Klik hier om "Het Woord" te openen wanneer u alleen deze pagina ziet2 Koningen 2:23

 

2 Koningen 2:23

Vandaar ging hij naar Betel. En toen hij de weg opklom, kwamen er kleine knapen uit de stad, die de spot met hem dreven en hem toeriepen: Kom op, kaalkop! Kom op, kaalkop!

 

Achtergrond informatie

 

 

De spottende knapen van Betel

H. Bouter Jr.

Een reisverslag

Lezen: 2 Koningen 2:23-25

23 Vandaar ging hij naar Betel. En toen hij de weg opklom, kwamen er kleine knapen uit de stad, die de spot met hem dreven en hem toeriepen: Kom op, kaalkop! Kom op, kaalkop! 24 Toen wendde hij zich om, zag hen en vervloekte hen in de naam des HEREN. Toen kwamen er twee berinnen uit het woud en verscheurden tweeënveertig van die kinderen. 25 En hij ging vandaar naar de berg Karmel, en vandaar keerde hij terug naar Samaria.

De korte maar ernstige geschiedenis van de spottende knapen van Betel wordt verteld in het kader van een reisbeschrijving.
Elisa ging de weg terug die hij met Elia had afgelegd: van Jericho ging hij naar Betel (2Kon.2:23; vgl. 2Kon.2:2-4). Vandaar trok hij naar de berg Karmel, waar hij voor kortere of langere tijd heeft gewoond (2Kon.2:25; vgl. 2Kon.4:25,27); en vandaar keerde hij terug naar Samaria, de hoofdstad van het tien-stammenrijk, waar hij een huis had (2Kon.2:25; vgl. 2Kon.5:3,9; 6:32). Hij verbleef echter (tijdelijk) ook nog in Sunem (2Kon.4:8), Gilgal (2Kon.4:38), Jericho (2Kon.6:1,2), en Dothan (2Kon.6:13). De profeet was wel een lang en vruchtbaar, maar geen rustig leven beschoren.
De noden en behoeften van het volk van God brachten hem overal waar men hem nodig had. Zo trok ook Christus, de grote Man Gods, later door het hele land Israël en liet Hij een spoor van zegen achter. Van de apostel Paulus lezen wij eveneens dat hij 'dikwijls op reis' was (2Kor.11:26).
 
Misschien heeft Elisa zich op de berg Karmel (2Kon.2:25) in de eenzaamheid teruggetrokken. Hij wil zich verder voorbereiden op zijn dienst onder Israël, om zich daarna te vestigen in de hoofdstad Samaria. Elisa schijnt in de kringen van het hof geen onbekende te zijn geweest. In tegenstelling tot Elia, die veel meer een boeteprediker was zoals Johannes de Doper - de stem van een roepende in de woestijn - bewoog Elisa zich onder koningen en hooggeplaatsten (zie 2Kon.3, 5-9, 13). Terwijl Elia zich moest verbergen in de eenzaamheid bij de beek Krit en later onderdak vond bij een arme weduwe (1Kon.17), woonde Elisa bij een welgestelde vrouw (2Kon.4). In de kringen van de profeten des Heren nam hij eveneens een voorname plaats in (zie 2Kon.2, 4, 6, 9).
 
Het verhaal van de spottende knapen van Betel toont ons echter dat de achting voor Elisa niet algemeen was. Maar Betel (bij de zuidgrens van het tien-stammenrijk) was dan ook een van de beide centra van de eigenwillige godsdienst die door Jerobeam na de scheuring van het rijk was ingesteld (1Kon.12).
Dit was een heidense imitatie van de dienst van Jahweh, een kalverdienst die mogelijk uit Egypte stamde en waaraan Israël zich tijdens de woestijnreis ook reeds had bezondigd (Exod.32). Hoewel ons nergens wordt meegedeeld dat Elia en Elisa openlijk tegen deze dienst zijn opgetreden - zoals de man Gods uit Juda wel deed - zullen zij zich zeker niet daaraan hebben geconformeerd. Het is duidelijk dat Elisa wel in andere steden woonachtig is geweest, maar zich niet in Betel heeft willen vestigen (zie boven). In dit opzicht volgde hij het voorbeeld van de man Gods uit Juda, aan wie het ten strengste verboden was om enige vorm van gemeenschap met de zonde van Jerobeam te hebben.
De profetenzonen zullen het voorbeeld van Elia en Elisa, hun geestelijke leidslieden, ongetwijfeld hebben gevolgd en zich afzijdig hebben gehouden van de altaardienst te Betel (zoals ook het - overigens merkwaardige - gedrag van de oude profeet te Betel reeds aangeeft, 1Kon.13).
Naast deze kalverendienst, die tot aan de ballingschap is gepraktiseerd en pas door koning Josia definitief is beëindigd (2Kon.17 en 23), kende men in Israël met name de dienst van Baäl, die echter door het krachtige optreden van Elia en later door dat van Jehu is uitgeroeid (1Kon.18; 2Kon.10).
 
