|
H. Bouter jr.
Lezen: 2Kon.4:42-44
42 Er
was een man gekomen uit Baal-salisa; deze bracht de man Gods in
zijn tas brood van de eerstelingen, twintig gerstebroden en vers
koren. En hij zeide: Geef het aan het volk, opdat zij eten. 43
Maar zijn dienaar zeide: Hoe kan ik dit aan honderd man
voorzetten? En hij zeide: Geef het aan het volk, opdat zij eten.
Want zo zegt de HERE: Men zal eten en overhouden. 44 Daarop
zette hij het hun voor, en zij aten en hielden over, naar het
woord des HEREN
Een man uit
Baäl-Salisa
Vrij algemeen neemt men aan dat de spijziging van de honderd
plaatsvond te Gilgal, de plaats die in 2Kon.4:38 voorkomt in het
verhaal van de dood in de pot. De twee verhalen zijn nauw met
elkaar verbonden. Beide geschiedenissen beschrijven een
maaltijdwonder. In het ene geval wordt het aanwezige voedsel
eetbaar gemaakt, in het andere op wonderbare wijze
vermenigvuldigd.
De verteller heeft ook weinig woorden nodig om dit nieuwe wonder
in te leiden. Hij vermeldt alleen dat er een man uit Baäl-Salisa
was gekomen (2Kon.4:42a). Deze kwam om de man Gods brood van de
eerstelingen te brengen. De offeraar zelf blijft naamloos, maar
wel wordt vermeld waar hij vandaan kwam. De plaats Baäl-Salisa
lag in de vruchtbare kustvlakte, op de weg tussen Jafo en Sichem.
De Schrift spreekt ook over het gebied van Salisa. Nadat Saul met
zijn knecht door het gebergte van Efraïm was getrokken, trok hij
ook door het gebied van Salisa (1Sam.9:4).
De combinatie met de naam Baäl (= heer, bezitter) is veelzeggend.
De volledige plaatsnaam is waarschijnlijk Bet-Baäl-Salisa
geweest. Zoals er een 'huis van de heer' (Bet = huis) in Salisa
was, waren er overal in Kanaän plaatsen - dus eigenlijk
'godshuizen'(!) - waar men de Baäl (de heer) diende. Baäl was
een bekende Kanaänitische godheid, die ook in Fenicië en elders
werd vereerd. Israël had de Baälsdienst (een
vruchtbaarheidscultus) in Kanaän moeten uitroeien, maar daarvan
was weinig terechtgekomen. Reeds in het Overjordaanse bedreef het
afgoderij met Baäl-Peor (Num.25:1-3). En slechts een generatie na
de intocht in het beloofde land verliet het opnieuw de HERE en
ging de Baäls dienen (Richt.2:11). Ook ten tijde van Samuël, de
laatste richter, dienden de Israëlieten nog de Baäls (1Sam.7:4).
Samuëls optreden maakte daaraan echter een einde, zodat de
Israëlieten de HERE alleen gingen dienen.
Na de scheuring van het rijk stelde Jerobeam een nieuwe eredienst
in, om de dienst van de HERE te Jeruzalem na te bootsen. Doordat
hij echter twee gouden kalveren liet vereren in Betel en Dan,
ontstond er een vermenging van de dienst van Jahweh met de oude
Baälsdienst. Want het stierkalf was bij de Kanaänieten en ook
bij andere volken een belangrijk godssymbool (Exod.32:4;
1Kon.12:28).
Zo werd het volk rijp gemaakt voor de openlijke afgoderij onder
Achab. De Baälsdienst kreeg een krachtige stimulans na diens
huwelijk met Izebel, de dochter van Etbaäl, de koning van de
Sidoniërs. Achab bouwde een Baälstempel (een 'huis van de heer')
te Samaria, die later door Jehu werd omvergehaald (1Kon.16:31-33;
2Kon.10:26-28). Door het optreden van Elia verloor de Baälsdienst
wel terrein, maar werd hij niet uitgeroeid.
