|
H. Bouter jr.
Lezen: 2 Koningen
4:38-41
38 Toen
Elisa naar Gilgal terugkeerde, was er honger in het land.
Terwijl de profeten voor hem gezeten waren, zeide hij tot zijn
knecht: Zet de grootste pot op en kook moes voor de profeten. 39
Daarop ging er een naar het veld om groenten te plukken; en
hij vond een wilde slingerplant en plukte daarvan wilde
kolokwinten, zijn kleed vol. Toen hij teruggekomen was, sneed
hij die in stukjes in de moespot; want zij kenden ze niet. 40
Vervolgens schepte men voor de mannen op om te eten. Maar
zodra zij van het moes hadden gegeten, schreeuwden zij het uit:
De dood is in de pot, man Gods! En zij konden het niet eten. 41
Doch hij zeide: Haal dan meel. En hij wierp het in de pot en
zeide: Schep op voor het volk, opdat zij eten. Toen was er niets
kwaads meer in de pot.
Elisa opnieuw
te Gilgal
Toen Elia ten hemel werd opgenomen, was hij samen met Elisa uit
Gilgal gegaan (2:1). Gilgal was hun vertrekpunt, en daarmee was
het tevens het beginpunt van Elisa's dienst onder het volk. Via
Bethel en Jericho, waar nederzettingen van de profeten waren
gevestigd, waren zij naar de Jordaan getrokken. Nadat zij die
waren overgestoken, was Elia in een storm ten hemel gevaren. God
nam zijn dienstknecht tot Zich buiten het beloofde land, waar men
de afgoden diende en in toenemende mate Gods oordelen over zich
afriep.
Daarop begon Elisa de terugreis en bezocht opnieuw de reeds
genoemde plaatsen - maar nu in omgekeerde volgorde. Nadat hij de
Jordaan was overgestoken, maakte hij het water te Jericho gezond,
en reisde vervolgens naar Bethel, waar hij de spottende knapen uit
die stad vervloekte in de naam des Heren (2:18,23). Na diverse
omzwervingen lezen wij pas in 4:38 dat de profeet terugkeerde naar
Gilgal.
Hier verrichtte hij opnieuw een wonder. Zoals hij eerder het
slechte water te Jericho gezond maakte, zodat er geen dood of
misgeboorte meer uit voortkwam, maakte hij in Gilgal de dood in de
pot onschadelijk. Het eerste wonder vond plaats door zout in de
bron te werpen, het tweede door meel te werpen in de moespot. Zo
maakte Elisa het oneetbare voedsel weer eetbaar, en toonde hij
zich opnieuw de heilbrenger van Godswege. Hij is hierin een
treffend beeld van onze Redder, de Heer Jezus Christus, die de
dood voorgoed heeft overwonnen en nu nieuw leven tevoorschijn
roept - ook in situaties van dorheid en doodsheid onder Gods volk.
Gilgal was dus het uitgangspunt van de dienst van de profeet, en
de plaats waarheen hij hier terugkeerde. Maar welk Gilgal wordt er
bedoeld? Het Gilgal bij de Jordaan, waar onder Jozua de
besnijdenis plaatsvond? Of het Gilgal ten noorden van Bethel, of
nog noordelijker bij Sichem? Dat is voor ons niet meer te
achterhalen.
Wij volgen hier echter de traditionele uitlegging dat het gaat om
het Gilgal ten oosten van Jericho (Joz.4:19). Dit Gilgal van het
boek Jozua was de plaats van de besnijdenis, het uitgangspunt van
de veroveringen in het beloofde land. Zoals Jozua na de strijd
telkens weer terugkeerde naar de legerplaats te Gilgal, keerde
Elisa hier ook terug naar het beginpunt van zijn dienstwerk.
Dit detail is voor ons eveneens van belang, wanneer wij namelijk
het voorbeeld van deze godsmannen toepassen op onszelf. 'Als
iemand meent een profeet te zijn of geestelijk' (1Kor.14:37), laat
hij dan telkens terugkeren naar Gilgal, naar de plaats van de
besnijdenis! Met andere woorden: laat hij erkennen dat het vlees
geen enkel nut heeft in de dienst van de Heer, en laat hij de
dingen van de oude mens afleggen.
