De eerste gedrukte Nederlandse Bijbel verscheen in 1477 te Delft. Het betrof een vertaling vanuit de Vulgata. Zij bestond slechts uit het Oude Testament zonder het Psalmboek, dat pas in 1480 het licht zag.

 
Het Psalmboek dat als aanvulling op de in 1477 verschenen eerste gedrukte Nederlandse Bijbel werd in 1480 gedrukt.

 
In 1516 werd een door Erasmus vertaalde Nederlandse editie van het Nieuwe Testament in Delft uitgegeven, maar deze werd spoedig door de Lutherse vertalingen verdrongen.

 
Luther gaf in het jaar 1523 de boeken van het Nieuwe Testament in het Duits vertaald uit. Hiervan werd nog in hetzelfde jaar te Antwerpen een vertaling naar het Nederlands gemaakt, en kort daarop te Amsterdam gedrukt.

 
Door Zwingli en anderen werd in 1525 en te Zurich een in het Duits vertaalde Bijbel uitgegeven.

 
In 1526 kwam een Bijbel uit, welke onder de naam van "Liesveldse Bijbel" het meest bekend staat.

 
Het Oude Testament werd in 1534, ook direct na de Duitse uitgave, aan deze "Luther vertaling" toegevoegd.

 
De eerste gedrukte Nederlandse Bijbel welke verscheen in 1477 te Delft werd in 1548 vervangen door een andere vertaling van Nikolaas van Winghe,

 
In 1556 kwam te Emden een nieuwe vertaling van de Bijbel uit, welke een bewerking was door enige Nederlandse Godgeleerden van de in 1525 door Zwingli en anderen vertaalde en te Zurich in het Duits uitgegeven Bijbel.

 
In 1562 kwam er evenals in 1556 te Emden wederom een nieuwe vertaling van de Bijbel uit, welke evenals de vertaling van 1556 een bewerking was door enige Nederlandse Godgeleerden van de in 1525 door Zwingli en anderen vertaalde en te Zurich in het Duits uitgegeven Bijbel. Deze vertaling werd bekend onder de naam "Emdense Gereformeerde Bijbel".

De vertalingen van 1556 en 1562 lieten echter veel te wensen over. Daarom begonnen de Nederlanders vertalingen uit de oorspronkelijke taal te maken, waarmee ook de beroemde en godvruchtige Marnix van St. Aldegonde, zich enige tijd mee bezig hield. Hieruit ontstond later de zogenaamde "Oude Vertaling".

 
Tijdens de eerste "Nationale Synode" te Dordrecht die in het jaar 1578 werd gehouden, besloot men enige mannen te benoemen tot het opnieuw vertalen en verbeteren van een Protestantse Bijbel. Dit had echter toen nog geen voortgang.
 
De vertalers waren Johannes Bogerman, Willem Baudartius, Gerson Bucerus voor het Oude Testament en Jakobus Rolandus, Herman Faukelius en Petrus Cornelle voor het Nieuwe Testament en de Apocrieve boeken.

 
De vertaling van Nikolaas van Winghe van 1548 werd in 1599 door de Leuvense Doctoren herzien en te Antwerpen herdrukt. Deze vertalingen is lange tijd door de Rooms Katholieken in ons land gebruikt.

 
In de jaren 1618 en 1619 werd de bekende "Dordtse Synode" gehouden waar men reeds in haar zesde zitting begon te praten over een nieuwe en betere vertaling van de Bijbel uit de grondtalen en besteedde daaraan meerdere zittingen. In de dertiende zitting ging men over tot het verkiezen van de vertalers, aan welke enige overzieners werden toegevoegd tot beproeving van hun arbeid.

 
De arbeid aan deze vertaling begon in 1620 en zou voortduren tot 1636 voordat deze voltooid was

 
Onder de arbeid die in 1620 zijn aanvang had en in 1636 voltooid was, overleed Bucerus in 1631, wiens werk door Bogerman en Baudart voortgezet werd, Cornelli in 1622, Faukelius in 1625 en Rolandus in 1631, die door Festus Hommius en Antonius Walfus werden opgevolgd.

 
Voordat de arbeid aan deze vertaling  voltooid was overleed Cornelli in 1622.

 
Ook Faukelius die in 1625 overleed heeft het eindresultaat niet gezien.

 
Ook Bucerus en Rolandus die in 1631 overleden zagen het eindresultaat niet. Het werk van Bucerus werd door Bogerman en Baudart voortgezet, en Rolandus werd door Festus Hommius en Antonius Walfus opgevolgd.

 
In 1636 kwam de vertaling gereed.
De vertalers waren kundige en bekwame mannen, welke hun arbeid in geloof en vertrouwen op GODS genadige leiding verrichtten.

De Voorzitter van de Synode smeekte over hun arbeid de zegen van de Allerhoogste af: "O Heere! ofschoon wij in ons zelf tot al deze dingen enkel duisternis zijn, ja de volslagenste onbekwaamheid zelf, om iets goeds of heilzaams te denken, te willen, te volbrengen, zo wijs Gij ons, o Heere! in deze moeilijke, maar hemelse arbeid, de weg, die wij veilig mogen intreden, waarop wij recht mogen voortgaan, langs welke wij het werk gelukkig, en met een zuiver geweten mogen uitvoeren. Geef ons, die in de Naam van uw Zoon zijn vergaderd, uw Geest, naar uw belofte, de Geest der waarheid, der wijsheid, der voorzichtigheid, der bescheidenheid, des vredes en der liefde, als Leidsman en Leraar. Open de ogen van ons verstand, ontsteek in ons gemoed de fakkel van uw zaligmakende kennis, en leid ons in uw waarheid, opdat wij mogen aanschouwen de wonderen van uw Wet".
 