Ahazia, de zoon van Achab, raadpleegde Baäl-Zebub, de god van
Ekron (2Kon.1:2). Daarom is het zo treffend dat hier een man kwam
uit Baäl-Salisa, uit een plaats die in het teken stond van de
afgodendienst, om een geschenk te brengen aan de man Gods. Deze
vertegenwoordiger van het overblijfsel dat God ook in die donkere
tijd had naar de verkiezing van de genade, gaf op die manier
uitdrukking aan zijn trouw jegens de God van Israël. God wist
waar hij woonde, om zo te zeggen, daar waar 'de troon van de
satan' was (vgl. Openb.2:13).
En Hij liet het optekenen in zijn Woord. Maar gelukkig bleek deze
man vast te houden aan Gods naam. Kennelijk hebben wij hier één
van de getrouwen onder Gods volk, één van de zevenduizend mannen
die hun knie voor Baäl niet gebogen hadden (1Kon.19:18;
Rom.11:4). Wat een voorbeeld voor ons die leven in een tijd
waarin, ondanks de invloed van Reformatie en Reveil, afgoderij en
valse profetie hand over hand toenemen.
Brood van de eerstelingen
Wat hij de man Gods bracht, was brood van de eerstelingen:
twintig gerstebroden en vers koren (2Kon.4:42b). Waren dit
officiële eerstelingen, bestemd voor de HERE en af te dragen aan
het heiligdom?
Volgens sommigen was dit niet het geval en zouden wij slechts
moeten denken aan een geschenk, een attentie voor de profeet.
Anderen denken echter wel in die richting en zien in deze
eerstelingen dus een verplichte bijdrage die men moest brengen
voor de dienst van de HERE: 'Het beste der eerstelingen van uw
bodem zult gij in het huis van de HERE, uw God, brengen'
(Ex.23:19; 34:26; vgl. Lev.23:9-22; Deut.26:1-11).
Dit eerste deel van de opbrengst van het land was bestemd voor de
priesters: 'Al het beste van de olie en al het beste van most
en koren, het eerste daarvan, dat zij de HERE geven, geef Ik u. De
eerstelingen van alles wat op hun land is, die zij de HERE
brengen, zullen voor u zijn; al wie in uw gezin rein is, zal het
eten' (Num.18:12,13; vgl. Deut.18:4; Ezech.44:30). Daarnaast
moesten de Israëlieten de tienden van al hun inkomsten afstaan
aan de Levieten (Num.18:21vv.).
Het dilemma waarvoor deze man uit Salisa zich gesteld zag, was dan
als volgt: moest hij zijn eerstelingen brengen bij een van de
heiligdommen in het 10-stammenrijk, Betel of Samaria, of moest hij
zijn heffing afdragen aan de tempel te Jeruzalem? Het eerste was
een ontoelaatbaar compromis met een eigenwillige, ja, afgodische
godsdienst, het laatste was om praktische redenen onuitvoerbaar.
Want hoewel de koningen van Israël en Juda in die tijd elkaars
bondgenoten waren, zullen zij niet hebben toegestaan dat hun
onderdanen hun godsdienstige plichten buitenslands vervulden.
De oplossing lag voor de hand: hij kon zijn gaven brengen bij de
man Gods, de leidsman van de profeten die vasthielden aan de
dienst van de HERE. Elisa zou dan wel zorgen voor een eerlijke
verdeling van zijn offergave. De trouwe profeten namen zodoende de
plaats in van de ontrouwe priesters van het 10-stammenrijk.
Deze eerstelingen waren méér dan een geschenk. Zij waren een
offergave aan de HERE, die door diens vertegenwoordiger (de man
Gods) in ontvangst kon worden genomen. Het feit dat hier sprake is
van twintig gerstebroden en bovendien van vers koren, wijst ook in
die richting. Want wij lezen in de wetten van Mozes zowel over een
heffing van gerstekoeken als over een spijsoffer van verse groene
aren (Lev.2:12,14; Num.15:17-21). Deze verse aren werden in het
vuur geroosterd en als een delicatesse gegeten.
Het is opmerkelijk dat bij de spijziging van de vijfduizend in het
Nieuwe Testament ook sprake is van gerstebroden (Joh.6:9,13). De
eerste schoof van de gersteoogst werd op de dag na de sabbat die
volgde op het Pascha, dus op de éérste dag van de week, als een
beweegoffer aan de HERE aangeboden (Lev.23:9vv.). De gerst is een
beeld van Christus als de Eersteling uit de doden (vgl.
