Lezen:
2 Koningen 6:24 - 7:20
24 Daarna
verzamelde Benhadad, de koning van Aram, zijn gehele leger, trok
op en sloeg het beleg voor Samaria. 25 En er ontstond een
zware honger in Samaria; want zij belegerden het zo lang, dat een
ezelskop tachtig zilverstukken kostte en een vierde maat
duivenmest vijf zilverstukken. 26 Toen de koning eens over
de muur voorbijging, riep een vrouw tot hem om hulp: Help toch,
mijn heer de koning! 27 Maar hij zeide: Indien de HERE u
niet helpt, vanwaar moet ik u dan hulp halen? Van de dorsvloer of
van de perskuip? 28 Verder vroeg de koning haar: Wat hebt
gij? Zij antwoordde: Deze vrouw heeft tot mij gezegd: geef uw
zoon, dat wij hem vandaag eten; dan zullen wij mijn zoon morgen
eten. 29 Wij hebben dus mijn zoon gekookt en hem opgegeten.
Maar toen ik de volgende dag tot haar zeide: Geef nu uw zoon, dat
wij hem eten, had zij haar zoon verborgen. 30 Zodra nu de
koning de woorden van de vrouw hoorde, scheurde hij zijn klederen;
en (terwijl hij op de muur voorbijging) zag het volk, dat hij
zowaar daaronder een rouwgewaad op het blote lichaam droeg. 31 En
hij zeide: Zo moge God mij doen, ja nog erger, indien het hoofd
van Elisa, de zoon van Safat, heden op hem blijft staan. 32 (Elisa
nu zat in zijn huis en de oudsten zaten bij hem). En hij zond een
man voor zich uit. Voordat die bode bij Elisa was gekomen,
had deze tot de oudsten gezegd: Hebt gij wel gezien, dat deze
moordenaarszoon iemand gezonden heeft om mij te onthoofden? Ziet,
zodra de bode komt, moet gij de deur sluiten en hem bij de deur
terugdringen. Is niet het geluid van de voetstappen van zijn heer
achter hem? 33 Terwijl hij nog met hen sprak, zie, daar
kwam de bode op hem af. En de koning zeide: Zie, welk een
onheil, door de HERE gezonden! Wat zou ik nog op de HERE hopen? 7:1
Toen zeide Elisa: Hoort het woord des HEREN. Zo zegt de HERE:
Morgen omtrent deze tijd zal een maat fijn meel een sikkel kosten,
en twee maten gerst een sikkel, bij de poort van Samaria. 2 Daarop
antwoordde de hoofdman op wiens arm de koning leunde, de man Gods:
Ook al zou de HERE sluizen in de hemel maken, zou dit dan kunnen
geschieden? Maar hij zeide: Zie, gij zult het met eigen ogen
aanschouwen, doch daarvan niet eten. 3 Er waren vier
melaatse mannen buiten voor de poort; zij zeiden tot elkander:
Waarom blijven wij hier, totdat wij sterven? 4 Indien wij
zeggen: Wij zullen de stad binnengaan, in de stad is hongersnood,
zodat wij daar zullen sterven; en indien wij hier blijven, dan
zullen wij ook sterven. Welaan dan, laten wij overlopen naar de
legerplaats der Arameeërs. Indien zij ons in leven laten, zullen
wij leven; en indien zij ons doden, zullen wij sterven. 5 In
de avondschemering stonden zij op om naar de legerplaats der
Arameeërs te gaan. Maar toen zij bij de buitenrand van de
legerplaats der Arameeërs kwamen, zie, daar was niemand. 6 Want
de Here had het leger der Arameeërs een geluid doen horen van
wagens en paarden, het geluid van een grote legermacht, zodat zij
tot elkander zeiden: Zie, de koning van Israël heeft tegen ons de
koningen der Hethieten en van Misraim gehuurd om ons te
overvallen. 7 Daarom waren zij opgesprongen en in de
avondschemering gevlucht en hadden hun tenten achtergelaten, ook
hun paarden, hun ezels, de hele legerplaats zoals die was; zij
waren gevlucht om hun leven te redden. 8 Toen deze
