|
H. Bouter Jr.
De man Gods
als heilbrenger
Lezen: 2 Koningen 2:19-22
19 De
mannen van de stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de ligging van de
stad is goed, zoals mijn heer ziet; maar het water is slecht, en
de landstreek veroorzaakt misgeboorte. 20 Toen zeide hij:
Haalt mij een nieuwe schotel en doet er zout in. Zij haalden hem
er een. 21 Daarop ging hij naar de waterwel, wierp het
zout daarin en zeide: Zo zegt de HERE: Ik maak dit water gezond;
daaruit zal geen dood of misgeboorte meer voortkomen. 22 En
het water werd gezond, tot op deze dag, volgens het woord, dat
Elisa gesproken had (NBG)
Terwijl Elisa in
Jericho verbleef (2Kon.2:18), zochten de profeten van die stad
drie dagen lang tevergeefs naar zijn voorganger Elia. Nadat zij
verslag hadden uitgebracht van hun zoektocht is Elisa blijkbaar
nog enige tijd bij hen gebleven, en heeft hij het wonder verricht
dat in deze verzen wordt beschreven.
Of dit op verzoek van de profeten van Jericho is gebeurd, is niet
helemaal duidelijk. In 2Kon.2:19 wordt alleen gesproken over de
mannen van de stad, die met hun probleem bij Elisa komen. Omdat
wij in 2 Koningen telkens zien dat Elisa zich beweegt in de
kringen van de profeten, is het wel waarschijnlijk dat zij hierbij
een rol hebben gespeeld; via hen was de roem van Elisa in Jericho
verbreid. In ieder geval waren deze mannen bij Elisa aan het goede
adres. Aan hem konden zij hun nood klagen, en hij was ook in staat
om uitkomst te bieden. Omdat God door middel van de profeet in
genade naar zijn volk omzag - Elisa betekent: 'God is redding',
of: 'God heeft geholpen' - kon deze werkelijk voorzien in een
oplossing.
Hier leren wij direct al een praktische les: Gaan wij met onze
problemen en zorgen naar de grote Profeet, de ware Man Gods, onze
Here Jezus Christus? Roepen wij tot Hem om hulp, zoals later de
blinde bedelaar bij Jericho dat zou Doen met de woorden: Jezus,
Zoon van David, erbarm U over mij (Luk.8:35vv)? Hij is machtig om
ons te helpen, maar dan moeten wij ons probleem wel aan Hem
voorleggen.
Misschien zal iemand zeggen: Maar hoe moet ik dan naar Hem
toegaan? Hij is toch niet meer op aarde? Hij is niet meer te
vinden in de nabijheid van Jericho, de stad van de vloek. (De
stad Jericho moest met vuur worden verbrand en mocht niet worden
herbouwd, zie Joz.6:17,26; er bestaat echter geen duidelijk
rechtstreeks verband tussen de banvloeken van Jozua en de kwalijke
gevolgen van het slechte bronwater in 2Kon.2.)
Maar hoewel Christus niet
meer op aarde is, is Hij door zijn Geest ook nu nog werkzaam in de
stad van de vloek, in een wereld die zucht onder de vloek van
zonde en dood, een wereld die onder het oordeel ligt (en ook met
vuur zal worden verbrand, 2Petr.3:7v.), omdat ze het bolwerk is
van de macht van de boze. Christus heeft nog steeds een open oor
voor allen die in hun nood tot Hem de toevlucht nemen. Door middel
van het gebed kunnen wij echt met Hem spreken en alles wat ons
bezighoudt aan Hem voorleggen. En Hij spreekt met ons door zijn
Woord en Geest. Zo geeft Hij antwoord en schenkt Hij door zijn
kracht verlossing en heil, ja, zelfs het leven in de dood.
Dit thema, dat God door middel van zijn gezant het leven werkt
temidden van de dood, zien wij niet alleen hier bij de
gezondmaking van het slechte water dat de dood veroorzaakte, maar
ook bij vele andere wonderen van Elisa:
-
hij zorgde
voor water voor het dorstige leger, dat anders ten dode was
opgeschreven (2Kon.3);
-
hij hielp een
van de vrouwen der profeten na de dood van haar man aan
levensonderhoud (2Kon.4);
-
hij beloofde
de onvruchtbare Sunamitische een zoon, en wekte deze jongen
later op uit de dood (2Kon.4);
-
hij zorgde
voor eetbaar voedsel toen de dood in de pot was (2Kon.5);
-
hij wees de
doodzieke Naäman de weg ten leven, zodat diens lichaam weer
gezond werd als dat van een kleine jongen (2Kon.5);
-
hij voorzag
de stervende bevolking van Samaria van levensmiddelen
(2Kon.6,7);
-
zelfs na zijn
dood werd iemand opgewekt door aanraking met zijn gebeente
(2Kon.13).
De welgelegen
stad met de slechte bron
De mannen van Jericho klagen hun nood aan Elisa met de volgende
woorden: 'Zie toch, de ligging van de stad is goed, zoals mijn
heer ziet; maar het water is slecht, en de landstreek veroorzaakt
misgeboorte' (2Kon.2:19). Uiterlijk leek alles in orde.
