|
H. Bouter Jr.
Lezen: 2 Koningen
3:1-27
Een verkeerde
alliantie
Met dit hoofdstuk begint het eigenlijke publieke optreden van
Elisa. Hij had zich gevestigd in Samaria, de hoofdstad van het
noordelijke rijk (2Kon.2:25), kennelijk met de bedoeling om niet
alleen als weldoener op te treden in de kring van de profeten,
maar om ook tegenover de leiders van de afvallige natie te
getuigen van het woord des Heren. In opdracht van zijn hemelse
Zender was hij zelfs met het leger uitgetrokken, toen de koning
van Israël zijn leger mobiliseerde voor een veldtocht tegen Moab.
De relatie van de profeet met koning Joram, de zoon van Achab,
moet echter als ronduit slecht worden getypeerd. Hij weigert hier
aanvankelijk zelfs om hem raad te geven (2Kon.13). Hoewel er
telkens contacten zijn tussen koning en profeet (2Kon.5:3,8;
6:9v.), moet Elisa op een gegeven moment vrezen voor zijn eigen
leven en noemt hij de koning een 'moordenaarszoon' (2Kon.6:32;
vgl. 1Kon.21). Later blijkt de koning wel erg geïnteresseerd te
zijn in Elisa's wonderen; hij wil graag alles weten van de grote
daden die de profeet had verricht (2Kon.8:4).
Voor zover er bij Joram al sprake was van geloof, was het
blijkbaar niet meer dan een 'wondergeloof'. Verder wordt hij
gekenmerkt door fatalisme, zoals blijkt uit zijn klacht in dit
hoofdstuk: 'Ach, voorzeker heeft de Here deze drie koningen
geroepen om hen in de macht van Moab te geven!' Hoewel hij de Here
dus ongerijmde dingen toeschrijft en Hem beschouwt als de Bron van
onheil (2Kon.10,13b; vgl. 2Kon.6:33), is het beeld dat dit
hoofdstuk van hem tekent niet helemaal ongunstig. Het zet min of
meer positief in met de vermelding dat hij niet zo kwaad handelde
als zijn vader Achab en zijn moeder, de goddeloze Izebel, doordat
hij de gewijde steen (of: paal) van Baäl verwijderde, die zijn
vader had gemaakt (2Kon.3:2; 1Kon.16:33). Hij heeft dit
afgodsbeeld echter niet vernietigd , zoals bij de reformatie onder
Jehu wel gebeurde (2Kon.10:27). Evenmin maakte hij een eind aan de
'hoererijen van zijn moeder Izebel en haar vele toverijen', d.i.
de gewijde prostitutie en de occulte praktijken die gepaard gingen
met de door zijn moeder gepropageerde dienst van de Baäls en
Astartes (2Kon.9:22). Bovendien volhardde hij in de zonden die
Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven
(2Kon.3:3).
Al met al krijgen wij dus niet zo'n gunstige indruk van koning
Joram. Het kan dan ook bevreemding wekken dat hij samen met
Josafat, de vrome koning van Juda, de strijd tegen Moab wil
aanbinden. Toch is dit wel begrijpelijk, want zij waren
bondgenoten. Josafat had namelijk na een periode van voorspoed,
toen hij rijkdom en eer in overvloed bezat, vrede gesloten met
Achab (1Kon. 22:45; 2Kron.18:1).
Bovendien verzwagerde hij zich met Achab om het verbond met hem te
bezegelen en te bekrachtigen. De Judese troonopvolger was getrouwd
met een dochter van Achab, mogelijk een (half)zuster van Joram
(2Kon.8:18,26; 2Kron.21:6). Er bestonden dus nauwe banden tussen
de beide koningshuizen van Israël en Juda, na een aanvankelijke
periode van twist en strijd tengevolge van de verdeling van het
rijk onder Rechabeam (1Kon.15:6,7,16,32).