melaatsen aan de buitenrand van de legerplaats gekomen waren,
gingen zij een tent binnen, aten en dronken, namen zilver, goud en
klederen eruit weg, en gingen heen en verborgen het. Daarna gingen
zij weer een andere tent binnen, namen er allerlei uit weg,
gingen heen en verborgen het. 9 Toen zeiden zij tot
elkander: Wij doen niet goed; deze dag is een dag van blijde
boodschap, en wij houden ons stil. Indien wij wachten tot het
morgenlicht, dan zal ons straf treffen. Welaan dan, laten wij
heengaan en het in het koninklijk paleis melden. 10 Daarop
kwamen zij en riepen de poortwacht van de stad aan en meldden hun:
Wij kwamen bij de legerplaats der Arameeërs, en zie, daar was
niemand, zelfs geen menselijk geluid; maar de paarden waren
vastgebonden en de ezels vastgebonden; en de tenten stonden er als
tevoren. 11 De poortwachters riepen en meldden het binnen
in het koninklijk paleis. 12 De koning stond in de nacht op
en zeide tot zijn dienaren: Ik wil u vertellen wat de Arameeërs
ons gedaan hebben. Zij weten, dat wij honger lijden; nu zijn zij
uit de legerplaats weggetrokken om zich in het veld te verbergen,
denkende: Wanneer zij de stad uitgaan, zullen wij hen levend
grijpen en de stad binnenkomen. 13 Toen antwoordde een van
zijn dienaren en zeide: Laat men toch vijf van de hier nog
overgebleven paarden nemen; hetzij het hun gaat als de gehele
menigte van Israël, die hier nog over is, hetzij het hun gaat als
de gehele menigte van Israël, die omgekomen is, laten wij ze maar
uitzenden en zien. 14 Daarop namen zij twee wagens met
paarden, en de koning zond die het leger der Arameeërs achterna
met de opdracht: Gaat en ziet. 15 Deze gingen hun achterna
tot aan de Jordaan, en zie, de gehele weg lag vol klederen en
wapens, die de Arameeërs bij hun angstige vlucht hadden
weggeworpen. De boden kwamen terug en meldden het de koning; 16
toen ging het volk naar buiten en zij plunderden de
legerplaats der Arameeërs. En een maat fijn meel kostte een
sikkel en twee maten gerst een sikkel, volgens het woord des
HEREN. 17 En de koning had de hoofdman op wiens arm hij
leunde, aangesteld over de poort, maar het volk vertrad hem in de
poort, zodat hij stierf, zoals de man Gods gesproken had, juist
toen de koning tot hem gekomen was. 18 Aldus is het
geschied, zoals de man Gods tot de koning gesproken had: Twee
maten gerst zullen morgen om deze tijd een sikkel kosten en een
maat fijn meel een sikkel, bij de poort van Samaria. 19 En
de hoofdman had toen de man Gods geantwoord: Ook al zou de HERE
sluizen in de hemel maken, zou dan zo iets kunnen geschieden? Maar
hij had gezegd: Zie, gij zult het met eigen ogen aanschouwen, doch
daarvan niet eten. 20 Aldus is hem geschied: het volk
vertrad hem in de poort, zodat hij stierf.
In zijn commentaar
op het 2e Koningenboek schrijft dr. H.A. Brongers (Prediking OT),
dat het "daarna" in 2 Koningen 6:24 zo vaag is, dat wij
daarom hier weer met een profetenlegende te maken hebben.
"Daarna" = "in een latere tijd". Wat is daar
vreemd aan? Wij hebben hier geen legende, maar het betrouwbare Woord
van God.
Tot nu toe kwamen wij Elisa steeds tegen als de altijd aanwezige
redder uit de nood. In deze geschiedenis is Elisa weliswaar nog
steeds de redder in nood, maar hij wordt door de koning bezien als
"staatsgevaarlijk".
De koning houdt Elisa verantwoordelijk voor alle narigheid; d.i.
zowel de honger als de belegering.
