Klik hier om "Het Woord" te openen wanneer u alleen deze pagina ziet2 Koningen 7:9

 

2 Koningen 7:9

Toen zeiden zij tot elkander: Wij doen niet goed; deze dag is een dag van blijde boodschap, en wij houden ons stil. Indien wij wachten tot het morgenlicht, dan zal ons straf treffen. Welaan dan, laten wij heengaan en het in het koninklijk paleis melden.

 

Achtergrond informatie

blijde boodschap   hrwsb b@sowrah of (verkort) hrsb b@sorah, zn
 
In de Statenvertaling komt het 6 keer voor,
  • 3 keer wordt het vertaald met "boodschap";

  • 1 keer met "goede boodschap",

  • 1 keer met "bodenloon"  en

  • 1 keer met "boodschapper";

In de NBG vertaling komt het uiteraard eveneens 6 keer voor, maar hier wordt het:

  • 1 keer vertaald met boodschap,

  • 1 keer met blijde boodschap

  • 1 keer met bodeloon

  • 1 keer met boodschapper,

  • 1 keer met tijding en

  • 1 keer met goede tijding.

Het woord geeft weer: nieuws, goed nieuws, tijding, of de beloning voor het brengen van goed nieuws
 

 

De tegenhanger in het nieuwe testament is:
eu-aggelion (euag’gelion, zn o) waarvan ons woord "evangelie" is afgeleid.
 
Ook dit geeft weer:

  • een beloning voor goede berichten

  • goede berichten

    • de blijde tijding van het nabijzijnde koninkrijk van God en dus ook van de Messias Jezus, de stichter van het koninkrijk. Na de dood van Christus omvat de uitdrukking het prediken van Jezus Christus, dat Hij aan het kruis gestorven is om de mensen eeuwig behoud in het koninkrijk van God te verschaffen, maar uit de doden opgestaan en verheven is aan de rechterhand van God in de hemel, vanwaar Hij in majesteit zal terugkeren om het koninkrijk van God op te richten

    • de blijde tijding van het behoud in Christus

    • de bekendmaking van de genade van God, openbaar en plechtig beloofd in Christus

    • het evangelie

    • aangezien de Messiaanse rang van Jezus bewezen werd door Zijn woorden, Zijn daden, en Zijn dood, werd het verhaal van de gezegden, daden en dood van Jezus Christus het evangelie of de blijde boodschap genoemd.

 

 