De spotters te Betel
We kunnen ons dus wel indenken dat men Elisa bepaald niet gunstig gezind was te Betel en dat hij niet welkom was in de stad, behalve natuurlijk in de kring van de profeten (
2Kon.2:2,3). De spot die de knapen uit Betel met hem dreven, weerspiegelde dan ook het algemeen gevoelen dat daar heerste, de geest van afkeer van en rebellie tegen de ware dienst van Jahweh en degenen die Hem trouw waren gebleven. Zo ouders, zo kinderen. Deze 'kleine knapen' of 'kinderen' (2Kon.2:23,24) hebben hun spottaal niet zelf bedacht. Ze hebben die - al dan niet bewust - overgenomen van hun ouders en van het milieu waarin ze verkeerden. De woorden 'knapen' en 'kinderen' hebben in het Hebreeuws overigens een nogal rekbare betekenis; 'jongens' of 'jonge mannen' is een vertaling die elders voorkomt (1Sam.16:11; 1Kon.3:7; 12:10). In ieder geval was het gedrag van deze jongens typerend voor de verkeerde geestelijke atmosfeer waarin zij opgroeiden.
 
Hier blijkt weer eens de grote verantwoordelijkheid van ouders en opvoeders. Brengen wij de kinderen en jonge mensen eerbied bij voor God en zijn Woord, en respect voor de dienstknechten van dat Woord?
Of behoren wij misschien zelf tot de kring van de spotters, die in het laatst van de dagen met spotternij komen (vgl. Ps.1:1; 2Petr.3:3)?
Elke spot met de dingen van God, elk onbegrip van de hemelse dingen, elke vorm van ongeloof ten aanzien van de wederkomst van Christus en het rechtvaardige oordeel van God heeft een negatieve invloed op degenen die ons omringen en die aan onze zorgen zijn toevertrouwd. Laten wij de les van dit gedeelte ter harte nemen, want deze dingen zijn ook tot waarschuwing voor ons beschreven.
 
De spot van de jeugd van Betel had desastreuze gevolgen, niet alleen voor henzelf maar ook voor anderen. Want de vloek die Elisa over deze jongens uitsprak, trof indirect ook hun ouders, ja, de hele stad - evenals heel Egypte werd getroffen door de laatste plaag en treurde over de dood van de eerstgeborenen (Exod.12). Deze vloek in de naam des Heren, een rechtstreeks oordeel van de kant van God, toont ons wat het verschrikkelijke einde is van de spotters van de laatste dagen
(zie de Brief van Judas en 2Petr.3).
Het illustreert ook het belangrijke beginsel dat 'het oordeel begint bij het huis van God' (1Petr.4:17). Betel betekent immers 'huis van God'. God kan de oneer die daar zijn naam wordt aangedaan zeker niet ongestraft laten.
Ook voor de spotters van onze tijd, goddelozen die zijn binnengeslopen onder de christenen, die niet letten op Gods lankmoedigheid en harde woorden tegen Hem spreken en zijn dienaars smaad aandoen, staat het vonnis vast.
 
Wij zien in deze geschiedenis eveneens een treffende parallel met dat wat het hele volk Israël overkwam in Gods regeringswegen: 'De Here zond wel zijn boden tot hen, vroeg en laat, want Hij ontfermde Zich over zijn volk en zijn woning, maar zij bespotten de boden Gods, verachtten zijn woorden en hoonden zijn profeten, totdat de gramschap des Heren zich zozeer tegen zijn volk verhief, dat geen herstel meer mogelijk was' (2Kron.36:15,16).
 