Deze verbroedering had echter niet Gods goedkeuring. Het was een
verkeerde alliantie, die door de ziener Jehu als volgt werd
veroordeeld toen hij Josafat tegemoet ging (nadat deze behouden
terugkeerde uit de strijd tegen Aram, waarin Achab de dood vond):
'Moogt gij de goddeloze helpen en bevriend zijn met hen die de
Here haten?' (2Kron. 19:2). Een dergelijk bondgenootschap tussen
gelovigen en ongelovigen, tussen goed en kwaad, tussen licht en
duisternis, tussen vlees en Geest, wordt ook in het Nieuwe
Testament als een 'ongelijk juk' van de hand gewezen
(2Kor.6:14-18; 2Tim.2:19-22). De verkeerde gevolgen bleven helaas
niet uit: de koningen van Juda, de nazaten van de vrome koning
Josafat, gingen wandelen in de zonden van het tien-stammenrijk en
brachten Juda en de inwoners van Jeruzalem tot afgoderij naar het
voorbeeld van het huis van Achab (2Kon.8:18,27; 2Kron.21:6,
11-13).
Naar het schijnt heeft Josafat slechts tijdelijk gehoor gegeven
aan de vermaning van de ziener Jehu. Hij is een tijdlang in
Jeruzalem gebleven en heeft zich beziggehouden met de regeling van
de rechtspraak onder het volk. Maar hij heeft het bondgenootschap
met het huis van Achab niet verbroken. Dat was te moeilijk; de
familiebanden waren te sterk.
Met de eerste opvolger van Achab, de eveneens goddeloze Achazja,
sloot Josafat opnieuw een bondgenootschap en tevens een
handelsovereenkomst voor de bouw van Tarsis-schepen om - zoals
eertijds Salomo - goud in Ofir te gaan halen. Deze onderneming
liep door een Goddelijk ingrijpen echter op niets uit; de schepen
leden in de thuishaven al schipbreuk (1Kon. 22:49,50;
2Kron.20:35-37). Achazja regeerde slechts twee jaar over Israël
en werd opgevolgd door zijn broer Joram, die wij in dit hoofdstuk
aantreffen.
Merkwaardig genoeg gedraagt Josafat zich ten opzichte van hem even
vriendschappelijk, en stelt hij zich als trouwe bondgenoot
onmiddellijk ter beschikking om met hem op te trekken tegen Moab,
dat reeds na Achabs dood van Israël was afgevallen (2Kon.1:1;
3:5,7a). Deze opstand van de vazalstaat Moab vormde de eigenlijke
aanleiding tot de hier beschreven veldtocht. Jorams overleden
broer had, mogelijk door zijn ziekte, deze opstand niet effectief
kunnen bestrijden. De uitdrukking 'te dien dage' in 2Kon.3:6 moet
dan ook in ruime zin worden opgevat. Zoals gezegd verklaart
Josafat zich bereid om met Joram tegen Moab ten strijde te trekken
en hij gebruikt hierbij dezelfde woorden die hij tegenover Achab
had gebezigd in de strijd tegen Aram: 'Ik ben als gij, mijn volk
is als uw volk, mijn paarden zijn als uw paarden' (2Kon.3:7b;
1Kon.22:4; 2Kron.18:3).
Hiermee wiste hij opnieuw elk onderscheid uit tussen de goddeloze
en degene die God vreest.
Kennelijk liet Josafat zich in dit opzicht meer leiden door
politieke en economische belangen dan door het woord van de Here,
hoewel zijn gedrag en zijn houding toch gunstig afsteken bij wat
wij van zijn bondgenoot Joram lezen. Met de opstand van de
herderskoning Mesa waren namelijk grote belangen gemoeid. Als de
rebellie van Moab ongestraft zou blijven, zou dit voorbeeld wel
eens kunnen worden gevolgd door Edom, de vazalstaat van Juda, waar
een door Juda benoemde stadhouder regeerde (1Kon.22:48). Ten tijde
van de regering van Joram, de zoon van Josafat, is dit ook
werkelijk gebeurd: 'In zijn dagen onttrokken de Edomieten zich aan
de macht van Juda en stelden een koning over zich aan' (8:20).