Wij mogen ons niet stilhouden

Lezen: 2 Koningen 6:24 - 7:20

24 Daarna verzamelde Benhadad, de koning van Aram, zijn gehele leger, trok op en sloeg het beleg voor Samaria. 25 En er ontstond een zware honger in Samaria; want zij belegerden het zo lang, dat een ezelskop tachtig zilverstukken kostte en een vierde maat duivenmest vijf zilverstukken. 26 Toen de koning eens over de muur voorbijging, riep een vrouw tot hem om hulp: Help toch, mijn heer de koning! 27 Maar hij zeide: Indien de HERE u niet helpt, vanwaar moet ik u dan hulp halen? Van de dorsvloer of van de perskuip? 28 Verder vroeg de koning haar: Wat hebt gij? Zij antwoordde: Deze vrouw heeft tot mij gezegd: geef uw zoon, dat wij hem vandaag eten; dan zullen wij mijn zoon morgen eten. 29 Wij hebben dus mijn zoon gekookt en hem opgegeten. Maar toen ik de volgende dag tot haar zeide: Geef nu uw zoon, dat wij hem eten, had zij haar zoon verborgen. 30 Zodra nu de koning de woorden van de vrouw hoorde, scheurde hij zijn klederen; en (terwijl hij op de muur voorbijging) zag het volk, dat hij zowaar daaronder een rouwgewaad op het blote lichaam droeg. 31 En hij zeide: Zo moge God mij doen, ja nog erger, indien het hoofd van Elisa, de zoon van Safat, heden op hem blijft staan. 32 (Elisa nu zat in zijn huis en de oudsten zaten bij hem). En hij zond een man voor zich uit. Voordat die bode bij Elisa was gekomen, had deze tot de oudsten gezegd: Hebt gij wel gezien, dat deze moordenaarszoon iemand gezonden heeft om mij te onthoofden? Ziet, zodra de bode komt, moet gij de deur sluiten en hem bij de deur terugdringen. Is niet het geluid van de voetstappen van zijn heer achter hem? 33 Terwijl hij nog met hen sprak, zie, daar kwam de bode op hem af. En de koning zeide: Zie, welk een onheil, door de HERE gezonden! Wat zou ik nog op de HERE hopen? 7:1 Toen zeide Elisa: Hoort het woord des HEREN. Zo zegt de HERE: Morgen omtrent deze tijd zal een maat fijn meel een sikkel kosten, en twee maten gerst een sikkel, bij de poort van Samaria. 2 Daarop antwoordde de hoofdman op wiens arm de koning leunde, de man Gods: Ook al zou de HERE sluizen in de hemel maken, zou dit dan kunnen geschieden? Maar hij zeide: Zie, gij zult het met eigen ogen aanschouwen, doch daarvan niet eten. 3 Er waren vier melaatse mannen buiten voor de poort; zij zeiden tot elkander: Waarom blijven wij hier, totdat wij sterven? 4 Indien wij zeggen: Wij zullen de stad binnengaan, in de stad is hongersnood, zodat wij daar zullen sterven; en indien wij hier blijven, dan zullen wij ook sterven. Welaan dan, laten wij overlopen naar de legerplaats der Arameeërs. Indien zij ons in leven laten, zullen wij leven; en indien zij ons doden, zullen wij sterven. 5 In de avondschemering stonden zij op om naar de legerplaats der Arameeërs te gaan. Maar toen zij bij de buitenrand van de legerplaats der Arameeërs kwamen, zie, daar was niemand. 6 Want de Here had het leger der Arameeërs een geluid doen horen van wagens en paarden, het geluid van een grote legermacht, zodat zij tot elkander zeiden: Zie, de koning van Israël heeft tegen ons de koningen der Hethieten en van Misraim gehuurd om ons te overvallen. 7 Daarom waren zij opgesprongen en in de avondschemering gevlucht en hadden hun tenten achtergelaten, ook hun paarden, hun ezels, de hele legerplaats zoals die was; zij waren gevlucht om hun leven te redden. 8 Toen deze melaatsen aan de buitenrand van de legerplaats gekomen waren, gingen zij een tent binnen, aten en dronken, namen zilver, goud en klederen eruit weg, en gingen heen en verborgen het. Daarna gingen zij weer een andere tent binnen, namen er allerlei uit weg, gingen heen en verborgen het. 9 Toen zeiden zij tot elkander: Wij doen niet goed; deze dag is een dag van blijde boodschap, en wij houden ons stil. Indien wij wachten tot het morgenlicht, dan zal ons straf treffen. Welaan dan, laten wij heengaan en het in het koninklijk paleis melden. 10 Daarop kwamen zij en riepen de poortwacht van de stad aan en meldden hun: Wij kwamen bij de legerplaats der Arameeërs, en zie, daar was niemand, zelfs geen menselijk geluid; maar de paarden waren vastgebonden en de ezels vastgebonden; en de tenten stonden er als tevoren. 11 De poortwachters riepen en meldden het binnen in het koninklijk paleis. 12 De koning stond in de nacht op en zeide tot zijn dienaren: Ik wil u vertellen wat de Arameeërs ons gedaan hebben. Zij weten, dat wij honger lijden; nu zijn zij uit de legerplaats weggetrokken om zich in het veld te verbergen, denkende: Wanneer zij de stad uitgaan, zullen wij hen levend grijpen en de stad binnenkomen. 13 Toen antwoordde een van zijn dienaren en zeide: Laat men toch vijf van de hier nog overgebleven paarden nemen; hetzij het hun gaat als de gehele menigte van Israël, die hier nog over is, hetzij het hun gaat als de gehele menigte van Israël, die omgekomen is, laten wij ze maar uitzenden en zien. 14 Daarop namen zij twee wagens met paarden, en de koning zond die het leger der Arameeërs achterna met de opdracht: Gaat en ziet. 15 Deze gingen hun achterna tot aan de Jordaan, en zie, de gehele weg lag vol klederen en wapens, die de Arameeërs bij hun angstige vlucht hadden weggeworpen. De boden kwamen terug en meldden het de koning; 16 toen ging het volk naar buiten en zij plunderden de legerplaats der Arameeërs. En een maat fijn meel kostte een sikkel en twee maten gerst een sikkel, volgens het woord des HEREN. 17 En de koning had de hoofdman op wiens arm hij leunde, aangesteld over de poort, maar het volk vertrad hem in de poort, zodat hij stierf, zoals de man Gods gesproken had, juist toen de koning tot hem gekomen was. 18 Aldus is het geschied, zoals de man Gods tot de koning gesproken had: Twee maten gerst zullen morgen om deze tijd een sikkel kosten en een maat fijn meel een sikkel, bij de poort van Samaria. 19 En de hoofdman had toen de man Gods geantwoord: Ook al zou de HERE sluizen in de hemel maken, zou dan zo iets kunnen geschieden? Maar hij had gezegd: Zie, gij zult het met eigen ogen aanschouwen, doch daarvan niet eten. 20 Aldus is hem geschied: het volk vertrad hem in de poort, zodat hij stierf.