Er is een grote overeenkomst tussen deze geschiedenis en de
belegering van Jeruzalem door Sanherib van Assyrie, zo'n 100 jaar
later. (Zie 2Kon.19:32-36).
In 2Kon.6:23 lazen wij, na de bijzondere geschiedenis van Elisa te
Dothan en Samaria, met de benden van Aram, dat deze nooit meer terug
gekomen zijn. Nu hebben wij ook niet te maken met de benden van
Aram, maar met het officiële leger, dat Samaria belegert.
Wat is de mens toch kort dankbaar voor de ontvangen zegeningen. De
koning van Aram is al weer vergeten, dat Israël zijn benden
gespaard heeft en stuurt weer een leger.
De koning van Israël is al weer vergeten welke betekenis Elisa toen
had en beschouwt Elisa nu als de veroorzaker van alle leed.
Een zware hongersnood
Er is een zware hongersnood. Mogelijk is dit dezelfde
hongersnood als die van 2Kon.8:1.
Opmerkelijk is, dat er een droogte en hongersnood is geweest in de
tijd van Elia, maar ook in die van Elisa.
Twee redenen voor de zware hongersnood:
-
droogte met als
gevolg een slechte oogst,
-
oorlog en
belegering van de stad, waardoor er geen levensmiddelen
ingevoerd konden worden.
De honger is zo
groot, dat de prijzen absurd gestegen zijn. Er wordt grof geld
betaald voor een ezelskop. Deze was voor consumptie bestemd. Een
ezel was echter een onrein dier en mocht in normale gevallen niet
gegeten worden. Nu is het: onrein vlees eten of sterven.
Er is ook sprake van duivenmest. Wat moest men daarmee? Men moet het
gebruikt hebben om te verbranden, om er iets op te kunnen koken. Men
heeft ook wel gedacht aan duivengraan, nl, graankorrels die uit de
krop van de duiven gehaald werd. Duiven konden immers over de
vijandelijke linies vliegen en wel aan graan komen. Men heeft ook
wel gedacht aan de naam van een plant, bijvoorbeeld de wortel van de
ster van Bethlehem, die dan gegeten zou zijn. Tenslotte heeft men
nog gedacht aan druivenpitten.
De koning en twee vrouwen
Op een dag ging de koning voorbij over de muur van de stad. Hij
maakte klaarblijkelijk een inspectieronde. De stadsmuren waren breed
genoeg om er overheen te lopen.
Een vrouw vroeg hem om hulp. De koning dacht, dat zij om voedsel
vroeg. Hij heeft echter geen voedsel en zegt: "Als de Here u
niet helpt, waar moet ik dan hulp vandaan halen..." of:
"Laat de Here u helpen". De koning zegt, dat hij geen hulp
kan halen van de dorsvloer of van de perskuip, waarmee hij bedoelt:
"Ik heb geen brood en geen wijn voor u, ik heb geen eten of
drinken voor u."
De vrouw blijkt echter een ander probleem te hebben. Het lijkt er
op, dat die andere vrouw erbij staat. Ze hebben de zoon van de één
gekookt en gegeten en nu is het andere kind aan de beurt.
Kannibalisme. Vreselijk, dat het zo ver heeft kunnen komen. (Dit was
aangekondigd: Lev.26:27-29; Deut.28:53-55; Jer.19:9; Klgl.2:20,
4:10; Eze.5:10).
De koning scheurde zijn kleed, waarna men zag, dat hij onder zijn
kleed een rouwgewaad droeg. Het rouwgewaad is een teken van:
De vraag is in
hoeverre wij geestelijke waarde moeten hechten aan deze daad van de
koning. Gelijktijdig wilde hij Elisa doden. Hij bezag Elisa als de
zondebok. Elisa kreeg de schuld van alle ellende: hongersnood en
belegering.
Elisa had de hongersnood aangekondigd. Mogelijk had Elisa ook
gezegd, dat zij onder geen voorwaarde de stad mochten overgeven aan
de vijand en dat God redding zou geven, als zij zich voor God zouden
verootmoedigen.