Hier in 2Kon.3 is de stadhouder-koning van Edom echter nog een
trouwe vazal van de koning van Juda (2Kon.3:9). Op advies van
Josafat trekken de drie koningen en hun legers zelfs op via de
woestijn van Edom (2Kon.3:8), dus via het grondgebied van Juda's
bondgenoot. Want het was veel aantrekkelijker om Moab via een
omtrekkende beweging vanuit het zuidoosten aan te vallen dan
rechtstreeks vanuit het noorden, waar sterke vestingsteden de
grens met Israël bewaakten.
Deze vazalstaten waren bovendien schatplichtig en brachten veel
geld in het laatje. Zo had destijds de schapenfokker Mesa
jaarlijks een enorm tribuut aan Achab gebracht: honderdduizend
lammeren en (de wol van) honderdduizend rammen (2Kon.3:4). De
vazalstaat Edom zal op zijn beurt schatting aan Josafat hebben
betaald. Dat vormde een belangrijke economische reden om een
strafexpeditie tegen Moab te organiseren. Z¢ moest aan deze
nabuurstaten, allereerst natuurlijk aan Moab maar impliciet ook
aan Edom, duidelijk worden gemaakt dat ze het juk niet ongestraft
konden afwerpen. Deze nabuurvolken waren oorspronkelijk reeds door
David overwonnen en schatplichtig gemaakt (2Sam.8), maar men neemt
aan dat Omri de Moabieten opnieuw heeft onderworpen. De bekende
gedenksteen van koning Mesa, die zich in het Louvre bevindt,
vermeldt dat de Moabieten vele dagen door Omri en zijn zoon waren
vernederd, omdat Kemos (de afgod van de Moabieten) vertoornd was
op zijn land.
Zo gingen deze drie bondgenoten met elkaar op weg: de koning van
Israël, de koning van Juda en de stadhouder-koning van Edom. De
vrome Josafat bevond zich hier in het gezelschap van de goddeloze
Joram en van de landvoogd van Edom, wiens stamvader Ezau in de
Schrift eveneens een 'ongoddelijke' wordt genoemd (Hebr.12:16).
Deze alliantie kon zeker niet Gods goedkeuring wegdragen, en dat
werd al spoedig duidelijk: 'Maar toen zij zeven dagreizen
rondgetrokken hadden, was er geen water voor het leger en de
lastdieren die hen volgden' (2Kon.3:9). God onthield hun zijn
zegen, de regen van boven (vgl. Lev.26:3,4; Deut.28:12).
Vermoedelijk was de droge tijd vroeger ingetreden dan men had
verwacht. Zonder water was het leger echter ten dode opgeschreven.
Wat kon men doen in deze benarde omstandigheden?
De koning van Israël reageert angstig en fatalistisch; hij geeft
God de schuld van de tegenspoed (2Kon.3: 10,13b). Deze reactie
klinkt ons niet zo vreemd in de oren. Zeggen de mensen vandaag ook
niet vaak: Als God een God van liefde is, waarom laat Hij dan toe
dat...etc.? De reactie van Josafat is gelukkig heel anders. Hoewel
de nood groot is, raakt hij niet in paniek en wil hij juist Gods
aangezicht zoeken. Josafat vraagt: 'Is hier geen profeet des Heren
om door hem de Here te raadplegen?' (2Kon.3:11a). In deze
moeilijke situatie verloochent hij zijn vroomheid dus niet, zoals
hij dat ook tegenover Achab niet had gedaan (1Kon.22:7,8). En
hoewel de nood hoog gestegen is, is de redding gelukkig nabij. Er
is inderdaad een profeet van de Here aanwezig, en wel in de
persoon van Elisa: 'Toen antwoordde een van de dienaren van de
koning van Israël en zeide: Hier is Elisa, de zoon van Safat, die
water op Elia's handen goot' (2Kon.3:11b). Zijn bekendheid en zijn
gezag berusten hier dus voornamelijk op het feit dat hij de
dienaar van de grote Elia was geweest. Maar Josafat erkent: 'Bij
hem is het woord des Heren' (2Kon.3:12a). Tot dan toe hadden de
aanvoerders van het leger niet aan hem gedacht en hem niet
opgemerkt. Hij was - niet op aanwijzing van mensen, maar
ongetwijfeld op Gods bevel - met het leger meegegaan toen dat
optrok uit zijn woonplaats Samaria.