In zijn commentaar op het 2e Koningenboek schrijft dr. H.A. Brongers (Prediking OT), dat het "daarna" in 2 Koningen 6:24 zo vaag is, dat wij daarom hier weer met een profetenlegende te maken hebben. "Daarna" = "in een latere tijd". Wat is daar vreemd aan? Wij hebben hier geen legende, maar het betrouwbare Woord van God.
 
Tot nu toe kwamen wij Elisa steeds tegen als de altijd aanwezige redder uit de nood. In deze geschiedenis is Elisa weliswaar nog steeds de redder in nood, maar hij wordt door de koning bezien als "staatsgevaarlijk".
De koning houdt Elisa verantwoordelijk voor alle narigheid; d.i. zowel de honger als de belegering.
 
Er is een grote overeenkomst tussen deze geschiedenis en de belegering van Jeruzalem door Sanherib van Assyrie, zo'n 100 jaar later. (Zie 2Kon.19:32-36).
 
In 2Kon.6:23 lazen wij, na de bijzondere geschiedenis van Elisa te Dothan en Samaria, met de benden van Aram, dat deze nooit meer terug gekomen zijn. Nu hebben wij ook niet te maken met de benden van Aram, maar met het officiële leger, dat Samaria belegert.
 
Wat is de mens toch kort dankbaar voor de ontvangen zegeningen. De koning van Aram is al weer vergeten, dat Israël zijn benden gespaard heeft en stuurt weer een leger.
De koning van Israël is al weer vergeten welke betekenis Elisa toen had en beschouwt Elisa nu als de veroorzaker van alle leed.

Een zware hongersnood
Er is een zware hongersnood. Mogelijk is dit dezelfde hongersnood als die van
2Kon.8:1. Opmerkelijk is, dat er een droogte en hongersnood is geweest in de tijd van Elia, maar ook in die van Elisa.
Twee redenen voor de zware hongersnood:

  • droogte met als gevolg een slechte oogst,

  • oorlog en belegering van de stad, waardoor er geen levensmiddelen ingevoerd konden worden.

De honger is zo groot, dat de prijzen absurd gestegen zijn. Er wordt grof geld betaald voor een ezelskop. Deze was voor consumptie bestemd. Een ezel was echter een onrein dier en mocht in normale gevallen niet gegeten worden. Nu is het: onrein vlees eten of sterven.

Er is ook sprake van duivenmest. Wat moest men daarmee? Men moet het gebruikt hebben om te verbranden, om er iets op te kunnen koken. Men heeft ook wel gedacht aan duivengraan, nl, graankorrels die uit de krop van de duiven gehaald werd. Duiven konden immers over de vijandelijke linies vliegen en wel aan graan komen. Men heeft ook wel gedacht aan de naam van een plant, bijvoorbeeld de wortel van de ster van Bethlehem, die dan gegeten zou zijn. Tenslotte heeft men nog gedacht aan druivenpitten.

De koning en twee vrouwen
Op een dag ging de koning voorbij over de muur van de stad. Hij maakte klaarblijkelijk een inspectieronde. De stadsmuren waren breed genoeg om er overheen te lopen.
Een vrouw vroeg hem om hulp. De koning dacht, dat zij om voedsel vroeg. Hij heeft echter geen voedsel en zegt: "Als de Here u niet helpt, waar moet ik dan hulp vandaan halen..." of: "Laat de Here u helpen". De koning zegt, dat hij geen hulp kan halen van de dorsvloer of van de perskuip, waarmee hij bedoelt: "Ik heb geen brood en geen wijn voor u, ik heb geen eten of drinken voor u."
 
De vrouw blijkt echter een ander probleem te hebben. Het lijkt er op, dat die andere vrouw erbij staat. Ze hebben de zoon van de één gekookt en gegeten en nu is het andere kind aan de beurt. Kannibalisme. Vreselijk, dat het zo ver heeft kunnen komen. (Dit was aangekondigd: Lev.26:27-29; Deut.28:53-55; Jer.19:9; Klgl.2:20, 4:10; Eze.5:10).
 
