|
2
Koningen 2:1 |
|
Het geschiedde,
toen de HERE Elia in een storm ten hemel zou opnemen, dat Elia met
Elisa uit Gilgal ging. |
| De
roeping van Elisa |
|
H. Bouter Jr.
Lezen: 2 Koningen
2:1-18
1 Het
geschiedde, toen de HERE Elia in een storm ten hemel zou
opnemen, dat Elia met Elisa uit Gilgal ging. 2 En Elia
zeide tot Elisa: Blijf toch hier, want de HERE heeft mij naar
Betel gezonden. Maar Elisa zeide: Zo waar de HERE leeft en
gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten. Daarop begaven zij zich
naar Betel. 3 Toen kwamen de profeten van Betel naar
Elisa en vroegen hem: Weet gij, dat de HERE heden uw heer boven
uw hoofd zal wegnemen? En hij antwoordde: Ook ik weet het,
zwijgt stil. 4 En Elia zeide tot hem: Elisa, blijf toch
hier, want de HERE heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij
zeide: Zo waar de HERE leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet
verlaten. Zo kwamen zij te Jericho. 5 Toen naderden de
profeten van Jericho tot Elisa en vroegen hem: Weet gij, dat de
HERE heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen? En hij
antwoordde: Ook ik weet het, zwijgt stil. 6 En Elia zeide
tot hem: Blijf toch hier, want de HERE heeft mij naar de Jordaan
gezonden. Maar hij zeide: Zo waar de HERE leeft en gijzelf
leeft, ik zal u niet verlaten. Zo gingen zij beiden verder. 7
Vijftig man van de profeten waren ook gegaan, maar bleven op
verre afstand staan, toen zij beiden aan de Jordaan stilstonden.
8 Daarop nam Elia zijn mantel, wond hem samen en sloeg op
het water; en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat
zij beiden door het droge overstaken. 9 En zodra zij
overgestoken waren, zeide Elia tot Elisa: Doe een wens. Wat zal
ik voor u doen, eer ik van u word weggenomen? En Elisa zeide: Zo
moge dan een dubbel deel van uw geest op mij zijn. 10 En
Elia zeide: Gij hebt een moeilijke zaak gewenst. Indien gij mij
zult zien, terwijl ik van u word weggenomen, dan zal het u aldus
geschieden. Maar indien niet, dan zal het niet geschieden. 11
En, terwijl zij voortgingen, al wandelende en sprekende,
zie, een vurige wagen en vurige paarden! en die maakten
scheiding tussen hen beiden. Alzo voer Elia in een storm ten
hemel. 12 En Elisa zag het en riep uit: Mijn vader, mijn
vader! Wagens en ruiters van Israel! En hij zag hem niet meer.
Toen greep hij zijn klederen en scheurde ze in twee stukken. 13
Daarop raapte hij de mantel van Elia op, die van hem
afgevallen was, keerde terug en ging aan de oever van de Jordaan
staan. 14 En hij nam de mantel van Elia, die van hem
afgevallen was, sloeg op het water, en riep: Waar is de HERE, de
God van Elia, ja Hij? Hij sloeg op het water en dit verdeelde
zich herwaarts en derwaarts, zodat Elisa kon oversteken. 15 De
profeten van Jericho, die op enige afstand stonden, zagen hem en
zeiden: De geest van Elia rust op Elisa. En zij kwamen hem
tegemoet en bogen zich voor hem ter aarde. 16 En zij
zeiden tot hem: Zie toch, er zijn onder uw knechten vijftig
kloeke mannen; laat hen toch uw heer gaan zoeken, of niet
misschien de Geest des HEREN hem heeft opgenomen en op een van
de bergen of in een van de dalen heeft neergeworpen. Maar hij
zeide: Zendt ze niet. 17 Doch, toen zij bij hem
aandrongen tot schamens toe, zeide hij: Zendt ze dan maar. Zij
zonden dan vijftig man, en dezen zochten drie dagen lang, maar
vonden hem niet. 18 Toen zij tot hem terugkeerden,
terwijl hij in Jericho vertoefde, zeide hij tot hen: Heb ik u
niet gezegd: gaat niet?
Voordat Elia ten
hemel werd opgenomen maakte hij samen met Elisa een tocht langs
enkele van de bekendste plaatsen van Israël: van Gilgal ging de
reis naar Betel, daarna naar Jericho, en tenslotte naar de
Jordaan. Elisa trad later zelf ook op in al deze plaatsen (vgl.
