Klik hier om "Het Woord" te openen wanneer u alleen deze pagina ziet2 Koningen 5

 

2 Koningen 5

 

 

Achtergrond informatie

 

 

De genezing van Naäman

H. Bouter Jr.

De hoofdpersonen
Dit bekende hoofdstuk uit de Bijbel is eigenlijk een meesterstuk van vertelkunst. Scherper en duidelijker dan in de boeiendste roman worden hier een aantal personen getekend. Dat is ook niet verwonderlijk, want het is het Woord van God dat levend en krachtig is. Laten we de hoofdpersonen eerst voorstellen:

  1. Naäman, de overste van het Syrische leger: een zeer gezien en geliefd man, zowel bij zijn heer als bij zijn dienaren (2kon.5:1,13). Toch had hij een onoplosbaar probleem: hij was melaats.
     

  2. Een jong meisje uit het land van Israël. Zij leefde als balling in een vreemd land, maar bleef trouw aan de God van Israël. Zij had een groot geloof en zij had haar vijanden lief (2kon.5:3). Zij blijft naamloos in deze geschiedenis, maar zij blinkt uit door haar geestelijke kwaliteiten.
     

  3. De koning van Israël. Zijn naam blijft eveneens onvermeld, maar het zal Joram zijn geweest, de zoon van de goddeloze Achab. Hij werd juist gekenmerkt door ongeloof, wanhoop, en achterdocht (2kon.5:7).
     

  4. De profeet Elisa, de woordvoerder van de levende God. Hij is de centrale figuur in dit hoofdstuk en valt op door zijn eenvoud en beslistheid, zowel tegenover de groten der aarde als tegenover zijn eigen knecht Gehazi.
     

  5. Gehazi, de dienaar van de profeet. Hij staat hier in scherp contrast tot zijn meester door zijn hebzucht, onbegrip en wereldsgezindheid. De diepste roerselen van zijn hart worden blootgelegd, zoals later een Judas zou worden ontmaskerd door de Heer Zelf. Het hoofdstuk eindigt zoals het begint: met een melaatse! De melaatsheid van Naäman zou Gehazi en zijn nakomelingen aankleven, voor altoos (2kon.5:27).

Naäman de legeroverste
Zoals gezegd was Naäman een zeer gezien en geliefd man. Zijn naam betekent ook "liefelijkheid" of "vriendelijkheid". De achting die men voor hem had, kan te maken hebben gehad met zijn hoogstaande karakter. Immers, zowel zijn heer als zijn dienaren schijnen oprecht begaan te zijn geweest met zijn lot (2kon.5:4-5,13). In 2kon.5:1 wordt de gunst waarin hij stond echter in verband gebracht met zijn militaire prestaties: "...want door hem had de Here een overwinning aan Aram geschonken."
 
Dit laatste is een veelzeggende uitdrukking. Het wil eigenlijk zeggen: de Here regeert! Hij bestuurde niet alleen zijn eigen volk Israël, maar ook de volken. En dat is nog steeds zo, hoewel Gods regering voor ons vaak ondoorgrondelijk is.
 
Dat is de eerste les die wij hier leren. God is geen plaatselijke god, een berggod of een god van de vlakten of van een van de elementen. Zo dachten de heidenen; zo dachten ook de Arameeërs (1Kon.20:23vv.). Maar dat was een vergissing. God is de levende God, de Heer van hemel en aarde. Hij houdt de hele wereld in zijn hand.
 
In de tweede plaats gebruikt Hij de volken echter ook, als dat nodig is, om zijn eigen volk te tuchtigen. Aram was zo'n tuchtroede in de tijd van de goddeloze Achab en zijn opvolgers. En Assur, de wereldmacht die toen in opkomst was, zou het in nog sterkere mate zijn (Jes.10:5). Aram
(d.i. Syrië) bedreigde Israël vanuit het noorden, eigenlijk al sinds de dagen van Salomo (1Kon.11:25).
Er was niet altijd oorlog tussen beide staatjes, soms sloten zij ook vredesverdragen
(vgl. het verbond tussen Achab en Benhadad in 1Kon.20:34). De verhouding tussen Aram en Israël leek dan echter meer op een gewapende vrede. Zo was het ook hier, want de koning van Israël zocht achter de brief van de koning van Aram een voorwendsel voor een nieuwe oorlog (2kon.5:7).
 
God gebruikte deze noordelijke vijand dus als zijn tuchtroede. Aram betekent: "hoog", "verheven". Wij zien in Aram een beeld van de wereld als de trotse tegenstander van Gods volk: een vijand die overtuigd is van zijn eigen voortreffelijkheid en die bovendien zelfvoldaan spreekt over zijn eigen middelen en mogelijkheden
(vgl. Naämans houding in 2kon.5:12). Als het volk van God in een slechte toestand is, moet het in de confrontatie met de wereld het onderspit delven. Dat is ook nu nog zo. Zijn wij ons daarvan bewust?