Jericho wa een prachtige stad met palmen en balsembomen; daarom
droeg ze ook wel de naam Palmstad (Deut.34:3; Richt.3:13;
2Kron.28:15). De ligging was fraai: in een vruchtbare vlakte, in
de nabijheid van de Jordaan.
Maar dat was slechts de buitenkant. Tegenover het voordeel van de
goede ligging stond één groot nadeel: het water was slecht (d.i.
kwaad, verdorven), en het veroorzaakte dood (zuigelingensterfte?)
en misgeboorte (2Kon.2:21). Volgens 2Kon.2:19 werd dit mede
veroorzaakt door 'de landstreek', dat wil zeggen door het eten van
de gewassen van het bouwland dat met het water uit deze slechte
bron was geïrrigeerd.
Misschien lijkt het in uw en mijn leven van buiten ook wel mooi,
terwijl wij van binnen tobben met het probleem van zo'n 'slechte
bron'. Eigenlijk heeft iedere gelovige daarmee te maken, want uit
het hart van de mens komen allerlei boze dingen voort die hem
verontreinigen, dingen waarvan het einde ook de dood is
(mark.7:21-23; Rom.6:21-23). Alleen Christus kan dit probleem tot
een oplossing brengen, zoals in deze geschiedenis alleen de man
Gods het verlossende woord kon spreken en de macht van de dood kon
tenietdoen.
In onze tijd zou men de situatie in Jericho waarschijnlijk
omschrijven in termen van een 'milieuprobleem'. Toch hebben helaas
maar weinig mensen oog voor de geestelijke milieuverontreiniging
die in onze dagen ongetwijfeld steeds meer toeneemt, maar die in
feite al bestaat sinds de zondeval.
Door te luisteren naar de verleidende woorden van de satan heeft
het eerste mensenpaar reeds gedronken uit een slechte bron, en wij
weten maar al te goed dat dit de dood tot gevolg heeft gehad.
Zonde en dood hebben door de ongehoorzaamheid van de eerste mens
hun intrede gedaan in de schepping, die nog steeds zucht onder de
slavernij van de vergankelijkheid (Gen.3:17-19; Rom.5:12;
8:20-22).
Bij Christus' wederkomst zal zij worden ontheven van de vloek
waaraan zij omwille van Adams zonde is onderworpen, en dan zal het
vrederijk aanbreken waarin Israël zal worden gezegend met de
volken. In profetisch opzicht spreekt het optreden van de man Gods
van deze tijd van overvloedige zegen. Israël zal genade vinden en
weer als Gods volk worden aangenomen. Dit herstel wordt door
Paulus heel treffend getypeerd als het 'leven uit de doden'
(Rom.11:15). Zo brengt Elisa hier nieuw leven tevoorschijn, waar
voorheen de dood heerste.
Als christenen mogen wij weten dat er voor ons n£ al verlossing
is van de vloek van de zonde en de dood, die door de wet op het
geweten van de mens wordt gebonden. Die verlossing is er, als wij
in het geloof hebben geluisterd naar Gods bevel, naar het woord
van de grote Profeet die ons heeft verlost van de vloek door voor
ons een vloek te worden op het kruis van Golgotha (Gal.3:13). Toch
blijft de definitieve verlossing van de zonde en de verlossing van
onze sterfelijke lichamen ook voor ons een toekomstige
aangelegenheid (Rom.8:23v.; 1Kor.15:51v.; Fil.3:20,21;
1Thess.4:15-18).
Het is echter duidelijk dat de redding, het herstel, de heling -
zowel nu als in de toekomst - steeds tot stand komt door
wat God in Christus voor ons doet, en niet door onze eigen
inspanning of vindingrijkheid. Daarom is het zo treffend dat de
profeet hier in 2Kon.2:21 zegt: 'Zo zegt de Here: Ik maak dit
water gezond'. Het is de Here die het wonder van de verlossing
bewerkt, en die dat doet door middel van het optreden van Elisa,
de man Gods. Evenzo handelt Hij in onze dagen verlossend en
herstellend door middel van zijn Zoon, de Man Gods. Christus is
machtig om ons te redden uit alle nood en dood. Van onze kant is
echter gehoorzaamheid vereist aan zijn woord, geloof in de
boodschap van God (2Kon2:22; vgl. Rom.10:8v.).
Een nieuwe schotel met zout
Hoe voorzag Elisa, de man Gods, nu in de oplossing van het
probleem? Hoe maakte hij de slechte bron gezond? Het bevel van de
profeet luidde als volgt: 'Haal mij een nieuwe schotel en doet
er zout in' (2Kon2:20). Vervolgens ging hij naar de waterwel,
wierp het zout daarin en sprak toen de reeds geciteerde woorden: 'Zo
zegt de Here: Ik maak dit water gezond; daaruit zal geen dood of
misgeboorte meer voortkomen' (2Kon2:21; vgl. Exod.15:26). En
het wonder gebeurde: 'En het water werd gezond, tot op deze
dag, volgens het woord dat Elisa gesproken had' (2Kon2:22).