2Kon.2:18v.; 4:38; 6:2v.). Maar afgezien daarvan zijn deze
plaatsen zeer bekend vanuit de vroegere geschiedenis van het volk
van God.
-
Gilgal was de
plaats van de besnijdenis, het uitgangspunt voor de verovering
van het beloofde land (Joz.4:19; 5:9; 10:43).
-
Betel kennen
we al uit het boek Genesis als de plaats waar God Zichzelf
openbaarde aan de aartsvader Jakob en waar Hij hem zijn
onvoorwaardelijke beloften van zegen schonk; Betel was de
plaats waar God wilde wonen (Gen.28 en 35).
-
Bij Jericho
openbaarde God Zichzelf aan Jozua als de Vorst van het heer
des Heren, de Aanvoerder van zijn legermacht (Joz.5). Jericho
was het geweldige bolwerk dat de Israëlieten de toegang
versperde tot het beloofde land, maar dat viel voor de macht
van Israëls God (Joz.6).
-
De Jordaan
was de rivier die de Israëlieten belette het land binnen te
gaan, waarvan de wateren echter werden afgesneden voor de ark
van het verbond des Heren, zodat geheel Israël op het droge
kon doortrekken (Joz.3 en 4).
Monumenten van
zondigheid
Helaas was het in de dagen van Elia en Elisa niet meer zo dat
deze plaatsen uitsluitend getuigden van de grote daden van God.
Het waren veeleer monumenten van de zondigheid van het volk
geworden, plaatsen van verwording en afgodendienst.
Jerobeam had de kalverendienst, die stamde uit Egypte, ingevoerd
te Betel en te Dan (1Kon.12:28v.; vgl. Exod.32). De
profeten Hosea en Amos veroordelen de afgodscultus te Betel,
samen met die van Gilgal (Hos.4:15; 9:15; 12:12; Am.4:4;
5:5). Jericho stond evenmin gunstig bekend. Het was de stad
van de vloek, die volgens Gods bevel helemaal niet herbouwd had
mogen worden. In de dagen van Achab was dit toch gebeurd door een
inwoner van Betel, die zijn overtreding van het woord des
Heren moest betalen met het leven van zijn eigen zonen (Joz.6:26;
1Kon.16:34).
Het is merkwaardig dat juist dit feit enerzijds wordt gekoppeld
aan Achabs ongerechtigheden (het
sluit de opsomming daarvan in 1Kon.16 af),
en anderzijds aan het plotselinge optreden van Elia als
oordeelsprofeet. Het is alsof met de herbouw van Jericho het
toppunt van de ongerechtigheid is bereikt en het oordeel over het
volk en zijn goddeloze vorst onafwendbaar is geworden.
Buiten het beloofde land
-
Zullen deze
dingen niet aan het geestesoog van de profeet zijn
voorbijgegaan tijdens de laatste reis die hij op aarde heeft
afgelegd?
-
Zal hij niet
hebben stilgestaan bij de bewijzen van Gods goedheid ten
opzichte van zijn volk, de vele blijken van Gods trouw?
De geschiedenis
van deze plaatsen - Gilgal, Betel, Jericho, de Jordaan - getuigde
immers heel duidelijk daarvan. Anderzijds zal hij echter ook
hebben gedacht aan alle ontrouw van het volk van God, waarvan deze
plaatsen evenzeer getuigden.
Op deze wijze heeft Elia afscheid genomen van zijn aardse loopbaan
- denkend aan alles wat God voor Israël had gedaan, maar tevens
denkend aan Israëls verval en afval van de levende God. God nam
hem buiten het beloofde land op in zijn heerlijkheid, nadat hij
met Elisa over de Jordaan was getrokken.
Het lijkt erop dat God hem dit eerbewijs niet kon schenken in het
land dat zozeer van God was afgeweken. Het kon niet gebeuren in
Gilgal, of in Betel, of in Jericho, of aan deze zijde van de
Jordaan. Elia moest telkens verder trekken, totdat God hem in het
Over-Jordaanse wegnam van deze aarde. Wij zouden haast zeggen: het
is een variant op wat er met Henoch gebeurde. Hij wandelde met
God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen (vgl.
Gen.5:24; Hebr.11:5). Hij behaagde God en God eerde hem door hem
op te nemen in de hemel.