De koning van Israël had de profeet toen niet om raad gevraagd.
Nu is echter het moment gekomen waarop Elisa naar voren moet
treden en het woord van de Here moet doorgeven. De nood is zo
groot dat de drie koningen hem niet laten halen maar zelf naar hem
toegaan. Letterlijk staat er dat zij naar hem 'afdaalden'
(2Kon.3:12b; vgl. 2Kon.3:16, waar sprake is van een beekdal).
De weg ter overwinning
Hoe reageert Elisa op dit eerbewijs? Zijn antwoord is in eerste
instantie afwijzend: 'Wat heb ik met u te doen? Ga naar de
profeten van uw vader en naar die van uw moeder' (2Kon.3:13).
Elisa voelt zich dus niet gevleid door het bezoek van de drie
koningen en hij denkt er niet aan hen naar de mond te praten. Hij
wil evenals zijn voorganger Elia slechts het woord van de Here
spreken, in wiens dienst (of: voor wiens aangezicht) hij staat
(2Kon.3:14; vgl. 1Kon.17:1; 18:15). Dat is het betrouwbare woord
van de levende God: 'Zo waar de Here der heerscharen leeft'. Elisa
belijdt hier dat deze God die leeft tevens de machtige Here der
heerscharen is, die gezag voert over zowel hemelse als aardse
legerscharen. Zijn raad zal bestaan en Hij openbaart deze aan zijn
knechten, de profeten (Am.3:7).
Het woord van de valse profeten valt hierbij geheel in het niet en
heeft geen enkele waarde. Toch verwijst Elisa koning Joram naar
deze profeten, zijn gebruikelijke raadgevers, die in deze hopeloze
situatie echter geen uitkomst konden bieden. Noch de profeten van
zijn vader Achab, die weliswaar profeteren in de naam van de Here
maar niet geleid worden door de Geest van God (vgl. 1Kon.22), noch
de profeten van zijn moeder Izebel, die openlijk de afgoden dienen
(1Kon.18:19), kunnen de koning helpen.
Joram schijnt dat hier tot op zekere hoogte ook te beseffen,
waarbij hij echter ten onrechte de Here de schuld geeft van het
onheil dat hem nu overkomt (2Kon.3:13b).
Maar hoe kan de Here hem helpen, zolang hij zich niet tot Hem
bekeert met zijn hele hart? Het is het gebed van een rechtvaardige
dat veel vermag (Jak.5:16).
Joram is duidelijk niet zo'n rechtvaardige. Hij beantwoordt niet
aan de voorwaarden die mochten worden gesteld om door de Here te
worden geholpen. Met de vrome koning van Juda ligt dat heel
anders, en het is slechts aan zijn aanwezigheid te danken dat
Elisa toch wil profeteren. Hij kan en mag wel rekening houden met
Josafat, die de Here trouw is gebleven. Letterlijk staat er dat
hij diens 'aangezicht opnam', diens 'gelaat verhief' (2Kon.3:14).
Dat betekent dat hij hem gunstig gezind is.
Voordat Elisa zijn profetie uitspreekt, vraagt hij om een harp- of
citerspeler (2Kon.3:15). Dit is niet zo vreemd als het op het
eerste gezicht lijkt.
De profeet heeft de muzikant nodig als een middel om te kalmeren
na de opwindende discussie met koning Joram (vgl. 1Sam.16:14-23).
De speelman kan zijn gehoor door muziek en zang herinnerd hebben
aan Gods grote daden in het verleden, aan al de wonderen die de
Here had verricht, en dat ondanks de zonden van zijn volk (vgl.