Wij gaan er van uit dat de door Naäman bevochten overwinning inderdaad op Israël behaald is, hoewel dat niet met zoveel woorden gezegd wordt. Er is een interessante Joodse traditie die zegt dat Naäman de boogschutter was die koning Achab dodelijk verwondde in de strijd om Ramot in Gilead (1Kon.22:34).
Anderen denken aan een overwinning van Aram op Assyrië. Het boek 2 Koningen maakt echter duidelijk dat Elisa een belangrijke rol speelde in de oorlogen tussen Aram en Israël. De profeet trad zelfs op in Damascus en was betrokken bij de aanstelling van Hazaël als koning van Aram (2Kon.8:7vv.). Dit paste allemaal in het plan van God om zijn volk, dat van Hem was afgeweken, te tuchtigen en langs die weg tot inkeer te brengen.

Naäman, de Syrische legeroverste, was dus een groot man. Iedereen was hem gunstig gezind. Hij was zelfs een instrument in de hand van de Here geweest. Het ging hem voor de wind, zouden wij zeggen. Toch was dat maar schijn. Het was slechts de buitenkant van zijn leven.
 
Zijn melaatsheid
Naäman had een verborgen probleem. Het prachtige portret van 2kon.5:1
werd ontsierd door een "maar". Het staat er zo treffend: "Maar deze man was melaats." Hij had een ongeneeslijke ziekte, en niemand kon hem helpen. Het is mogelijk dat de ziekte nog in haar eerste stadium was, want 2kon.5:11 spreekt over de aangetaste plek op zijn lichaam.
Maar de kwaal zou voortwoekeren en steeds meer delen van zijn lichaam aantasten. Dat was een vreselijk vooruitzicht. Wat stond hem allemaal te wachten? Hoe moest hij voortleven met dit probleem?
 
Wat verstaat de Bijbel onder melaatsheid?
Het schijnt een veelomvattende term te zijn geweest, die ook van toepassing was op kleding en huizen (Lev.13-14). Volgens sommigen omvatte hij alle soorten uitslag en huidziekten (o.a. psoriasis). Maar de wet op de melaatsheid maakt zelf al een onderscheid tussen "de plaag der melaatsheid" en "gewone uitslag" (Lev.13:39). Als het om personen gaat, zullen wij toch speciaal aan lepra moeten denken, zeker in het geval van Naäman en Gehazi (2Kon.5) en in dat van Mirjam (Num.12). Andere voorbeelden daarvan zien wij in het leven van Mozes (Exod.4:6), en van koning Azarja of Uzzia (2Kon.15:5; 2Kron.26:16 v.v.).
 
Wij weten dat ziekte en dood, smart en rouw allemaal gevolgen zijn van de zonde (vgl. Gen.3:16vv). Door de zonde is de dood in de wereld gekomen (Rom.5:12). Het verband tussen zonde en ziekte is overigens een heel complexe zaak. Van de melaatsheid geldt echter dat deze kwaal een bijzonder treffend beeld geeft van de zonde en haar dodelijke, verderfelijke gevolgen. Hiervoor zijn de volgende argumenten te noemen:

  1. De melaatsheid was een besmettelijke ziekte, die bleef voortwoekeren en het hele lichaam aantastte. Zo weten wij dat er in ons zondige vlees geen goed woont (Rom.7:18).
     

  2. De melaatse gold als levend dood. Aäron noemde Mirjam een "doodgeborene" (Num.12:12). Als zondaars zijn wij dood in onze overtredingen en zonden, en vreemd aan het leven van God (Ef.2:1;
    4:18). Alleen God kan ons levend maken (vgl. 2Kon.5:7).
     

  3. De melaatse werd beschouwd als onrein. Hij moest zijn klederen scheuren als een teken van rouw en roepen: "Onrein, onrein!" (Lev.13:45). Zo kleeft de onreinheid en de schande van de zonde
    ons van nature aan.
     

  4. De melaatse verbleef vanwege zijn onreinheid buiten de legerplaats, de plaats waar een heilig God woonde temidden van zijn volk (Lev.13:46; Num.5:2; 12:14; 2Kon.7:3; 2Kron.26:21). Wij leefden vroeger zonder God in de wereld en waren van Hem gescheiden.
     

  5. De melaatse werd niet genezen verklaard door een arts, maar rein verklaard door een priester. De ceremoniële reiniging op grond van de voorgeschreven offers en door middel van water, offerbloed en olie, wees heen naar het werk van Christus. Alleen zijn verzoeningswerk is in staat de zondesmet weg te nemen. Als gereinigden mogen wij bovendien een nieuw leven leiden in de kracht van Christus' opstanding en door de zalving met de Heilige Geest.

Als wij kijken naar de melaatse Naäman, zien wij in feite dus een beeld van onszelf. Wij kunnen allerlei talenten hebben. Het kan ons voor de wind gaan. De mensen kunnen ons waarderen. Toch is er in het leven van ieder mens een "maar", namelijk het probleem van de zonde. De "zondeziekte" tast ons aan en richt ons te gronde. Dat zondeprobleem, dat ons leven verwoest, kunnen wijzelf niet oplossen. Maar wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.

Vragen:
1. In wie van de vijf hoofdpersonen uit dit verhaal herkent u iets van
uzelf?
2. Bent u misschien zelf zo'n trotse "wereldling" als Naäman?
3. Erkent u dat u door de zonde volkomen verdorven bent en dat u het
zondeprobleem zelf niet kunt oplossen?