Er was honger in het land
Toen Elisa naar Gilgal terugkeerde, was er een hongersnood in
het land. Zeer waarschijnlijk is dit dezelfde hongersnood waarvan
melding wordt gemaakt in 2Kon.8:1, die maar liefst zeven jaar
duurde.
Terwijl de Sunamitische op raad van Elisa wegtrok uit het land
Israël, waarover de Here deze hongersnood had opgeroepen, bleef
hij zelf op zijn post en deelde hij het droevige lot van het volk
dat zo zwaar werd getuchtigd (deze
hongersnood duurde tweemaal zo lang als die ten tijde van Elia!).
Hij was zich bewust van zijn roeping en probeerde te voorzien in
de behoeften van de profeten. Zo versterkte hij het overblijfsel
van Gods volk 'dat dreigde te sterven' (vgl. Openb.3:1,2).
De honger is een van de vier zware gerichten die God zendt (vgl.
Eze.14:21).
Hoe reageren w¡j als er een 'hongersnood' in het land is?
Erkennen wij dan dat God ons zijn zegen moet onthouden, omdat wij
van Hem zijn afgeweken? Verootmoedigen wij ons voor Hem? Of
trekken wij weg om de tuchtiging te ontlopen?
Dat was wat Elimelech deed in de dagen van de richters (Ruth 1:1).
Elimelech had echter géén woord des Heren om zijn handelwijze te
rechtvaardigen, de Sunamitische had dat wel. Laten wij, als de
Heer ons tuchtigt, zijn tuchtiging niet gering achten en ons aan
Hem onderwerpen en leven (Hebr.12:5vv.).
Laten wij het 'broodhuis' niet verlaten, maar wachten op de
uitkomst van de Heer.
Aan de voeten van de man Gods
Elisa bekommerde zich in deze moeilijke tijden om de profeten
te Gilgal. Hij dacht echter niet alleen aan hun stoffelijke
behoeften, maar ook aan hun geestelijke noden. Zij zaten voor hem
zoals leerlingen zitten voor de meester (2Kon.4:38; vgl. 2Kon.6:1,
en Zach.3:8), om te luisteren naar zijn woord.
Dit doet ons denken aan een bekend voorbeeld uit het Nieuwe
Testament, dat van Maria, 'die ook aan de voeten van de Heer zat
en naar zijn woord luisterde' (Luk.10:39). Dat is een goede plek
voor een discipel van de Heer, om daar door Hem te worden
onderwezen en te worden ingeleid in zijn gedachten. Dat is het
'goede deel', dat nodig is om ons te vormen en later een 'goed
werk' voor Hem te kunnen doen (Luk.10:42; Joh.12:3; vgl.
Matth.26:10).
Het is echter wel een nederige plaats, diep aan zijn voeten. Daar
zijn wij ons ervan bewust dat wij slechts leerlingen zijn en dat
Hij onze Meester is. Aan zijn voeten ontvangen wij zowel vergeving
van zonden, bevrijding van de macht van de zonde, verhoring van
onze gebeden, alsook onderwijs (vgl. Luk.7:37vv.; 8:35,41; 10:39).
Het is tevens de plaats waar wij Hem onze aanbidding mogen brengen
(Luk.17:15,16).
Zet de grootste pot op
Zoals gezegd dacht de man Gods hier aan de stoffelijke noden
van de profeten en hij voorzag daarin op wonderlijke wijze. Wij
zien in hem een type van Christus, die in elk opzicht weet wat wij
nodig hebben en die met Goddelijke rijkdom daarin voorziet. Wij
kunnen ook denken aan het voorbeeld van Paulus, ook een man Gods,
die niet alleen voorzag in zijn eigen behoeften maar eveneens in
die van hen die bij hem waren (Hand.20:34).
Onverschilligheid jegens anderen, medeprofeten, getuigt van een
onchristelijke gezindheid. Elisa was beslist een man van geloof.
Hij gaf zijn knecht opdracht de grootste pot (of: de grote pot) op
te zetten en moes te koken voor het hele gezelschap van de
profetenzonen.
De knecht is hier naamloos, maar mogelijk gaat het om de reeds
eerder in dit hoofdstuk genoemde Gechazi. Als de man Gods op reis
ging, was zijn knecht verantwoordelijk voor het eetgerei en voor
het bereiden van de maaltijden. De grote pot kan behoord hebben
tot de gewone bagage van de profeet, voor het geval dat hij
meerdere tafelgenoten had. Met het moes zal linzenmoes zijn
bedoeld, een linzengerecht zoals Jakob dat aan Esau voorzette
(Gen.25:34).