Elisa en de oudsten
Elisa zat met de oudsten in zijn huis. Elisa zal met
het stadsbestuur vergaderd hebben. De koning zond iemand
om Elisa in zijn eigen huis te doden. De koning zelf volgde.
Elisa noemde de koning een moordenaar en een moordenaarszoon.
-
een moordenaar,
omdat hij Elisa wilde doden.
-
een
moordenaarszoon, omdat zijn vader, Achab, de profeten en Naboth
had gedood.
De koning weet, dat
het onheil dat hen treft, van de Here komt. Hij wil of durft echter
niet meer te hopen, dat God nog redding zal geven. Hij heeft geen
vertrouwen meer in God. De hoofdman die bij hem is, evenmin.
Deze zegt: "Al zou de Here de sluizen van de hemel openen,
dan nog zouden wij niet te eten hebben." Hij dacht aan een
wonder als dat van het manna, waarbij er nu graan uit de hemel zou
regenen. De officier wordt gestraft voor zijn ongeloof en voor zijn
bespotting van Elisa (vgl. 2Kon.2:23-25).
De vier melaatsen
(In Joodse kring wordt gedacht, dat dit Gehazi met zijn zonen
waren.) Een melaatse mocht niet in de stad. De opdracht, dat hij in
de woestijn buiten de legerplaats moest blijven, zijn later opgevat,
dat hij in het beloofde land niet in de stad mocht komen.
(Lev.13:45,46; Num.5:3). Deze melaatsen leefden zo dicht mogelijk
bij de poort. Mogelijk leefden zij in een huis, dat speciaal voor
melaatsen bestemd was.
De melaatsen zijn ervan overtuigd, dat waar zij nu waren, zij zeker
zullen sterven. Zij overwogen, dat de Arameeërs hen misschien
voedsel zouden geven of hen zouden laten gaan. Zij hadden niets te
verliezen, ook als de Arameeërs hen zouden doden. Want hier zouden
zij toch ook sterven.
In de avondschemering gaan zij naar het legerkamp van de Arameeërs.
Daar blijkt het gehele tentenkamp verlaten te zijn. Het is er
doodstil. Geen wakers, geen schildwachten, geen soldaten, geen mens.
Zij gaan naar de eerste tent en vinden die helemaal leeg. Zij gaan
naar de volgende tent en de volgende. Ze zijn allemaal leeg en
verlaten. Er waren verschillende wonderen gebeurd:
-
De Arameeërs
hadden het geluid van een aanstormend leger gehoord: paarden en
wagens.
-
De Arameeërs
dachten, dat zij door Hethieten en Egyptenaren werden
aangevallen, m.a.w. dat zij omsingeld waren en volledig in de
val zaten. De Hethieten komen nl. uit het Noorden en de
Egyptenaren uit het zuiden.
In 2 Kon.6:17
hadden wij het wonder van het zien.
Hier hebben wij het wonder van het horen.
De Arameeërs hadden in paniek alles achter gelaten.
I.p.v. op paarden te vluchten, hadden zij hun paarden laten staan.
Een vergelijkbare paniek vinden wij in Richt. 7:19-22. Zo redde God
de Israëlieten zowel van de vijand als van de honger.
Zelfs recent, in de zesdaagse oorlog, zien we nog twee keer zo'n
paniek reactie terug bij de Egyptenaren:
-
De eerste
wanneer zij in de Sinaï woestijn hun tanks verlaten en te voet
terug vluchten naar Egypte, omdat zij een enorme overmacht (een
enorm sterk leger) op zich af zagen komen. In werkelijkheid
waren er niet meer dan enkele jeeps.
-
De tweede
wanneer men in de radiotorens op de radarschermen ontelbare
vliegtuigen op zich af zag komen, zodat men zelfs de moeite niet
meer nam om met hun luchtvloot op te stijgen. Een handje vol
straaljagers konden daarop de gehele luchtvloot van Egypte
uitschakelen
In het tentenkamp
aangekomen, aten en dronken de vier melaatsen eerst naar hartelust.