Een jong meisje uit Israël
Het probleem van Naäman was vanuit menselijk oogpunt onoplosbaar. Maar de geschiedenis van zijn genezing maakt ons gelukkig ook duidelijk dat er redding te vinden is bij God. Hij alléén kon Naäman verlossen van diens melaatsheid. Ja, Hij verlost ons zelfs van de "zondeziekte". Maar dan moeten wij wel aan het goede adres zijn en ons heil niet zoeken bij de magiërs van deze wereld (vgl. 2kon.5:11). Het is de levende en waarachtige God die ons kan helpen.
 
Het ontroerende van dit verhaal is dat een jong meisje uit het land van Israël de machtige Naäman de weg tot behoud mocht wijzen. Heel eenvoudig getuigde zij tegenover haar meesteres van haar geloof: "Och, of mijn heer ware voor het aangezicht van de profeet, die te Samaria is, dan zou deze hij van zijn melaatsheid ontledigen" (2kon.5:3).
 
Syrische roversbenden hadden haar ontvoerd en verkocht op de slavenmarkt in Damascus. Dat was in feite een bewijs van Gods oordeel over zijn volk. Mozes had dat reeds voorzegd: "Uw zonen en uw dochters zullen aan een ander volk gegeven worden, dat uw ogen het aanzien, en naar hun smachten de ganse dag; maar het zal in het vermogen van uw hand niet zijn" (Deut.28:32). Op die manier was dit jonge meisje dus in de huishouding van de Syrische legeroverste terechtgekomen (2kon.5:2).
Naämans vrouw was haar meesteres geworden. God had dat toegelaten en Hij had het ook zo geleid, want Hij had er een bedoeling mee.
 
Dit meisje liet zich in haar nieuwe omgeving gelukkig niet leiden door haat-gevoelens. Ondanks haar jeugdige leeftijd en ondanks de moeilijke omstandigheden waarin zij verkeerde in het vreemde land, was zij een getuige van de God van Israël en had zij zelfs haar vijanden lief. Evenzo zijn wij als gelovigen in een vijandige wereld gezanten, ambassadeurs voor Christus en mogen wij getuigen van de hoop die in ons is (2Kor.5:20; 1Petr.3:15). Zijn wij ons bewust van deze hoge roeping?
 
Dit jonge meisje had een groot geloof in haar God en in Diens profeet. Hoe wist zij dat Elisa bereid en in staat was om generaal Naäman te verlossen van zijn melaatsheid? Het was alleen haar geloof dat haar dit influisterde. Elisa had wel allerlei wonderen verricht, maar nog nooit een melaatse genezen. Wij kunnen dat lezen in het Nieuwe Testament.
Hoewel er vele melaatsen in Israël waren in die dagen, werd niemand van hen gereinigd (Luk.4:27). Want het volk van God lag onder het oordeel. De Israëlieten dienden immers de afgoden. Niemand van hen werd gereinigd in die dagen, maar wel Naäman de Syriër. Gods genade ging dus uit naar een heiden.
 
Naar de koning van Israël
Naämans vrouw hechtte geloof aan de woorden van haar slavinnetje, en zij sprak erover met haar man. Naäman sprak erover met zijn heer, de koning van Aram (2kon.5:4). De ziekte van de legeroverste was ondertussen een publiek geheim geworden. Van het een kwam het ander, en de zaak werd op diplomatieke wijze aangepakt
(wat ook in medische kwesties niet ongebruikelijk schijnt te zijn geweest in de antieke wereld). De bedoeling daarvan was dat de koning van Israël vervolgens "de profeet in Samaria" zou benaderen, die volgens wereldse maatstaven immers zijn ondergeschikte was.
 
Naäman kreeg een brief mee van zijn koning en bovendien een groot geschenk. De koning van Aram was bereid om diep in de buidel te tasten voor het welzijn van een van zijn beste onderdanen. Het geschenk bestond uit een hoeveelheid van maar liefst vierhonderdvijftig kilogram zilver, tweeënzeventig kilogram goud en tien bovenklederen of feestgewaden (2kon.5:5). Dat vertegenwoordigde een enorm vermogen. Het goud en zilver had een waarde van minstens vijftien miljoen gulden.
 
Zo arriveerde Naäman in Samaria, met de brief waarin geschreven stond: "Zo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, zie, ik heb mijn knecht Naäman tot u gezonden, dat gij hem ontledigt van zijn melaatsheid" (2kon.5:6). Zijn komst veroorzaakte een hele opschudding aan het hof van de koning van Israël. Deze vatte de brief namelijk op als een voorwendsel, een oorlogsprovocatie (2kon.5:7).
In wanhoop scheurde hij zijn klederen. Zo'n pessimistische reactie was van koning Joram ook wel te verwachten (vgl. 3:13). De koning wist heel goed dat hij geen "zoon der goden" was aan wie genezende kracht kon worden toegeschreven
(zo zagen de heidense volken hun koningen maar al te vaak).
 
Maar hij maakte helaas een ijdel gebruik van Gods naam door te zeggen: "Ben ik dan God, om te doden en levend te maken, dat deze tot mij zendt, om een man van zijn melaatsheid te ontledigen?" Dit typeert trouwens wel de ernst van de ziekte: alleen God, die de dodelijke kwaal gezonden had, kon uitkomst geven en de "dode" levend maken.
 