De profeet zal op zijn reizen een bepaalde hoeveelheid etenswaren
hebben meegenomen. Maar hoe zou deze maaltijd toereikend kunnen
zijn voor alle aanwezigen? In 2Kon.4:43 is sprake van een groep
van honderd man.
Nu staat het niet vast dat het daar om dezelfde personen gaat,
maar die mogelijkheid is toch wel reëel als men aanneemt dat
beide geschiedenissen zich afspeelden in Gilgal. Andere plaatsen
bevestigen ook dat de gemeenschappen van de profeten een
behoorlijke omvang hadden (2:7,16; 6:1).
Als dat zo was, getuigde het bevel van de man Gods van zijn geloof
in de God van Israël. Hij vertrouwde erop dat God ook in een tijd
van hongersnood zou zorgen voor zijn volk, en hij werd hierin niet
teleurgesteld. Zij werden allemaal uit één pot gespijzigd!
Hoewel niet uitdrukkelijk sprake is van een wonderbare
vermeerdering van het beschikbare voedsel, ligt dit wel voor de
hand gezien het aantal personen dat aan de maaltijd deelnam.
Wilde kolokwinten
Maar afgezien daarvan was die dag ongetwijfeld een dag van
wonderen. Een van de aanwezigen stond op en ging naar het veld om
moeskruiden te verzamelen (2Kon.4:39). Misschien was hij wat
verwonderd over het bevel van de profeet, en dacht hij dat het
goed zou zijn een steentje bij te dragen. Zo zou hij de maaltijd
kunnen uitbreiden met een eenvoudige toespijs. Bij de
'(moes)kruiden' of 'groenten' (lett. 'lichtkruid') denkt men wel
aan het kaasjeskruid, dat als bijzonder voedzaam en licht
verteerbaar gold. Het was zijn eigen idee, goed bedoeld maar toch
een daad van onafhankelijkheid. Hij overlegde niet eerst met de
man Gods, hoewel dat in die situatie voor de hand had gelegen. Het
liep dan ook niet goed af.
Het voedsel dat hij zocht, vond hij niet in het veld. Hij vond
echter wel een 'wilde slingerplant' of 'wilde wijnstok' (vgl. de
Statenvert. en vele Engelse vertalingen). Aan de ranken van deze
plant bevonden zich vruchten die hij niet kende: een soort
kolokwinten, ook wel sodomsappels genoemd, kleine bittere meloenen
die braakneigingen opwekken.
Hier gaat het om 'wilde kolokwinten' (Statenvert., NBG vert. en
Leidse vert.), of 'wilde komkommers' (Petr. Canisiusvert.).
De eigenlijke kolokwint komt in de Schrift ook voor, en wel als
versieringsmotief bij de tempel van Salomo; het Hebreeuws gebruikt
voor deze vrucht een verwant woord (1Kon.6:18; 7:24).
De actie van de profetenzoon leek een succes te worden. Er waren
genoeg kolokwinten voorhanden. Misschien had hij ook een mand of
iets dergelijks bij zich, maar daar had hij niet genoeg aan.
Daarom maakte hij van zijn kleed een soort zak en vulde die met de
vruchten. Toen hij was teruggekomen, sneed hij ze in schijfjes in
de pot. Niemand zei er wat van, hoewel zij ze niet kenden en
wisten of ze eetbaar waren.
Misschien is het beter hier met de Vulgata het enkelvoud te lezen:
'...want h¡j kende ze niet.' De veronderstelling is dan dat
niemand op dat moment lette op de kookpot, omdat het moes nog
enige tijd moest koken. De ijverige profetenzoon werd niet
gestoord bij zijn werk, maar de kwalijke gevolgen ervan voor zijn
medebroeders zouden spoedig aan het licht komen.
De dood in de pot
Toen het kooksel eenmaal gaar was, schepte men voor [de]
mannen op om te eten (2Kon.4:40). De knecht van Elisa begon,
wellicht met enkele helpers, de eerste porties uit te reiken. Toen
een paar mannen het eten hadden geproefd, sloegen ze onmiddellijk
alarm. Ze dachten dat ze vergiftigd waren en riepen: 'De dood
is in de pot, man Gods!'