De koning scheurde zijn kleed, waarna men zag, dat hij onder zijn kleed een rouwgewaad droeg. Het rouwgewaad is een teken van:

  • berouw om zijn zonden, waarbij hij zich vernederde voor God,

  • rouw, leed en verdriet.

De vraag is in hoeverre wij geestelijke waarde moeten hechten aan deze daad van de koning. Gelijktijdig wilde hij Elisa doden. Hij bezag Elisa als de zondebok. Elisa kreeg de schuld van alle ellende: hongersnood en belegering.
Elisa had de hongersnood aangekondigd. Mogelijk had Elisa ook gezegd, dat zij onder geen voorwaarde de stad mochten overgeven aan de vijand en dat God redding zou geven, als zij zich voor God zouden verootmoedigen.
 
Elisa en de oudsten
Elisa zat met de oudsten in zijn huis. Elisa zal met
het stadsbestuur vergaderd hebben. De koning zond iemand
om Elisa in zijn eigen huis te doden. De koning zelf volgde.
Elisa noemde de koning een moordenaar en een moordenaarszoon.

  • een moordenaar, omdat hij Elisa wilde doden.

  • een moordenaarszoon, omdat zijn vader, Achab, de profeten en Naboth had gedood.

De koning weet, dat het onheil dat hen treft, van de Here komt. Hij wil of durft echter niet meer te hopen, dat God nog redding zal geven. Hij heeft geen vertrouwen meer in God. De hoofdman die bij hem is, evenmin.
Deze zegt: "Al zou de Here de sluizen van de hemel openen, dan nog zouden wij niet te eten hebben." Hij dacht aan een wonder als dat van het manna, waarbij er nu graan uit de hemel zou regenen. De officier wordt gestraft voor zijn ongeloof en voor zijn bespotting van Elisa (vgl.
2Kon.2:23-25).
 
De vier melaatsen
(In Joodse kring wordt gedacht, dat dit Gehazi met zijn zonen waren.) Een melaatse mocht niet in de stad. De opdracht, dat hij in de woestijn buiten de legerplaats moest blijven, zijn later opgevat, dat hij in het beloofde land niet in de stad mocht komen. (Lev.13:45,46; Num.5:3). Deze melaatsen leefden zo dicht mogelijk bij de poort. Mogelijk leefden zij in een huis, dat speciaal voor melaatsen bestemd was.

De melaatsen zijn ervan overtuigd, dat waar zij nu waren, zij zeker zullen sterven. Zij overwogen, dat de Arameeërs hen misschien voedsel zouden geven of hen zouden laten gaan. Zij hadden niets te verliezen, ook als de Arameeërs hen zouden doden. Want hier zouden zij toch ook sterven.
 
In de avondschemering gaan zij naar het legerkamp van de Arameeërs. Daar blijkt het gehele tentenkamp verlaten te zijn. Het is er doodstil. Geen wakers, geen schildwachten, geen soldaten, geen mens. Zij gaan naar de eerste tent en vinden die helemaal leeg. Zij gaan naar de volgende tent en de volgende. Ze zijn allemaal leeg en verlaten. Er waren verschillende wonderen gebeurd:

  • De Arameeërs hadden het geluid van een aanstormend leger gehoord: paarden en wagens.

  • De Arameeërs dachten, dat zij door Hethieten en Egyptenaren werden aangevallen, m.a.w. dat zij omsingeld waren en volledig in de val zaten. De Hethieten komen nl. uit het Noorden en de Egyptenaren uit het zuiden.

In 2 Kon.6:17 hadden wij het wonder van het zien.
Hier hebben wij het wonder van het horen.
 
De Arameeërs hadden in paniek alles achter gelaten.
I.p.v. op paarden te vluchten, hadden zij hun paarden laten staan. Een vergelijkbare paniek vinden wij in Richt. 7:19-22. Zo redde God de Israëlieten zowel van de vijand als van de honger.
Zelfs recent, in de zesdaagse oorlog, zien we nog twee keer zo'n paniek reactie terug bij de Egyptenaren:

  • De eerste wanneer zij in de Sinaï woestijn hun tanks verlaten en te voet terug vluchten naar Egypte, omdat zij een enorme overmacht (een enorm sterk leger) op zich af zagen komen. In werkelijkheid waren er niet meer dan enkele jeeps.