Naar Elisa
Koning Joram scheen helemaal niet te denken aan Elisa, hoewel de profeet in die dagen toch het kanaal was van Gods zegen. God stak als het ware door middel van hem zijn reddende hand toe aan Israël. Maar de profeet bleek niet geëerd te zijn in zijn vaderstad
(Elisa woonde kennelijk weer in de hoofdstad, vergelijk 2:25; 6:32).
 
Hij moest zelf het initiatief nemen. Daarom zond hij tot de koning de boodschap: "Waarom hebt gij uw klederen gescheurd? Laat hem nu tot mij komen, zo zal hij weten, dat er een profeet in Israël is" (2kon.5:8b). Zo kwam Naäman tenslotte bij Elisa, die hier ook "de man Gods" wordt genoemd (2kon.5:8a). Hier was hij aan het goede adres. Want de man Gods was de dienaar van de levende God - die inderdaad de macht heeft om te kunnen doden en levend te maken.
 
Maar er was toch een probleem. Naäman kwam in het besef van zijn eigen waardigheid, "met zijn paarden en met zijn wagens" (2kon.5:9). Hij zat veel te hoog te paard. Maar als wij in die houding bij God komen, kan Hij ons niet helpen. Naäman kon niet op zijn eigen voorwaarden geholpen worden, dat kon slechts op de condities die God stelde. Dat moest hij leren, zoals wij nog zullen zien. Maar dat is nu juist precies wat ¡edere zondaar moet leren: in het besef van eigen onwaardigheid tot God te naderen. Het heeft geen zin om te proberen mijzelf te verbeteren of de verlossing zelf te willen verdienen. Ik moet komen zoals ik ben, en zo wil God mij aannemen. Hij doet dat uit vrije genade.

Vragen:
1. Bent u, zoals dit jonge meisje, in uw eigen omgeving ook een gezant, een getuige van de levende en waarachtige God?
2. Verwacht u uw heil van mensen, van de grote mannen in deze wereld?
3. Of bent u ervan doordrongen dat alleen de Man Gods, dit is Christus, uitkomst kan bieden?

Elisa
Elisa vond het niet nodig om Naäman persoonlijk te woord te staan. Hij had hiermee zijn wijze bedoelingen, zoals al gauw zou blijken. Want Naäman moest zichzelf leren vernederen; zijn trots moest gebroken worden. De profeet kwam dus niet zelf naar buiten, maar stuurde eenvoudig een bode naar hem toe met de opdracht: "Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan" (2kon.5:10a). Tevens koppelde hij hieraan de duidelijke belofte: "... en uw vlees zal u weerkomen, en gij zult rein zijn" (2kon.5:10b). Een van de vreselijke gevolgen van melaatsheid is immers dat het vlees van de zieke als het ware wordt weg gegeten.

Deze opdracht viel echter niet in goede aarde bij de machtige legeroverste. Naäman vatte de boodschap van de profeet op als een persoonlijke belediging. Hij had een heel andere behandeling verwacht, een ingewikkeld ritueel, zoals hij dat waarschijnlijk gewend was van de heidense tovenaars en magnetiseurs in zijn eigen land (2kon.5:11). Hij mocht toch ook wel rekenen op een eervolle behandeling? Tenslotte was hij niet de eerste de beste. En was hij niet in staat om Elisa rijkelijk te belonen voor zijn diensten?
 
Wat een opdracht: "Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan"! Wat een
vernedering! Waren de heldere en waterrijke rivieren van Damascus, de Abana (of: Amana) en de Parpar, niet beter dan die smalle en modderige Jordaan?
Zou hij thuis geen bad kunnen nemen? Die remedie had Naäman zelf ook wel kunnen bedenken (2kon.5:12). Hij wilde echter noch de rivieren, noch de goden van Damascus prijsgeven. Pas later zou hij erkennen dat er op de gehele aarde geen God was behalve in Israël (2Kon.5:15). Naäman was boos en voelde zich diep gekwetst. Daar klonk zijn bevel tot de wagenmenner: Wend de teugel! Terug naar huis!
 
Het zal een poosje stil zijn geweest in de stoet die terugkeerde in noordelijke richting en afdaalde van het gebergte van Samaria.
Misschien gebeurde het op een stopplaats niet ver van de Jordaan, dat de dienaren van Naäman de moed kregen hun heer aan te spreken (2Kon.5:13). Ze deden dat met veel tact en met het nodige respect. Ze eerden hun overste als een vader.
Het was een ongevraagd advies dat zij gaven, maar het was heel nuchter en gezond. Als de profeet iets moeilijks had opgedragen, zou Naäman dat dan niet hebben gedaan? Zou hij niet alle middelen hebben aangewend om weer gezond te worden? Nu had de profeet echter een simpele opdracht gegeven: "Was u en gij zult rein worden." Waarom dan niet geluisterd naar die eenvoudige woorden van de man Gods?
 