Met ijver en met een gelovig vertrouwen op de almachtige GOD, zette de vertalers hun arbeid voort.
Te Leiden, waar zij zich met hun vertaalwerk bezig hielden, brak de pest uit, welke in korte tijd aan 20.000 mensen het leven kostte. Hierbij kwam de vraag naar voren of het geoorloofd was om de stad te verlaten met het oog op de elders dienende leraren en hoogleraren. Om tot een bepaald besluit te komen ving men de beraadslagingen aan met een vurig gebed tot GOD, en toen nu hierna onder allen slechts één gevoelen was, om namelijk te blijven dáár en aan het werk waartoe zij geroepen waren, zagen zij hierin een merkbare aanwijzing van GOD, en gingen met bemoedigd vertrouwen voort. Geen wonder dat zij aan het einde van hun werk uitriepen: "Tussen duizend en duizend beelden en geruchten des doods, hebben wij, gezond in de nabijheid van zulk een grafplaats, waar wij dikwijls op één dag honderd lijken zagen wegvoeren, met een heilige opgeruimdheid des gemoeds, dat gedenkstuk mogen volbrengen".
 
Deze vertaling onderscheidt zich niet alleen door haar grote nauwkeurigheid, maar ook door de toevoegde kanttekeningen, in welke gedurig het Oude Verbond door het Nieuwe en het Nieuwe door het Oude verklaard wordt, vele malen de letterlijke woorden van het oorspronkelijke worden opgegeven, en waarvan een bevoegd beoordelaar heeft gezegd: "dat men nauwelijks bij enig ander Christenvolk een verklaring zal vinden, die zo bondig de ware en diepe betekenis van het Oude Testament (en zeker niet minder van het Nieuwe Testament) ook voor onze dagen handhaaft."

 
Bij een besluit van 29 Juli 1637, werd de uitgave van deze vertaling door de vergadering der Staten-Generaal goedgekeurd en aanbevolen; vandaar de naam "Staten-Bijbel". In dat besluit wordt onder andere gezegd: "dat in deze vertaling alles was bijgebracht, wat de waarheid, de eigenschap van de woorden, en de zin derzelve konden vereisen, en dat zij daarom in de kerken en openbare scholen der Verenigde Nederlanden moest worden aangenomen en gebruikt."
 
Deze Staten-Bijbel is ook vandaag de dag nog volop in gebruik bij alle Protestantse kerkgenootschappen, hetzij als uitgangs-vertaling hetzij als naslagvertaling.
 
Niettemin moet men niet vergeten dat zij, hoe voortreffelijk ook, mensenwerk is; en het zou derhalve dwaas zijn te willen beweren, dat zij volmaakt, en hier en daar niet voor verbetering vatbaar zou zijn.

 
In het begin van de 19de eeuw publiceerde de hoogleraar Van der Palm een grondige herziening van de "Statenvertaling", waarin met name letterkundige veranderingen hebben plaats gevonden.
Eveneens in de 19de eeuw kwam van de hand van de Doopsgezinde predikant ds. Visschering een vertaling van het Nieuwe Testament tot stand.

 
Omstreeks het einde van de 19de eeuw werd ook in Leiden een aanvang gemaakt van een nieuwe vertaling. In 1912 werd deze vertaling voor het eerst volledig uitgegeven en staat daarom bekend onder de naam "Leidse vertaling"

 
Andere vertalingen volgden, zoals in de twintiger jaren een vertaling van het Katholieke "apogelitisch gezelschap Peter Canisius", bekend onder de naam "Canisius vertaling". Deze onderging een grondige herziening net na de tweede wereldoorlog. Later werd deze vertaling voor Katholieken vervangen door de "Willibrord-vertaling" (uitgegeven door de Katholieke Bijbelstichting).

 
In de dertiger jaren kwam een vertaling tot stand van de hand van Obbink en Brouwer.

 
In 1951 werd door het Nederlands Bijbelgenootschap voor het eerst weer een vertaling gemaakt, die ingang vond bij een breed kerkelijke stroming. De zg. "NBG Vertaling"

 
Later volgde in 1977 de "Groot Nieuws Bijbel" uit een samenwerking tussen het Nederlands Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbelstichting.

 
In de tachtiger jaren werd door de Nederlandse stichting Living Bibles Holland, een parafrase vertaling onder de naam "Het Boek" uitgegeven.
Nadat Living Bibles een onderdeel werd van de International Bible Society werd de zgn. Parallel Bijbel uitgegeven, hetgeen een interlineair is van de Statenvertaling met de tekst van het Boek. Door deze uitgave heeft de tekst van het Boek een grotere acceptatie in Nederland gekregen.

 
In het begin van de jaren negentig heeft het Nederlands Bijbelgenootschap aangegeven bezig te zijn met een nieuwe Bijbelvertaling, tot op heden (juli 2004) is men daar nog mee aan het werk

 
In het jaar 2005 zal de Nieuwe Vertaling gepubliceerd moeten zijn.