Het is dan ook helemaal ten onrechte dat sommige uitleggers moeite hebben met dit gedeelte en het zien als een misplaatste 'wraakactie' van de profeet die zich in zijn waardigheid aangetast zou voelen. Het ging Elisa zeker niet om zijn eigen eer, maar om de smaad die de naam des Heren werd aangedaan. Daarom sprak hij het oordeel ook uit 'in de naam des Heren' (2Kon.2:24).
Deze knapen dreven duidelijk de spot met het werk dat God in zijn genade nog temidden van Israël deed door de zending van zijn profeten. Door hun spotternij maakten zij beide profeten belachelijk. Elisa scholden zij uit voor 'kaalkop'. En door hem toe te roepen: Ga op! (Statenvert.), of: Ga naar boven! (NIV-vert.), dreven zij de spot met zijn voorloper Elia en diens hemelvaart. Zij hadden de profeet Elisa niet nodig; hij moest het voorbeeld van zijn meester maar volgen en ook van het toneel verdwijnen. De spotters van onze dagen hechtten evenmin waarde aan de Mens in de hemel, en het getuigenis van zijn volgelingen hier op aarde. Zowel door joodse als door christelijke uitleggers is de spot van deze knapen in verbinding gebracht met de wegneming van Elia, en daarom verdient de vertaling 'Ga op!' de voorkeur.
 
De vloek in de naam des Heren
De vervloeking die de profeet vervolgens uitsprak toen hij de spottende jongens aanzag, vloeide zeker niet voort uit menselijke boosheid over de belediging die hem was aangedaan. Hij sprak namens zijn Zender. De spotters die Elisa verwierpen, verzetten zich tegen God Zelf. En Deze hechtte zijn goedkeuring aan het vonnis door het onmiddellijk en ter plekke uit te voeren!
Anders zouden de twee berinnen uit het woud niet direct tevoorschijn zijn gekomen en tweeënveertig van die jongelingen hebben verscheurd. Bovendien was een dergelijk oordeel reeds door de wetgever Mozes aangekondigd (toen hij Israël de zegen en de vloek voorhield), ingeval het volk zich zou blijven verzetten tegen de Here: 'Indien gij u tegen Mij verzet en naar Mij niet wilt luisteren, dan zal Ik u nog zevenmaal harder slaan, naar uw zonden; Ik zal het wild gedierte op u loslaten, dat u van kinderen beroven zal' (Lev.26:21,22).
 
Profetisch wijst het optreden van Elisa op de oordelen die over Israël zullen komen in de laatste dagen voor de wederkomst van Christus. De vloek zal uitgaan over het hele land om dat te reinigen van de goddelozen (Zach.5:3,4). De 'wilde dieren', het beest uit de aarde en het beest uit de zee (Opb.13), zullen dood en verderf zaaien en door hun toedoen zal een groot deel van de natie worden uitgeroeid (Zach.13:8).
In dit 'wild gedierte' is de macht van de satan op bijzondere wijze werkzaam. Zij zijn de 'meesterstukken' van zijn activiteit in de laatste dagen, want hij weet dat hij weinig tijd heeft (Opb.12:12). Wij weten dat de satan nu reeds rondgaat als een brullende leeuw, op zoek wie hij zou kunnen verslinden (1Pet.5:8). Zijn optreden lijkt soms echter ook op dat van een verstikkende en verscheurende beer. Deze twee verscheurende dieren worden vaak in één adem genoemd in het Oude Testament (1Sam.17:34; 2Sam.17:8,10; Spr.28:15; Klgl.3:10; Dan.7:4,5; Hos.13:8; Am.5:19). David versloeg zowel leeuw als beer.
Zo weten wij dat de macht van de boze niet zal kunnen standhouden voor de heerlijkheid en sterkte van onze Heer Jezus Christus, de komende Koning. Hij zal grenzen stellen aan het woeden van de satan en zijn werktuigen. Dit komt symbolisch tot uitdrukking in het getal 42 (6x7), dat precies de lengte van de eindtijd weergeeft (vgl. Opb.11:2; 13:5). Dit getal komt trouwens nog een keer voor, en wel in 2Kon.10:14, waar Jehu de tweeënveertig broers van de koning van Juda ter dood laat brengen.
 