Nieuw leven
Het pleit voor Naäman dat hij wilde luisteren naar de woorden van zijn ondergeschikten. Hij was niet eigenwijs: "Zo klom hij af, en doopte zich in de Jordaan zevenmaal, naar het woord van de man Gods" (2Kon.5:14a). Toch zal het wel heel moeilijk voor hem zijn geweest om zich zo te vernederen ten aanschouwen van zijn minderen. Hij moest van zijn hoge wagen afdalen, zijn kleren afleggen en om zo te zeggen ondergaan in de Jordaan. Maar hij dééd het, hoewel er niets overbleef van zijn grootheid en voornaamheid. Bovendien deed hij het niet alleen om zijn knechten een plezier te doen. Hij luisterde niet slechts naar hen, maar hij gaf gehoor aan het woord van de man Gods, zoals ons vers zegt.
 
Wij krijgen hier aanschouwelijk onderwijs met betrekking tot de weg van het heil. Wij moeten ons bewust worden van onze eigen geringheid, onze zondigheid, onze "melaatsheid". Wij moeten onszelf vernederen voor Gods aangezicht en afdalen van de "hoge wagen" van onze natuurlijke trots en zelfingenomenheid. Wij moeten heel klein worden voor God en de weg gaan die Hij ons wijst in zijn Woord. De Goddelijke remedie is dat wij onze zonden belijden, de oude mens afleggen en afdalen in de doodsrivier.
Dat wil zeggen: wij moeten ons in het geloof vereenzelvigen met een gestorven Christus. Er is géén andere mogelijkheid om gered en gereinigd te worden, om nieuw leven te ontvangen. "Niemand komt tot de Vader dan door Mij", zegt de Heer Jezus (Joh.14:6).
 
Naäman was gehoorzaam en dompelde zich zevenmaal onder in de Jordaan (=
de afdalende). Deze rivier ontspringt tussen de Libanon en de Hermon en stroomt naar de Dode Zee, die ver onder zeeniveau ligt. Dit is een prachtig type van de dood van Christus. Hij daalde immers af van hemelse hoogten en vernederde Zichzelf tot in de dood. Het getal zeven spreekt van volkomenheid en totaliteit. Naäman moest zich zevenmaal onderdompelen in de Jordaan.
Hij moest volkomen ondergaan; er mocht niets van de oude mens overblijven. Evenzo zijn wij als gelovigen met Christus begraven door de doop tot de dood. Wij zijn met Hem één geworden in de gelijkheid van zijn dood (Rom.6:4-5).
 
Maar Naäman bleef niet in het watergraf. Hij kwam als een nieuw schepsel tevoorschijn: "... en zijn vlees kwam weer, gelijk het vlees van een kleine jongen, en hij werd rein" (2kon.5:14b). Dat is een beeld van het nieuwe leven dat wij als gelovigen ontvangen hebben. Wij zijn niet alleen met Christus gestorven, maar ook met Hem opgestaan tot een nieuw leven. Daarom kunnen wij als verlosten zingen: Daar U bent voor ons gestorven, is het leven ons verworven; en daar U bent opgestaan, kunnen wij in vrijheid gaan.

Zeven nieuwtestamentische waarheden
Dit tekstgedeelte (2kon.5:14b) belicht een aantal belangrijke waarheden uit het Nieuwe Testament
(min of meer toevallig kom ik weer op het getal zeven uit). Naämans "doop" in de Jordaan illustreert dat wij:

  • 1. gereinigd zijn van de zonden en ongerechtigheden die ons aankleefden en verontreinigden in het oog van een heilig God (Joh.13:10; Hebr.10:22; 1Petr.1:22);

  • 2. verlost zijn van de macht van de zonde, die steeds voortwoekerde in ons leven en ons te gronde richtte (Rom.8:2);

  • 3. opnieuw geboren zijn (Joh.3:3,5);

  • 4. levend gemaakt zijn met Christus (Ef.2:5; Kol.2:13);

  • 5. een nieuwe schepping zijn in Hem (2Kor.5:17; Titus 3:5);

  • 6. de oude mens hebben afgelegd en de nieuwe mens hebben aangedaan (Gal.3:27; Ef.4:22-24; Kol.3:9-10);

  • 7. voortaan in nieuwheid van leven mogen wandelen (Rom.6:4).

Het blijkt hier ook weer dat de Schrift meestal spreekt over de reiniging van de melaatse, slechts zelden over diens genezing. Evenzo maakt de zonde ons onrein voor God, die te rein van ogen is om het kwaad te zien. De toezegging van de profeet was: "... en gij zult rein zijn" (2kon.5:10b). In overeenstemming hiermee lezen wij hier: "... en hij werd rein" (2kon.5:14b).

Vragen:
1. Bent u bereid om uzelf voor God te vernederen?
2. Bent u door het geloof ééngemaakt met Christus in zijn dood en opstanding en hebt u dat tot uitdrukking gebracht in de doop?
3. Wandelt u ook praktisch in nieuwheid des levens?

Een leven uit dankbaarheid
Wat was Naämans reactie op zijn redding en reiniging?
Hij keerde terug om zijn dankbaarheid te tonen (2kon.5:15a). In dit opzicht lijkt hij sprekend op de Samaritaan in Lukas 17, een vreemdeling die ook terugkeerde om God te danken en te prijzen nadat hij gereinigd was van zijn melaatsheid. Dat mogen wij ook doen als verlosten. Wij mogen onze Redder te voet vallen en Hem huldigen voor de verkregen verlossing.
 