Ps.78). De God die zijn volk telkens weer had verlost, is ook n£
nog machtig om te redden. Het is immers een van de doelstellingen
van de profetie om een van God afgeweken volk bij zijn
geschiedenis te bepalen, opdat het tot inkeer en verootmoediging
komt. De zangers in 1Kron.25 profeteerden eveneens bij het spel
van citers, harpen en cimbalen. Bij het spel van de citerspeler
wordt de geest van de profetie ook vaardig over Elisa. De hand,
d.i. de macht, van de Here komt op hem en hij spreekt de woorden
die de Here hem in de mond legt: 'En hij zeide: Zo zegt de
Here...' (2Kon.3:16,17).
Het is dus niet zomaar een vrijblijvend advies van de profeet,
maar een gezaghebbende uitspraak van God Zelf: 'Zo zegt de Here'.
De koningen zullen zich echter wel hebben verbaasd over het woord
van Elisa: 'Men make in dit dal vele greppels, want zo zegt de
Here: gij zult geen wind voelen en geen stortregen zien; toch zal
dit dal vol water lopen, zodat gij kunt drinken, gij met uw vee en
uw lastdieren' (2Kon.3:16,17). Het beekdal moest een groot
greppelveld worden, en dat zou volgens de belofte van de Here zo
vol water komen te staan dat alle dorst zou worden gelest - nota
bene zonder zichtbare regenval! Bovendien is dit nog maar een
kleine zaak in de ogen van de Here: Hij zal ook Moab volledig in
hun macht geven (2Kon.3:18,19). Misschien zijn deze laatste verzen
een aanvulling van Elisa zelf op de eigenlijke godsspraak. Maar in
ieder geval vereiste deze profetie geloof bij de hoorders, een
onvoorwaardelijk vertrouwen in wat God zegt bij monde van de
profeet.
Geloofsgehoorzaamheid is echter precies wat God van de mens
vraagt. Hij kan en mag het van ons vragen, en Hij zal ons geloof
nooit beschamen.
De les die wij hier leren, is dat ons geloof in Gods Woord de weg
effent om gezegend te worden en de overwinning op de vijand te
behalen. 'Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en
dit is de overwinning die de wereld overwonnen heeft: ons geloof.
Wie is het die de wereld overwint, dan wie gelooft dat Jezus is de
Zoon van God?' (1Joh.5:4,5; vgl. 2:14-17). Wanneer wij Moab hier
zien als een type van de wereld die vijandig tegenover God staat
en ook tegenover zijn kinderen, dan gaat het speciaal om de wereld
in haar gedaante van hoogmoed, gemakzucht en zelfgenoegzaamheid,
om de 'grootsheid des levens' waarover de apostel Johannes spreekt
(vgl. Jes.16:6; Jer.48:11,29; 1Joh.2:16). Kunnen wij de wereld ook
in dit karakter overwinnen? Ja, maar dit is zeker geen eenvoudige
opgave; het kan alleen langs de weg van ootmoed en
zelfvernedering. Wij moeten hiertoe alles van onszelf prijsgeven:
onze wijsheid, onze bekwaamheid, onze trots. Wij moeten leren
zonder meer te buigen voor Gods Woord. Dat blijkt ook in deze
geschiedenis. Voordat de Israëlieten de overwinning op Moab
behaalden, moeten zij zich bukken en in het dal (het dal van de
beproeving!) vele greppels graven. Het is een heel karwei, dat zij
vermoedelijk hebben verricht met de schopjes die tot hun
uitrusting behoren (Deut.23:13). Als dit werk is voltooid, kan God
hun zijn zegen schenken. Er komen letterlijk stromen van zegen. De
greppels lopen de volgende morgen vol water, om de dorst te lessen
van het leger, het vee en de lastdieren (2Kon.3:17,20).