Niemand van de gasten zal er zoveel van hebben gegeten dat er echt
doodsgevaar dreigde, maar de bittere smaak van de kolokwinten
maakte verdere consumptie onmogelijk: '... zij konden het niet
eten.'
Zeker voor een oosterling is alles wat bitter is ook giftig,
en dus dodelijk. Volgens sommigen kunnen kolokwinten ook werkelijk
de dood veroorzaken, als men een flinke hoeveelheid ervan zou
nuttigen of als purgeermiddel zou gebruiken. Nu wij op dit punt
zijn aangekomen, is het goed enkele geestelijke lessen uit deze
geschiedenis te trekken:
-
Allereerst is
het een positieve zaak om gerekend te mogen worden onder de
profeten, zoals dat het geval was met deze naamloze
profetenzoon. Zeker in een tijd van verval en afval is dat van
groot belang. Reeds Mozes verzuchtte: 'Och, ware het gehele
volk des HEREN profeten, doordat de HERE zijn Geest op hen
gave!' (Num.11:29).
En Paulus roept ons ook ertoe op als profeet werkzaam te zijn:
'Jaagt naar de liefde en streeft naar de geestelijke
[uitingen], maar vooral dat u mag profeteren'
(1Kor.14:1vv.).
-
Wij mogen
echter niet handelen in onafhankelijkheid van Christus, de
ware Man Gods, die de Gastheer is en die ons ook in een tijd
van hongersnood voorziet van het nodige voedsel. Wij staan
onder zijn gezag en moeten letten op zijn bevel. Als wij zelf
bittere vruchten oogsten, heeft dat ook kwalijke gevolgen voor
onze medebroeders.
-
Zelfs
schijnbaar goede vruchten kunnen giftig en dodelijk zijn.
Satan probeert altijd te imiteren. Wij moeten niet eten van de
'wilde wijnstok', maar van de 'ware Wijnstok' (Joh.15:1).
Het Nieuwe Testament wijst elke vermenging van ons geestelijk
voedsel met verkeerde elementen van de hand, want dat leidt
tot dorheid en doodsheid van het geestelijk leven.
'De dood is in de pot', wanneer wij zoals de Galaten de
grondslag van de genade verlaten en ons wenden tot wetticisme
en judaïsme. Of wanneer wij zoals de Kolossenzen niet
vasthouden aan het Hoofd, maar een prooi van de vijand worden
door de verderfelijke invloed van wereldse wijsbegeerte en
wereldse inzettingen.
Haal dan meel
Elisa wist de juiste remedie voor het probleem: 'Haal dan
meel' (2Kon.4:41). De oplossing was even simpel als doeltreffend.
De man Gods wierp het heilzame middel eigenhandig in de pot, zoals
hij eens het zout in de bron van Jericho had geworpen om het
slechte water gezond te maken (2Kon.2:19-22; vgl. Ex.15:25). Het
meel neutraliseerde de bittere smaak, en toen bleek er niets
kwaads meer in de pot te zijn.
Zo is het ook in het geestelijke vlak. Als wij moeten erkennen dat
'de dood in de pot is' in ons persoonlijke of gemeenschappelijke
leven, laten wij ons dan wenden tot de Man Gods. Dan komt er een
oplossing voor onze problemen. Ja, Christus Zelf s de oplossing
voor onze moeilijkheden. Als wij het juiste zicht op Hem krijgen,
als H¡j wordt voorgesteld aan ons hart, wordt het bittere zoet.
Als Hij de plaats krijgt die Hem toekomt, is er niets kwaads meer
in ons geestelijk voedsel.
Het meel, dat herinnert aan het fijne meel van het spijsoffer
(Lev.2), spreekt van Christus' reine mensheid. Alléén de Persoon
van Christus verdrijft de schadelijke en dodelijke invloeden van
ander voedsel. Dat zien wij duidelijk bij de Galaten en de
Kolossenzen. Het doel van Paulus' bemoeiingen met de Galaten was
dat Christus gestalte in hen zou krijgen (Gal.4:19). En aan de
Kolossenzen stelt Hij ook alleen Hem voor, in Wie al de schatten
van wijsheid en kennis verborgen zijn (Kol.2:3vv.). Zo wijst dit
wonder van de profeet Elisa te Gilgal heen naar de grote Profeet,
die wonderlijk van raad en groot van daad is.
Bode van het Heil
in Christus, oktober '93 |