Als nieuwe mensen zullen wij ook een nieuwe gehoorzaamheid tonen. Dat zien wij in type ook hier. Er was bij Naäman geen spoor van trots meer te bekennen, toen hij terugkeerde tot de man Gods, hijzelf met zijn gehele gevolg (letterlijk "leger"). Hij bleef niet op zijn wagen zitten, zoals bij de eerste ontmoeting, maar ging het huis van de profeet binnen. Heel nederig sprak hij over zichzelf als Elisa's dienaar: "Zie, nu weet ik, dat er geen God is op de ganse aarde, dan in Israël. Neem toch een zegen van uw knecht" (2kon.5:15b).
 
Naäman had de ware God leren kennen, de God van Israël, de Schepper van hemel en aarde. Hij erkende dat alle andere goden afgoden waren, die volkomen machteloos waren om te verlossen (vgl. Jes.45:20).
Deze God wilde hij zijn dank betalen. Daarom bood hij Elisa een geschenk aan. Dat was wel goed bedoeld, maar hij moest leren dat Gods genade geheel gratis was. Dat beginsel geldt ook voor ons. Wij kunnen niets betalen voor onze verlossing. Het heil in Christus is om niet. De zegen komt alleen van boven.
 
Daarom wees de profeet een beloning resoluut van de hand. Hij was slechts een dienaar van de levende God en kon niets aannemen voor het wonder van Naämans reiniging. Hoewel deze bij hem aandrong dat hij iets zou aannemen, bleef hij weigeren (2kon.5:16). Dit beginsel geldt ook voor ons: "U hebt het voor niets ontvangen, geeft het voor niets" (Matt.10:8). Het getuigt van een verdorven denken als wij de godsvrucht, dit is de dienst van God, als iets winstgevends beschouwen (1Tim.6:5). Gehazi was echter zo iemand die het spoor van de waarheid bijster geraakt was, zoals wij nog zullen zien.
 
Een leven in Gods tegenwoordigheid
Maar Naäman had het hart wel op de juiste plaats.
Hij wilde hoe dan ook de God van Israël dienen. Hoewel hij de profeet niets kon betalen voor zijn reiniging, kon hij hem wel iets vragen. Want Naäman wilde echt een nieuw leven gaan leiden. Zo is dat ook met ons. Nadat wij met Christus zijn opgewekt tot een nieuw leven, mogen wij wandelen in de goede werken die God tevoren voor ons heeft bereid (Ef.2:10). De legeroverste had de volgende wens: "En Naäman zeide: Zo niet, laat toch uw knecht gegeven worden een last aarde van een juk muildieren; want uw knecht zal niet meer brandoffer of slachtoffer aan andere goden doen, maar aan de Here" (2kon.5:17).
 
Hier hebben wij het bewijs van zijn bekering, de vrucht van het nieuwe leven dat hij had ontvangen. Als wij ons van de afgoden tot God hebben bekeerd, zullen wij eveneens het verlangen hebben om voortaan alleen de levende en waarachtige God te dienen (vgl. 1Thess.1:9).
Dat moet dan wel in overeenstemming met zijn gedachten gebeuren, op een grondslag die beantwoordt aan zijn heiligheid - zoals Naäman Hem op reine bodem wilde dienen.
 
Waarschijnlijk heeft hij van deze last aarde een "altaar van aarde" voor de Here gemaakt en daarop zijn brandoffers en vredeoffers geofferd (vgl. Exod.20:24). Reeds de aartsvaders van het volk Israël waren altaarbouwers, zoals wij zien in het boek Genesis. Het dienen van de ware God krijgt gestalte in onze persoonlijke aanbidding, onze persoonlijke handel en wandel, maar ook in onze gemeenschappelijke eredienst. Hebben wij zo'n een altaar, waarbij wij de naam van de Here kunnen aanroepen?
 
Als christenen hebben wij inderdaad ook een altaar, zoals de Brief aan de Hebreeën duidelijk zegt. Dat is geen letterlijk altaar van aarde, of van koper of goud, maar een "altaar" in de figuurlijke zin van het woord. Wij hebben een plaats waar wij God ontmoeten, of beter gezegd: een Persoon door Wie wij tot God naderen. Christus Zelf is het grote Middelpunt van onze eredienst en door Hem mogen wij vrij tot God naderen (Hebr.13:10,15). Dienen wij God zo met een dankbaar hart, persoonlijk en gemeenschappelijk? Naderen wij als "priesters" tot Hem? Brengen wij Hem onze dankoffers, onze hulde voor het heil dat ons geschonken is, onze lof voor de verkregen verlossing? Zijn wij ervan doordrongen dat wij onze redding en reiniging alleen aan Hem te danken hebben?
 