  • De tweede wanneer men in de radiotorens op de radarschermen ontelbare vliegtuigen op zich af zag komen, zodat men zelfs de moeite niet meer nam om met hun luchtvloot op te stijgen. Een handje vol straaljagers konden daarop de gehele luchtvloot van Egypte uitschakelen

In het tentenkamp aangekomen, aten en dronken de vier melaatsen eerst naar hartelust. Vervolgens namen zij waardevolle spullen mee en verstopten die. Toen realiseerden zij zich, dat wat zij deden, niet goed was.
Zij realiseerden zich, dat dit een dag van goed nieuws was, terwijl zij zich stil hielden. Dat mocht niet. Zo brachten zij het goede nieuws aan de wachters op de muur, die het nieuws weer doorgaven aan de wachters bij het paleis, die op hun beurt weer de koning wakker maakten. De koning kon het niet geloven en dacht aan een valstrik. Het woord van Elisa had blijkbaar niet veel indruk gemaakt.
 
De les van de melaatsen
De melaatsen waren zich bewust, dat het niet goed was, als zij het grote nieuws en de overdaad aan voedsel alleen voor zichzelf hielden. Terwijl mensen in de stad sterven van de honger, is hier eten in overvloed.
Als wij goed nieuws hebben - speciaal als wij HET goede nieuws hebben - moeten wij dat niet voor ons zelf houden, maar moeten wij dat doorgeven aan anderen. Dit geldt zeker en in het bijzonder ons, christenen. Als wij zwijgen, terwijl wij het goede nieuws kennen, bezondigen wij ons.

Deze gemeente zal zeker niet veel anders zijn dan de doorsnee gemeente van Jezus Christus.

  • Hoeveel van u hebben wel eens het evangelie van Jezus Christus aan anderen doorgegeven?

  • Hoeveel van u hebben wel eens een ander tot Christus geleid?

  • Hoeveel van u hebben nog nooit een persoonlijk getuigenis aan anderen gegeven?

Ik bedoel niet, dat u slechte christenen bent.

  • U zult zeker het werk van God op verschillende manieren ondersteunen.

  • Velen van u werken ook mee bij allerlei arbeid in de gemeente.

  • Met uw kinderen zal u zeker ook over de Here Jezus hebben gesproken,

  • Misschien ook wel met andere gelovigen.

  • Maar...

    • hebt u wel eens met anderen (buitenkerkelijken) over de Here Jezus gesproken?

    • Of iets anders ondernomen waardoor zij een ontmoeting met Jezus konden krijgen?

Zwijgen is een zonde. Dit zijn de vier melaatsen zich bewust. Zulk zwijgen moet bestraft worden. Is ons zwijgen anders? Is ons zwijgen ook niet zonde en moet dat ook niet bestraft worden?
 
Deze melaatsen hebben mogelijk niet veel liefde ondervonden van de mensen in de stad. Zij waren buitengesloten. Maar, mochten zij diezelfde stad nu verloren laten gaan?

  • Moesten zij niet denken aan die holle kinderogen, aan de vreselijke honger in de stad?

  • Moesten zij niet denken aan de koning, die in rouwgewaad rondging?

    • Zulk zwijgen is onmenselijk.
      Mensen zijn verantwoordelijk voor elkaar. Wij zijn allen door dezelfde God geschapen. Wij zijn allen het werk van Gods handen. Om Gods wil horen wij voor elkaar te zorgen.

    • Zulk zwijgen is onchristelijk.
      Christenen zijn verantwoordelijk voor de mensen om hen heen. Wij hebben van onze Heer de opdracht gekregen om het evangelie uit te dragen aan anderen. Onze Heer verwacht van ons, dat wij Zijn getuigen zijn.

Deze vier melaatsen waren zich bewust, dat zij straf zouden ontvangen, als zij zich stil hielden. Hoeveel te meer zal er straf voor ons zijn, als wij ons stil houden, als wij moeten praten.
Zwijgen, als wij moeten spreken over en voor Christus, zal ons geen goed doen. Ja, het zal ons schade berokkenen. Wij zullen ervoor gestraft worden.
 
Als u denkt aan het kruis van Christus, aan het lijden dat Hij op Zich nam om ook u te kunnen redden, wordt het dan niet zaak, dat u openlijk van Hem gaat getuigen?
Paulus schrijft in 1Kor.9:16 "Wee mij, als ik het evangelie niet predik"
Zou het met ons anders gesteld zijn?

Bapt. Gem. Alphen a/d Rijn, 1 sept. 1996.

   

.

.

 

 

.

 

 

.

 

 


Het Woord Index Bijbel 2 Kon. 2 Kon.7:9 Totaal
Voordat we bovenstaande teller in werking stelden werden we reeds 180977 bezocht
Helaas stopte die teller met zijn service.