1Kor.15:20).
Wij mogen ons geestelijk gesproken voeden met de opgestane Heer,
in Wie wij nu al het eeuwige leven hebben en ook de zekerheid
bezitten van onze eigen opwekking op de laatste dag
(Joh.6:39,40,44,54). Wie zou dit voedsel, dat blijft tot in het
eeuwige leven, niet op prijs stellen?
Geef het aan het volk
Elisa dacht niet aan zichzelf, maar aan de hongerende menigte.
En hij aarzelde niet om hun dit brood van de eerstelingen voor te
laten zetten, zoals ook David in geval van nood niet aarzelde om
'heilig brood' (d.w.z. toonbroden bestemd voor de priesters) aan
zijn manschappen te geven (1Sam.21:4-6).
Daar klonk zijn bevel: 'Geef het aan het volk, opdat zij eten'
(2Kon.4:42c).
Hier is opnieuw sprake van 'het
volk', evenals in het voorgaande verhaal van de dood in de pot
(2Kon.4:41). Het is mogelijk dat het gezelschap van de profeten
inmiddels was uitgebreid met een aantal leden van de plaatselijke
bevolking. Elisa voelde met hen mee en wilde ook hun gastheer
zijn. Wij zien bij hem iets van Christus' bewogenheid met de
menigten, die waren als schapen zonder herder. Als de
vertegenwoordiger van een genadige en gevende God handelde hij als
een royale gever: 'Gééf het aan het volk, opdat zij eten.' Dit
principe van het vrijwillige geven geldt ook voor ons als
discipelen van de Heer: 'U hebt het voor niets ontvangen, geeft
het voor niets' (Matth.10:8); 'Geeft en u zal worden gegeven'
(Luk.6:38); 'Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen'
(Hand.20:35); 'God heeft een blijmoedige gever lief' (2Kor.9:7).
Hoe kan ik dit aan honderd man voorzetten?
Wanneer wij zo handelen kan het gebeuren dat ons geloof op de
proef wordt gesteld. Elisa had in ieder geval geloof, en dat
stelde hem in staat als een milde gastheer op te treden - hoewel
hij ook wel wist dat twintig gerstebroodjes menselijkerwijs
gesproken niet toereikend waren (vgl. Luk.11:5vv.). Bij zijn
dienaar, waarschijnlijk Gechazi, constateren wij een totaal andere
houding. Hij sprak veeleer de taal van het ongeloof: 'Hoe kan
ik dit aan honderd man voorzetten?' (2Kon.4:43a).
Een soortgelijke reactie zien wij bij de discipelen bij de
spijziging van de vijfduizend en de vierduizend. Het ontbrak hun
ook aan geloof toen zij de opdracht kregen van de Heer: 'Geeft
u hun te eten.' Zij gingen eveneens te rade bij hun 'gezonde
verstand' en zeiden: 'Wij hebben hier niets dan vijf broden en
twee vissen - maar wat is dat op zovelen?' (Matth.14:16,17;
Joh.6:9).
De Heer had echter geduld met zijn discipelen en wilde hen toch
gebruiken om het aanwezige voedsel, dat Hij vervolgens op
wonderlijke wijze vermenigvuldigde, te verdelen onder de menigten.
Evenzo mogen wij kanalen van zegen zijn voor mensen die hongeren
naar het woord van het leven. De Heer geeft het levende brood, en
wij mogen het als blijde boodschappers doorgeven aan anderen. Hoe
het mogelijk is dat dit voorziet in de meest wezenlijke behoeften
van het menselijk hart, kunnen wij met ons verstand niet
verklaren. Het bewijs wordt eenvoudig geleverd als men ervan
uitdeelt en 'eet'.
Men zal eten en overhouden
Op de tegenwerping van zijn knecht herhaalde Elisa slechts
zijn bevel: 'Geef het aan het volk, opdat zij eten'
(2Kon.4:43b). Maar hij voegde er ook nog iets aan toe om zijn
opdracht nader te motiveren: 'Want zo zegt de HERE: [Men zal]
eten en overhouden' (2Kon.4:43c).