Een leven zonder compromissen
Maar wij zien hier nog iets anders. Zo'n leven uit dankbaarheid zal zeker ook moeilijkheden met zich meebrengen. Wij kunnen immers niet God dienen en de wereld. De mensen die ons omringen zullen aandringen op het sluiten van compromissen.
Naäman had ook zo'n probleem. Hij was zich onmiddellijk daarvan bewust en noemde het eerlijk tegenover Elisa (2kon.5:18). Zijn heer, de koning van Aram, zou vast wel een afgodendienaar blijven. Mocht hij als de lijfdienaar van de koning, die op zijn arm leunde (vgl. 2kon.7:2), de afgodstempel betreden? Zou de Here het hem vergeven als hij zich uit hoofde van zijn functie mee zou neerbuigen voor Rimmon?
(Rimmon was de god van de Arameeërs en de Assyrische god van de donder. Hij is dezelfde als Hadad (waarvan de naam Benhadad is afgeleid). Soms komen beide namen gecombineerd voor in de volgorde Hadad-Rimmon - Zach. 12:11)
 
Hij kreeg geen ingewikkeld antwoord. De profeet zei eenvoudig: "Ga in
vrede"
(2kon.5:19).
Dat betekent niet dat Elisa een dergelijke tweeslachtigheid goedkeurde. Het was onmogelijk om God te dienen en Rimmon, zelfs al gebeurde dit laatste slechts voor de vorm. God wil niet dat een gelovige gemeenschap heeft met de afgoden (1Kor.10:14vv.). Maar de Here zou deze moeilijkheid wel op zijn tijd en wijze oplossen. Daarvan was Elisa overtuigd en daarom kon hij Naäman geruststellen.
De bekeerde Naäman kon zijn weg met blijdschap reizen, zoals dat in het Nieuwe Testament zo mooi gezegd wordt van de Ethiopische hoveling (Hand.8:39). De vrede die hij had gevonden, kon niemand hem ontnemen.
 
Daarom was dit ook een heel wijs antwoord. Mensen die pas tot bekering en geloof gekomen zijn, moeten geen lange lijst met geboden en verboden voorgeschoteld krijgen. Zij moeten in geloof en vertrouwen hun weg leren gaan. God Zelf zal hen leiden in het rechte spoor en hen helpen om hun problemen tot een oplossing te brengen.

Vragen
1. Hoe brengt u God dank voor de verkregen verlossing?
2. Welk "altaar" hebt u?
3. Welke rol spelen compromissen in uw leven als gelovige?

Gehazi verrijkt zichzelf
Het slot van dit hoofdstuk vormt de donkere tegenhanger van het verhaal over Naämans reiniging. De hebzucht van Gehazi steekt schril af tegen de onbaatzuchtigheid van Elisa. De leugens van de dienstknecht doen de oprechtheid van de meester des te sterker uitkomen.
 
Wij zien hier ook dat God hart en nieren toetst (Ps.7:10; Jer.11:20). Hij oordeelt de gedachten en overleggingen van het hart (Hebr.4:12). Hij brengt zelfs aan het licht wat in de duisternis verborgen is en maakt de raadslagen van de harten openbaar (1Kor.4:5). Hij is machtig om naambelijders te ontmaskeren, want Hij weet alle dingen. Zo krijgen wij hier te horen wat Gehazi bij zichzelf dacht en wat voor plan hij beraamde (2kon.5:20). Hij ging uit van de gedachte dat zijn geheim wel verborgen zou blijven. Hij hield geen rekening met de levende God. Wat een misrekening, wat een vergissing, te denken dat hij ongestraft misbruik kon maken van zijn positie en van de autoriteit van de man Gods!
 
Gehazi viel, gedreven door de begeerte naar geld en goed, van de ene zonde in de andere. Het is een droevige zondenlijst van leugen en bedrog, van minachting voor zijn meester en misbruik van diens gezag.
Inderdaad, de geldzucht is een wortel van alle kwaad (1Tim.6:10). En de hebzucht is afgodendienst (Kol.3:5). Hij bestond het zelfs te zweren bij de Here: "Zo waarachtig als de Here leeft." Wat een schaamteloze eed! Gehazi voerde wel een vrome vlag, maar hij zou snel ontmaskerd worden.
 
De knecht van de profeet had weinig respect voor de handelwijze van zijn heer. Onbegrijpelijk dat zijn meester die Arameeër, die vijand van Israël, zo geheel belangeloos had geholpen. Dat Naäman daardoor de God van Israël had leren kennen en uit genade had leren leven, vond hij kennelijk van minder belang. Het was toch zonde zo'n kans voorbij te laten gaan! Snel erachter aan om dit verzuim goed te maken.
 
Naäman zag dat iemand hem achterna kwam. Hij sprong van zijn wagen af en vroeg bezorgd: Is het wel? Gehazi had zijn leugen klaar. Er waren twee (arme) profeten bij Elisa gekomen. Nu was de vraag of zij een talent zilver en twee bovenklederen zouden kunnen krijgen.
Natuurlijk, antwoordde Naäman. Hij was blij dat hij zijn dankbaarheid ook op deze manier nog kon tonen, en gaf het dubbele van het gevraagde zilver. Met behulp van twee van Naämans knechten droeg Gehazi alles naar de heuvel bij Elisa's huis. Daar nam hij afscheid van de mannen. De schat verborg hij op een veilige plaats (2kon.5:21-24).
 
De confrontatie met Elisa
Alsof er helemaal niets was gebeurd, ging Gehazi vervolgens als een trouwe dienaar voor zijn heer staan. Elisa stelde een ontdekkende vraag: "Van waar, Gehazi?" Het was een indringende vraag, zoals wij die wel vaker tegenkomen in de Schrift ("Waar zijt gij?"; "Wat hebt gij gedaan?"; "Van waar komt gij, en waar zult gij heengaan?", Gen.3:9; 4:10; 16:8).
 
