dat moment een vluchteling. Hem
was het koningschap beloofd, maar de opleiding daartoe gaat langs
diepe vernedering.
Net als de grote Davidszoon verwerft hij het koningschap door het
lijden heen (Luk.24:26). Als hij moet vluchten voor Saul, gaat hij
naar zijn vrouw Michal. Maar hij wordt ontdekt en kan maar net
zijn leven redden (1Sam.19:12). Dan gaat hij naar de profeet
Samuël. Maar Saul komt hem op het spoor en weer moet hij vluchten
(1Sam.20:1). Hij gaat naar zijn vriend Jonathan, maar moet ook van
hem afscheid nemen (1Sam.20:42). Dan naar de priester Achimelech,
maar wordt daar verraden (1Sam.21:7,
22:9). En uiteindelijk zoekt hij zijn toevlucht in het
buitenland bij de Filistijnen. Daar wordt hij echter herkend en
kan zijn leven slechts redden door zich als een krankzinnige te
gedragen (1Sam.21:14). Wat zullen de Filistijnen opgekeken hebben
toen ze deze man herkenden als David. Wat een totaal ander mens
was dit, vergeleken met de David die Goliath overwon. Van zijn
grootheid uit die dagen leek niets meer over te zijn.
En toch... David was in opleiding. En God doet alle dingen
meewerken ten goede voor hen die Hem liefhebben (Rom.8:28). Want
als David in deze diepe ontgoocheling wordt losgerukt van ieder
mens die hem lief is, dan opent juist dat de weg naar God. Alle
mensen vallen weg en David komt in een diepe depressie. Hij trekt
zich terug in een spelonk. Een plek die bekend staat als de
spelonk van Adullam (1Sam.22:1). Wat er in die spelonk gebeurde
vertelt de bijbel hier niet. Maar het is duidelijk dat David er
volkomen anders uitkomt dan dat hij er inging. Hij ging er in als
een somber mens die zich als een waanzinnige gedroeg. En hij komt
er uit als een sterke leider, een aanvoerder. Want inmiddels
hebben zich vierhonderd voortvluchtigen bij hem gevoegd. Allemaal
mensen die in moeilijkheden verkeerden, sommigen zaten in grote
financiële problemen, anderen waren verbitterd. En van deze groep
mensen wordt David de aanvoerder (1Sam.22:2). Deze vierhonderd
zien David als hun grote leider.
Welke verandering heeft er dan bij David plaatsgevonden. Dit
bijbelgedeelte zegt dat niet. Maar David heeft wel drie psalmen
geschreven naar aanleiding van deze gebeurtenis. (Ps.56, 57, 142).
De eerste twee beginnen met: Wees mij genadig, o God. En de
laatste met: Met luider stem roep ik tot de Here.
In die spelonk van Adullam zal David vast de Here aangeroepen, en
zijn vertrouwen op God bevestigd hebben. Zoals hij zegt: Ten
dage dat ik vrees vertrouw ik op U; Op God vertrouw ik, ik vrees
niet (Ps.56:3,4). En: Dit weet ik: dat God met mij is. Op
God vertrouw ik, ik vrees niet; wat zou een mens mij aandoen?
(Ps.56:9-11). Hij eindigt de psalm met: Zodat ik voor Gods
aangezicht mag wandelen in het licht des levens (Ps.56:13).
Daar ligt het geheim van David. In zijn gebeds- en geloofsleven,
zijn omgang met God.
Zoals we lezen in die andere, zeer benarde situatie. Toen hij zo
in de moeilijkheden zat dat zijn mannen hem wilden stenigen. En
dan staat er eenvoudig: Maar David sterkte zich in de Here, zijn
God (1Sam.30:6). Dat was z’n geheim. Als hij zwaar in de
problemen kwam, dan wist hij de weg naar God te vinden. Hij
geloofde Gods trouw en liefde voor hem. Hij wist de weg naar God
ook te vinden als hij zwaar gezondigd had. Zelfs toen de profeet
Nathan hem confronteerde met wat hij had gedaan met Bathseba en
haar man Uria. Zelfs toen wist hij de weg tot God te vinden. Toen
kon hij uit de diepte van zijn hart zeggen: Ik heb tegen de Here
gezondigd (2Sam.12:13). Toen wist hij een psalm te schrijven,
waarin hij de zwaarte van zijn zonde neerschreef (Ps.51). Toen
wist hij zijn verbroken en verbrijzeld hart in Gods handen te
leggen. En te vertrouwen dat God hem ook nu zou verdr helpen.
(Ps.51:17).
Dit alles in schril contrast met Saul. Die zich in de
moeilijkheden niet naar God uitstrekt. En die in de zonde niet tot
echt belijden kan komen. En daardoor van God de vergeving en de
correctie niet kan ontvangen, waardoor hij in zijn scheefgroei
steeds verder van God afwijkt.
David weet steeds weer het hart van God te vinden. En bij Gods
hart wordt hij gevormd tot een man naar Gods hart.
Vragen:
- 1. Ondanks alle voorzieningen
van Gods kant (1Sam.10:6-10) kwam
Saul toch niet tot een persoonlijke wandel met God.
- 2. We lezen een keer dat Saul
iets aan God vraagt. Maar dat God
hem op die dag niet antwoordde 1Sam.14:37.
- Wat zegt ons dat over
schuld belijden? (Ps.32:3-5;
66:17,18; 2Pet.1:9)
- 3. Saul werd eigenlijk te
vroeg op een hoge post gezet.
- Wat leert ons dat?
(1Tim.3:6)
- 4. David was dertig jaar
toen hij koning werd (2Sa 5:4).
- Waaruit bestond zijn
voorbereiding?
- Waaruit bestond het
doodgewone en waaruit het turbulente?
- Heeft dat ons iets
te zeggen? (Zach.4:10).
- 5. Hoe was de
voorbereiding van Mozes? (Hand.7:29,30)
- Hoe was de voorbereiding
van Johannes de
Doper? (Luk.1:80).
- Hoe was de voorbereiding
van de Here
Jezus? (Luk.2:49,52).
- 6. In een hoofdstuk wordt ons
gezegd dat God berouw had (1Sam.15:11,35).
En iets verder dat God geen berouw
kent (1Sam.15:29). Het woord berouw is in alle drie
gevallen in het Hebreeuws hetzelfde woord.
- Wat wil de bijbel ons
hierin over God leren?
- 7. In wie van de twee personen
in dit dubbelportret herkent U
zich het meest?
|