3 oktober 2005
22 En Hij trok verder langs steden en dorpen, predikende en reizende naar Jeruzalem. 23 En iemand zei tot Hem: Heer, zijn het weinigen, die behouden worden? Hij zei tot hen: 24 Strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen, zeg Ik u, zullen trachten in te gaan, doch het niet kunnen. 25 Van het ogenblik af, dat de heer des huizes is opgestaan en de deur gesloten heeft, zult gij beginnen buiten te staan en aan de deur te kloppen zeggende: Heer, doe ons open, en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik weet niet, vanwaar gij zijt. (=Ik ken u niet) 26 Dan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben voor uw ogen gegeten en gedronken en in onze straten hebt Gij geleerd. 27 En Hij zal tot u spreken, zeggende: Ik weet niet, vanwaar gij zijt; gaat weg van Mij, alle gij werkers der ongerechtigheid. 28 Daar zal het geween zijn en het tandengeknars, wanneer gij Abraham en Isaak en Jakob zult zien en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar uzelf buitengeworpen. 29 En zij zullen komen van oost en west en van noord en zuid en zullen aanliggen in het Koninkrijk Gods. 30 En zie, er zijn laatsten, die de eersten zullen zijn en er zijn eersten, die de laatsten zullen zijn.
Beste
broeder / zuster,
Wij weten niet wie deze vraag stelde.
- Deze ‘iemand’ waarvan de Bijbel spreekt kan een Jood geweest zijn die
opgegroeid was met het geloof dat er geen hoop was voor de onbesnedenen en dat
niemand zalig kon worden behalve de kinderen van Abraham.
- Of misschien was
hij een oppervlakkige beuzelaar die altijd zijn tijd aan het verdoen was met
vernuftige vragen op godsdienstig gebied en zuiver theoretische
kwesties.
Als iemand wil weten hoe groot het aantal zalig gemaakte zielen
is, dan hoeft hij alleen maar de Bijbel open te slaan om zijn nieuwsgierigheid
te bevredigen. De prediking op de berg geeft het antwoord
(Matth.7:14).
De wereld om hem heen zal hem leren dat de wegen van de
velen, niet de wegen van het Woord van God zijn en dat er slechts weinig mensen
zalig zullen worden. Dit is een vreselijke stand van zaken, waar onze ziel zich
van nature van afkeert.
Maar de Schrift in combinatie met de feiten
dwingen ons om dit onder ogen te zien.
De mensen wordt de hoogste zaligheid
aangeboden. Wat God betreft is alles gereed. Christus is bereid zondaren aan te
nemen; maar zondaren zijn niet bereid tot Christus te gaan. En daarom worden er
slechts weinigen behouden.
Onze Heer gaf een opvallende vermaning in
antwoord op deze vraag. Hij achtte het niet goed om nieuwsgierigheid te
bevredigen met een direct antwoord. Hij verkoos het hem en alle mensen rondom
hem hun onmiddellijke plicht op het hart te binden.
Door zich met hun
eigen ziel te bemoeien zouden zij al gauw het antwoord vinden op de vraag. Met
te trachten door de enge poort in te gaan zouden zij er weldra achterkomen of er
veel of weinig zaligen waren.
Wat anderen ook doen op godsdienstig
terrein, de Heer laat ons weten dat onze plicht duidelijk is. Wij moeten op
niemand wachten. Wij moeten ons niet afvragen wat andere mensen doen en of onze
vrienden en familieleden Christus ook dienen. Het ongeloof en de
besluiteloosheid van andere mensen zal geen excuus voor ons zijn op de laatste
dag.
Wij moeten nooit de massa volgen in het kwaad. Al moeten wij ook
geheel alleen naar de hemel gaan, wij moeten vast besluiten om bij de genade
Gods te gaan. Wij zijn verantwoordelijk voor onze inspanningen. Wij moeten niet
onbeweeglijk in zonde en wereldse gezindheid blijven zitten wachten op de genade
van God.
Wij moeten tot Hem gaan.
Het gebod staat nadrukkelijk en
ontegenzeglijk opgeschreven
(Luk.13:24).
Jesaja 55:1-5
1 O, alle dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet; ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk. 2 Waarom weegt gij geld af voor wat geen brood is en uw vermogen voor wat niet verzadigen kan? Hoort aandachtig naar Mij, opdat gij het goede eet en uw ziel zich in overvloed verlustige. 3 Neigt uw oor en komt tot Mij; hoort, opdat uw ziel leve; Ik zal met u een eeuwig verbond sluiten: de betrouwbare genadebewijzen van David. 4 Zie, Ik heb hem tot een getuige voor de natiën gesteld, tot een vorst en gebieder der natiën. 5 Zie, een volk dat gij niet kende, zult gij roepen, en een volk dat u niet kende, zal tot u snellen ter wille van de HEER (JHWH), uw God, en van de Heilige Israëls, omdat Hij u verheerlijkt heeft.
Morgen: Kom
niet te laat!
| Het Woord | Index | Dag.Br | Oktober | Totaal |