Met een laatste leugen probeerde de knecht van de profeet zijn bedrog te bedekken: "Uw knecht is noch herwaarts noch derwaarts gegaan" (2Kon.5:25). Daarop volgde zijn ontmaskering. Elisa had op bovennatuurlijke wijze alles meegemaakt en had gezien wat zich had afgespeeld: "Ging niet mijn hart mee?" (2kon.5:26a).
 
Elisa stelde nog een laatste retorische vraag: "Was het tijd, om dat zilver te nemen, en om klederen te nemen, en olijfbomen, en wijngaarden, en schapen, en runderen, en knechten, en dienstmaagden?" (2kon.5:26b). Gehazi dacht inderdaad dat dit de kans van zijn leven was om een beter bestaan te kunnen opbouwen. Hoeveel gelovigen zijn ook nu nog in de ban van de materiële welvaart!
 
Maar als wij nog een andere, enigszins vrije toepassing van dit vers mogen maken, dan zien wij hier dat Gehazi niet onderkende in welke tijd hij leefde.

  • Hij realiseerde zich niet dat het een tijd was waarin het oordeel voor de deur stond (vgl. Luk.12:56).

  • Hij begreep niet dat het beter was om met de man Gods smaadheid te lijden, dan in rijkdom en overdaad te leven.

Hoe is dat met ons?

  • Begrijpen wij eigenlijk dat wij leven in de eindtijd?

  • Kennen wij de juiste tijden, zodat wij weten wat Gods volk doen moet (vgl. 1Kron.12:32)?

  • Stemmen wij in met de woorden: "Uw knecht te zijn is groter ere, dan dat ik over de aard' regere"?

Gehazi wordt gestraft
Gehazi werd gestraft met dezelfde ziekte, waarvoor Naäman genezing had gevonden. Nu hij zich het zilver van Naäman onrechtmatig had toegeëigend, kreeg hij ook diens ziekte. Bovendien was het een collectieve straf (vgl. Joz.7:24; Dan.6:25). De melaatsheid zou altijd in zijn familie blijven (2kon.5:27a).
 
Daarop verliet Gehazi zijn meester: "Toen ging hij uit van voor zijn aangezicht, melaats, wit als de sneeuw" (2kon.5:27b; vgl. Exod.4:6; Num.12:10). Volledig getekend door de ziekte "ging hij uit van voor zijn aangezicht". Hij kon niet langer in de nabijheid van Elisa blijven, hoewel hij volgens de wet op de melaatsheid rein verklaard kon worden (Lev.13:13).
 
Deze zware straf was in overeenstemming met de ernst van het kwaad dat hij had bedreven:

  • 1. Hij had zich niet gerealiseerd dat de geldzucht een wortel was van alle kwaad.

  • 2. Hij had toegegeven aan zijn vleselijke begeerten naar geld en goed.

  • 3. Hij had de autoriteit van de man Gods misbruikt tegenover Naäman.

  • 4. Hij had tegenover de profeet gelogen.

  • 5. Hij had een smet geworpen op het genadekarakter van Gods handelen ten opzichte van een niet-Israëliet.

  • 6. Hij had geen juist begrip getoond van de "(eind)tijd" waarin hij leefde.

Maar wat verschrikkelijk voor iemand die zo dicht bij Elisa had geleefd, om zo weg te moeten gaan uit de tegenwoordigheid van de profeet! Wij weten niet of hij hem ooit weer onder ogen gekomen is. Dit is een ernstige waarschuwing voor naambelijders, voor al diegenen die van huis uit vertrouwd zijn met de "Man Gods", maar Hem toch niet kennen met hun hart.
Het einde van Gehazi doet denken aan wat Paulus, een belangrijke Godsman in het Nieuwe Testament, schreef aan mensen die (uiterlijk) beleden de Heer te kennen: "Als iemand de Heer niet liefheeft, die zij vervloekt. Maranatha" (1Kor.16:22). Zo iemand wacht alleen nog het oordeel, het eeuwig verderf, de verwijdering voor altijd van het aangezicht van de Heer.

Vraagt naar den HEER' en Zijne sterkte,
Naar Hem, Die al uw heil bewerkte;
Zoekt dagelijks Zijn aangezicht;
Gedenkt aan 't geen Hij heeft verricht,
Aan Zijn doorluchte wonderdaƒn;
En wilt Zijn straffen gadeslaan.

Vragen:
1. Bent u echt een gelovige? Waardoor weet u dat (vgl. 2 Kor. 13:5)?
2. Is uw hart ten diepste gericht op de afgoden? Realiseert u zich dat u dan evenals Gehazi verwerpelijk bent?
3. Hoe zoekt u met een oprecht hart de nabijheid van Christus, de ware Man Gods?

Uit het Woord der Waarheid, Winschoten. Februari '94
Met toestemming voor electronische distributie overgenomen door BBS
"aCross the Bible" deelnemer van "Christian Mail Network" en "BijbelNet"

   

.

.

 

 

.

 

 

.

 

 


Het Woord Index Bijbel 2 Kon. 2 Kon.5 Totaal
Voordat we bovenstaande teller in werking stelden werden we reeds 180977 bezocht
Helaas stopte die teller met zijn service.