Vervolgens namen zij waardevolle spullen mee en verstopten die. Toen
realiseerden zij zich, dat wat zij deden, niet goed was.
Zij realiseerden zich, dat dit een dag van goed nieuws was, terwijl
zij zich stil hielden. Dat mocht niet. Zo brachten zij het goede
nieuws aan de wachters op de muur, die het nieuws weer doorgaven aan
de wachters bij het paleis, die op hun beurt weer de koning wakker
maakten. De koning kon het niet geloven en dacht aan een valstrik.
Het woord van Elisa had blijkbaar niet veel indruk gemaakt.
De les van de melaatsen
De melaatsen waren zich bewust, dat het niet goed was, als zij
het grote nieuws en de overdaad aan voedsel alleen voor zichzelf
hielden. Terwijl mensen in de stad sterven van de honger, is hier
eten in overvloed.
Als wij goed nieuws hebben - speciaal als wij HET goede nieuws
hebben - moeten wij dat niet voor ons zelf houden, maar moeten wij
dat doorgeven aan anderen. Dit geldt zeker en in het bijzonder ons,
christenen. Als wij zwijgen, terwijl wij het goede nieuws kennen,
bezondigen wij ons.
Deze gemeente zal zeker niet veel anders zijn dan de doorsnee
gemeente van Jezus Christus.
-
Hoeveel van u
hebben wel eens het evangelie van Jezus Christus aan anderen
doorgegeven?
-
Hoeveel van u
hebben wel eens een ander tot Christus geleid?
-
Hoeveel van u
hebben nog nooit een persoonlijk getuigenis aan anderen gegeven?
Ik bedoel niet, dat
u slechte christenen bent.
-
U zult zeker
het werk van God op verschillende manieren ondersteunen.
-
Velen van u
werken ook mee bij allerlei arbeid in de gemeente.
-
Met uw kinderen
zal u zeker ook over de Here Jezus hebben gesproken,
-
Misschien ook
wel met andere gelovigen.
-
Maar...
Zwijgen is een
zonde. Dit zijn de vier melaatsen zich bewust. Zulk zwijgen moet
bestraft worden. Is ons zwijgen anders? Is ons zwijgen ook niet
zonde en moet dat ook niet bestraft worden?
Deze melaatsen hebben mogelijk niet veel liefde ondervonden van de
mensen in de stad. Zij waren buitengesloten. Maar, mochten zij
diezelfde stad nu verloren laten gaan?
-
Moesten zij
niet denken aan die holle kinderogen, aan de vreselijke honger
in de stad?
-
Moesten zij
niet denken aan de koning, die in rouwgewaad rondging?
-
Zulk
zwijgen is onmenselijk.
Mensen zijn verantwoordelijk voor elkaar. Wij zijn allen
door dezelfde God geschapen. Wij zijn allen het werk van
Gods handen. Om Gods wil horen wij voor elkaar te zorgen.
-
Zulk
zwijgen is onchristelijk.
Christenen zijn verantwoordelijk voor de mensen om hen heen.
Wij hebben van onze Heer de opdracht gekregen om het
evangelie uit te dragen aan anderen. Onze Heer verwacht van
ons, dat wij Zijn getuigen zijn.
Deze vier melaatsen
waren zich bewust, dat zij straf zouden ontvangen, als zij zich stil
hielden. Hoeveel te meer zal er straf voor ons zijn, als wij ons
stil houden, als wij moeten praten.
Zwijgen, als wij moeten spreken over en voor Christus, zal ons geen
goed doen. Ja, het zal ons schade berokkenen. Wij zullen ervoor
gestraft worden.
Als u denkt aan het kruis van Christus, aan het lijden dat Hij op
Zich nam om ook u te kunnen redden, wordt het dan niet zaak, dat u
openlijk van Hem gaat getuigen?
Paulus schrijft in 1Kor.9:16 "Wee mij, als ik het evangelie
niet predik"
Zou het met ons anders gesteld zijn?
Bapt. Gem. Alphen a/d
Rijn, 1 sept. 1996. |