Het water dat uit de richting van Edom komt, is waarschijnlijk te
danken aan een nachtelijke wolkbreuk in het gebergte Seïr. De
wind en de regen waren in Moab niet waarneembaar (2Kon.3:17a),
maar het water van de wolkbreuk stroomt door de bergbeken snel
naar het noorden en bereikte de Israëlieten 's morgens vroeg bij
het brengen van het ochtendbrandoffer in de tempel te Jeruzalem
(2Kon.3:20). Deze bijzonderheid wordt zeker niet zonder reden
vermeld. De zegen voor het volk van God is steeds gegrond op de
waarde van het offer. Dat gold voor Israël, maar het geldt ook
voor ons. De stromen van levend water, waarover Christus spreekt
in verbinding met de uitstorting van de Heilige Geest, konden pas
vloeien n dat Hij het offer van zijn leven had gebracht en
was verhoogd in de hemel (Joh.4:14; 7:37-39). Dit 'water' van Gods
Geest lest de dorst van ons hart, het verfrist en reinigt ons. De
Geest werkt echter door middel van het Woord, dat eveneens met
'water' wordt vergeleken (Ef.5:26).
Zo breekt er een nieuwe dag aan voor het volk van God, een dag van
hoop en verwachting na al het doorstane leed. Des avonds vernacht
het geween, maar tegen de morgen is er gejuich (Ps.30:6). Gods
Geest maakt alle dingen nieuw, en wil ook ons tot overwinnaars
maken. Op deze dag van de overwinning helpt God zijn volk op een
bijzondere wijze. De stralen van de opgaande zon kleuren het water
bloedrood (2Kon.3:22,23). Mogelijk wordt dit effect nog versterkt
door de kleur van de rode aarde uit Edom (= rood), die door de
kolkende watermassa's is losgewoeld en nu aanspoelt in het dal. De
Moabieten trekken hieruit de conclusie dat de legers van de drie
koningen onderling in strijd zijn geraakt en elkaar hebben
verslagen.
Maar dit is een vergissing, zoals zij al spoedig merken
(2Kon.3:24). Als de overmoedige Moabieten bij de legerplaats van
Israël komen, worden ze onverwachts overrompeld en verslagen.
Merkwaardig genoeg wordt hetzelfde water dat de dorst van de
Israëlieten lest, dus tevens het middel dat leidt tot de
ondergang van hun vijanden. Geestelijk toegepast betekent dit dat
onze zegen, die inderdaad daarin is gelegen dat wij (met Christus)
zijn gestorven en dood zijn voor de wereld, juist het oordeel
inhoudt voor deze wereld en voor de natuurlijke mens. Want de mens
die zich in zijn hoogmoed niet met God wil laten verzoenen door de
dood van zijn Zoon, zal zijn oordeel zelf moeten dragen. Hij ligt
onder het doodvonnis en zal straks met de wereld veroordeeld
worden (vgl. Joh.12:31; 16:8).
Zoals Elisa heeft voorzegd, verslaan de Israëlieten de Moabieten
en verwoesten zij hun steden en hun land, tot alleen de hoofdstad
Kir-Chareset nog over is (2Kon.3:25; vgl. echter het voorschrift
van Deut.20:19,20). Vanaf de omringende heuvels bestoken
slingeraars de stad met stenen. Daarop doet koning Mesa met
zevenhonderd man een vergeefse uitbraakpoging in de richting van
de koning van Edom, de zwakste schakel in het leger van de
bondgenoten (2Kon.3:26). Vervolgens dwingt hij zijn tegenstanders
toch tot de terugtocht door zijn eerstgeboren zoon ten brandoffer
te offeren op de stadsmuur, in het gezicht van de Israëlieten.
Met dit mensenoffer, dat voor de Here en voor zijn volk een gruwel
is, hoopt hij de toorn van de Moabitische afgod Kemos te stillen.
Dit gebeurt inderdaad, en er komt nu een grote toorn (ook die van
Kemos?) over Israël, zodat zij van hem wegtrekken en naar hun
land terugkeren (2Kon.3:27). Ongetwijfeld gebeurt dit onder Gods
toelating, zodat de overwinning niet compleet is en Moab zich
uiteindelijk toch kan onttrekken aan de macht van Israël (vgl.
2Kon.13:20). Zo ondervindt het feitelijk afvallige Israël
eveneens Gods tuchtigende hand, en eindigt dit hoofdstuk - dat
overigens vol is van Gods goedheid ten opzichte van zijn volk -
met een anticlimax.
Bode van het Heil
in Christus, november '91 |