Als Gods genade wordt veracht en veranderd in losbandigheid, blijft er in wezen niets anders over dan het oordeel. Wanneer de zegen wordt verworpen, volgt onvermijdelijk de vloek. Deze geschiedenis te Betel vormt dan ook een opmerkelijk contrast met het gebeuren in Jericho (2Kon.2:19-22), waar Elisa louter zegen verspreidde.
Als men luistert naar het woord van de profeet, de boodschap van God, is er leven en heil. Zo iemand ontvangt zegen van God. Maar als iemand zich verzet tegen Gods Woord en daarmee de spot drijft, 'is hij verwerpelijk en de vervloeking nabij' (Hebr.6:8).
Historisch gezien vormen deze beide 'wonderen' van Elisa de inleiding tot zijn dienst, en tevens de bevestiging van zijn zending van Godswege. Maar deze beide tekenen spreken ook tot ons hart en geweten. Want ook voor ons geldt dat wij zowel op de goedertierenheid als op de strengheid van God moeten letten (Rom.11:22). Gods onverdiende zegen stemt tot dankbaarheid, de aangekondigde vloek (die ook de naamchristenheid zal treffen) dient als waarschuwing om niet te vallen in hetzelfde voorbeeld van ongeloof.
 
Het afwijzen van Gods boodschappers, de verwerping van zijn gezanten, leidt altijd tot een oordeel van de kant van God. De Zender waakt over zijn gezanten: 'Raakt mijn gezalfden niet aan, en doet mijn profeten geen kwaad' (Ps.105:15). Ook in het Nieuwe Testament vinden wij het beginsel dat God volkomen achter zijn boden staat. Aan de ene kant geldt het woord: 'Wie u ontvangt, ontvangt Mij'. Maar het tegendeel is net zo goed waar: 'Wie u verwerpt, verwerpt Mij' (Matt.10:40,41; Luk.10:16; Joh.13:20).
Iets anders is dat Gods lankmoedigheid vaak blijft afwachten. Wij zien dat al bij het oordeel van de zondvloed in de dagen van Noach (1Petr.3:20); wij zien het heel vaak in de geschiedenis van Israël - het uitstel van het oordeel over Achabs huis in de dagen van Elia en Elisa is daarvan een treffend voorbeeld; en het geldt zeker voor de bedeling van de genade waarin wij nu leven (2Petr.3:9v.). In de genadetijd gelden andere beginselen dan in de dagen van Elia en Elisa, hoewel ook nu de prediking van de blijde boodschap niet kan worden losgemaakt van de aankondiging van het oordeel. Het evangelie van Christus is immers voor degenen die verloren gaan een reuk uit de dood tot de dood (2Kor.2:16). Ook is er wel een bepaalde parallel te zien tussen de vloek die Elisa uitspreekt in de naam des Heren, en de vervloekingen die Paulus optekent in het Nieuwe Testament (1Kor.16:22; Gal.1:8,9). 'Als iemand de Here niet liefheeft, die zij vervloekt; Maranatha (= de Here komt)!' Hij zal het oordeel ten uitvoer brengen bij zijn verschijning.
 
Maar als gezanten van Christus moeten wij onszelf niet wreken; wij dienen anderen juist te zegenen en niet te vervloeken (Rom.12:14,19). Paulus handelde heel duidelijk volgens dit beginsel: 'Worden wij gescholden, wij zegenen' (1Kor.4:12). Als het dus gaat om degenen die in deze tijd Gods Woord van de hand wijzen en zijn gezanten verwerpen, dan moeten wij het oordeel aan God overlaten. De vervulling van de vloek, de voltrekking van het vonnis komt ongetwijfeld op Gods tijd. Het oordeel staat vast, maar Gods lankmoedigheid blijft nu nog steeds afwachten, soms zelfs zolang dat het erop lijkt dat de spotters gelijk hebben die zeggen: 'Waar blijft de belofte van zijn komst?' Maar God laat niet met Zich spotten, zelfs al lijkt het erop dat de spotters ongestraft hun gang kunnen gaan (bijv. door middel van de bijbelkritiek, de loochening van hemel en hel, het verzet tegen de Here in de hemel, de ontkenning van Christus' lichamelijke wederkomst, etc.). Ook aan de genadetijd zal straks een einde komen. De deur zal worden gesloten, en dan zal het voor de spotters voorgoed te laat zijn. Het verhaal van de spottende knapen te Betel maakt duidelijk dat daaraan geen twijfel mogelijk is.
 

  

.

.

 

 

.

 

 

.

 

 


Het Woord Index Bijbel 2 Kon. 2 Kon.2:23 Totaal
Voordat we bovenstaande teller in werking stelden werden we reeds 180977 bezocht
Helaas stopte die teller met zijn service.