Het was niet alleen mogelijk met zo weinig brood de honger van
honderd man te stillen, men zou zelfs nog overhouden! Mogelijk had
de profeet deze belangrijke openbaring zojuist ontvangen. De
godsspraak was kort en krachtig: 'eten en overhouden'. Maar deze
enkele woorden veranderde de hele situatie.
Het volgende vers toont ons hoe God zijn woord gestand deed: 'Daarop
zette hij het hun voor, en zij aten en hielden over, naar het
woord des HEREN' (2Kon.4:44). De nadruk valt hier op het woord
van God als het middel dat het wonder tot stand bracht (vgl.
1Kon.17:14, 16). Er kwam geen daad van Elisa aan te pas, zoals bij
eerdere wonderen wel het geval was (2Kon.2:21; 4:41). Is het woord
van de Heer genoeg voor ons?
Eten, verzadigd worden en overhouden gold als een bijzondere zegen
in Israël. Dat overkwam Ruth op het veld van Boaz (Ruth 2:14).
David sprak erover in zijn herderspsalm (Ps.23:5). Hij had niet
alleen voldoende, maar zijn beker vloeide over. Bij de opwekking
onder Hizkia hield men ook in ruime mate over (2Kron.31:10).
De godsspraak 'eten en overhouden' brengt ons echter ook bij het
hart van het evangelie. Dat zien wij niet alleen bij de
overgeschoten brokken na de spijziging van de vijfduizend
(Joh.6:12,13). Het is een thema dat vaker voorkomt bij Johannes.
Bij de Heer is steeds een volheid van leven, van vreugde, van
verkwikking en zegen te vinden.
Hij zorgt voor overvloed van wijn, voor stromen van levend water
(Joh.2,4 en 7). Hij geeft zijn schapen leven en overvloed, leven
in rijke en overvloedige mate, leven zoals Hij dat alleen kan
geven (Joh.10:10).
Wees, herder
Jezus, wees geloofd,
uw hand is nimmer moe des gevens;
U spijst mij met het brood des levens
zalft mij met vreugde-olie 't hoofd.
Overeenkomsten
tussen Elisa en Christus
Zoals gezegd zijn er duidelijke overeenkomsten tussen de
handelwijze van de man Gods in deze geschiedenis, en die van de
Heer bij de spijziging van de vijfduizend en van de vierduizend in
de Evangeliën (Matth.14:13-21; 15:32-39 en de parallelplaatsen).
Laten wij de overeenkomsten kort samenvatten:
-
Er was
bewogenheid met de hongerende menigte. Elisa zei: 'Geef het
aan het volk, opdat zij eten' (vs.42,43); Christus werd met
ontferming bewogen over de menigte die niets te eten had.
-
Zowel in
2Kon.4:42 als in Joh.6:9,13 is sprake van gerstebroden, een
beeld van Christus in zijn opstandingsheerlijkheid. Hij is het
brood des levens voor ieder die in Hem gelooft.
-
Het voedsel
werd door anderen doorgegeven aan de menigte, door Elisa's
dienaar resp. door de discipelen van de Heer.
-
In beide
geschiedenissen maakte het ongeloof bezwaar tegen de
spijziging.
-
In beide
gevallen was er een overschot na de maaltijd.
Verschillen
tussen Elisa en Christus
Christus is echter hoger dan Elisa. Laten wij daarom tot slot
nog wijzen op de aanzienlijke verschillen tussen beide wonderen:
-
De menigten
die de Heer spijzigde, waren veel groter. Hier is sprake van
honderd man, in de Evangeliën van vijfduizend resp.
vierduizend mannen, behalve vrouwen en kinderen.
-
Christus
gebruikte minder broden, geen twintig maar slechts vijf resp.
zeven.
-
De maaltijd
was rijker: er was vis bij het brood. De twee (of: enkele)
visjes werden eveneens op wonderbare wijze vermenigvuldigd.
Zo zien wij dat
Christus in alle dingen de éérste plaats inneemt (vgl.
Kol.1:18). Van Elisa mogen wij opzien naar Christus, de grote
Profeet. Hij is machtig om te voorzien in al onze behoeften. Een
nog groter wonder is dat wij ons mogen voeden met Hem Zelf als het
ware levensbrood.
Bode van het Heil
in Christus, november '93 |