Twee dingen trekken hierbij de aandacht:
- de nieuwe schotel die Elisa
gebruikte, en
- de werking van het zout als
zuiverend en bederfwerend middel.
In tegenstelling
met het bittere water van Mara, dat zoet werd gemaakt door een
stuk hout dat Mozes erin wierp (Exod.15:23-25), wordt het slechte
water hier gezond gemaakt doordat Elisa zout erin werpt.
Het is onduidelijk of wij zowel bij het bittere als bij het
slechte water aan brak, zoutachtig water moeten denken. Dit lijkt
uit 2Kon.2 in elk geval erg onwaarschijnlijk, want men voegt geen
zout toe aan zoutachtig water om dat drinkbaar te maken. Het
verhaal suggereert eerder een giftige bron, die geneutraliseerd en
gezuiverd moest worden. De reinigende en bederfwerende,
smaakverhogende kracht van zout wordt ook elders in de Schrift
voorondersteld. Zo lezen wij bij de voorschriften voor de
(spijs)offers: '... bij al uw offergaven zult gij zout voegen'
(Lev.2:13; vgl. Ezech. 43:24). Het zout wordt in verbinding
gebracht met de bestendigheid van de verbondsrelatie. Een
'zoutverbond' is een onverbrekelijk verbond (Lev.2:13; Num.18:19).
In het Nieuwe Testament noemt Christus zijn discipelen 'het
zout van de aarde' (Matt.5:13). De kracht en de zuiverheid van
de verordeningen die God aan zijn schepselen heeft gegeven, wordt
bij uitstek door de gelovigen in stand gehouden. Op een andere
plaats zegt de Heer dat het zout goed is, en dat de discipelen
zout in zichzelf moesten hebben om vrede onder elkaar te houden
(Mark.9:50). Daarom wijst het zout op de kracht van het nieuwe
leven dat Hij ons schenkt op grond van zijn dood en opstanding.
Dat stelt ons namelijk in staat om zelf in nieuwheid van leven te
wandelen, de onderlinge verhoudingen goed te houden en tevens naar
buiten toe zuiverheid en zegen te verspreiden. Vooral op dit
laatste punt doelt ook Paulus als hij, onder verwijzing naar de
oudtestamentische offerwetten, opmerkt: 'Laat uw woord altijd
in genade zijn, met zout besprengd, opdat u weet hoe u iedereen
moet antwoorden' (Kol.4:6).
Christenen zijn nieuwe schepselen in de opgestane Heer, zij hebben
leven uit God ontvangen. De kracht van dit nieuwe leven is sterker
dan de werking van het gif, het bederf van de zonde. Het zorgt
voor een reine, zuivere bron in ons, 'een bron van water dat
springt tot in het eeuwige leven' (Joh.4:14). De 'stromen van
levend water' die daardoor uit ons binnenste kunnen vloeien,
verspreiden overal heil en zegen, voorspoed en vruchtbaarheid
(Joh.7:38). Dan kan men zaaien op de akker van de Geest (Gal.6:8
(NBG)), om uit de Geest eeuwig leven te oogsten. Om in het beeld
van 2 Koningen 2 te blijven: als men goed bronwater heeft, kan men
ook weer gaan zaaien en goede gewassen oogsten, waaruit geen dood
of misgeboorte voortkomen.
Tenslotte nog iets over de 'nieuwe schotel' die Elisa
gebruikte.
Reeds onder het oude verbond was het gebruikelijk om dingen die
nieuw of gaaf waren, aan te wenden voor de dienst van de Here God.
Zo lezen wij over gave offerdieren, dieren waarmee nog geen werk
was gedaan en die geen juk hadden gedragen (Num.19:2; Deut.21:3).
Wij lezen over een 'nieuwe wagen' (1Sam.6:7), en een 'nieuwe
mantel' (1Kon.11:29,30). God heeft recht op het beste wat er is en
wat niet door een ander gebruik is ontheiligd. Zo is hier sprake
van deze 'nieuwe schotel' met zout erin, die het wonder van
herstel en genezing bewerkte.
Deze nieuwe schotel bepaalt ons bij de nieuwe dingen die met de
komst van Christus en de uitstorting van de Heilige Geest hun
intrede hebben gedaan. Het oude is niet meer van nut, en is
voorbijgegaan (Matt.9:16,17; 2Kor.5:17).
Hij maakt alle dingen nieuw. Maar dit plaatst ons wel heel
praktisch voor de vraag of wij werkelijk reine en heilige 'vaten'
zijn die bruikbaar zijn voor de dienst van de Meester
(2Tim.2:19vv.). Ben ik een vat tot eer van Hem? Ben ik vervuld met
dat wat bruikbaar is voor Hem, met de kracht van het nieuwe leven
dat Hij mij door zijn Geest heeft gegeven? Laten wij daarom deze
les van de 'nieuwe schotel' met het reinigende en
levensvernieuwende 'zout' erin ter harte nemen.
Bode, Juni '91 |