Metgezel en opvolger
Deze laatste reis van de profeet is echter ook van grote betekenis
geweest voor Elisa, die hem trouw vergezelde en niet van zijn
zijde wilde wijken. Voor Elisa was deze lange tocht enerzijds een
goede gelegenheid om zich voor te bereiden op het afscheid van
zijn leermeester, en anderzijds was het een goede introductie tot
zijn eigen loopbaan.
Wij zien hem hier naast zijn geëerde meester wandelen, wiens werk
hij zou moeten voortzetten. Hij was niet alleen de metgezel van
Elia, maar ook diens opvolger. Zijn meester was in de hemel, en
hij moest diens taak hier beneden voortzetten.
Wandelen aan de hand van de Meester
Dat is voor ons als christenen, die verbonden zijn met een
Heer in de hemel, ook een belangrijke les. Wij dienen een
verheerlijkte Heer en mogen Hem hier op aarde 'vertegenwoordigen',
en wij doen dit in de kracht van de Heilige Geest die Hij ons
heeft nagelaten.
Zoals de geest van Elia op Elisa rustte, heeft Christus ons zijn
Geest geschonken opdat wij leesbare brieven van Hem zouden zijn.
Maar wij hebben ook behoefte aan de nodige voorbereiding om Hem op
waardige wijze te kunnen dienen. Wij zullen moeten wandelen aan
zijn hand en Hem moeten volgen waar Hij ons leidt.
Hoewel Elisa hier tot drie maal toe op de proef wordt gesteld,
blijft hij onafscheidelijk aan Elia's zijde (2Kon.2:2,4,6). Samen
trekken zij verder en gaan zij zelfs op het droge door de Jordaan,
de doodsrivier. 'Zo gingen zij beiden verder' (2Kon.2:6).
Deze uitdrukking herinnert aan de woorden van Gen. 22: 'Zo
gingen die beiden tezamen'. (2Kon.2:6,8). Wij kunnen ook
denken aan de trouw van Ruth, die zich vastklemde aan haar
schoonmoeder: 'En zij gingen beiden voort...' (Ruth 1:19).
Confrontatie met het verval
Wanneer wij met de Heer wandelen, leidt Hij ons van stap tot
stap voort, van de ene 'halteplaats' naar de andere. Wij zullen
dan evenals Elia en Elisa de situatie van Gods volk in ogenschouw
moeten nemen. Wij zullen op onze beurt worden geconfronteerd met
het diepe verval, het bederf dat zijn intrede heeft gedaan
temidden van de belijdende christenheid. Wij zullen ons gaan
realiseren dat de verborgenheid van de wetteloosheid die in de
dagen van de apostelen al werkzaam was (Thess.2:7), heeft geleid
tot ernstige misstanden die een treffende overeenkomst vertonen
met die ten tijde van Achab en Izebel. Het is dan ook niet zonder
reden dat in de brief aan de gemeente in Thyatira sprake is van de
verderfelijke invloed van 'de vrouw Izebel... die leert en
misleidt om te hoereren en afgodenoffers te eten' (Opb.2:20; vgl.
2Kon.2:14). De kerk van Christus heeft maar al te vaak een
onwettige verbinding met de wereld gesloten, en zij is helaas ook
het toneel geworden van afgoderij (denk aan de Mariaverering, de
beeldendienst, etc.).
Wij zullen deze dingen onder ogen moeten zien, evenals Elia en
Elisa op hun reis doordrongen zullen zijn van de ernstige situatie
waarin Israël verkeerde. Gilgal en Betel waren centra van
afgodendienst geworden; Jericho was de stad van de vloek en het
water was er niet te drinken (2Kon.2:19). Maar tegenover al dit
menselijk falen schittert Gods trouw, en de herinnering daaraan
wordt door deze plaatsen evenzeer opgeroepen. Dat zullen wij
evenmin uit het oog verliezen als wij denken aan Gods wegen met
zijn volk in de genadetijd waarin wij leven.
Getuigenis van Christus' werk
Deze plaatsen leggen typologisch getuigenis af van de waarde
en de vruchten van het werk van Christus voor ons. De Jordaan
spreekt van de betekenis van Christus' dood: wij zijn met Hem
gestorven en opgestaan en mogen nu 'het beloofde land' betreden.
Een terrein vol geestelijke zegen ligt voor ons open in de hemelse
gewesten. Nauw hiermee verbonden is de betekenis van Gilgal als de
plaats van de besnijdenis en het uitgangspunt van de verovering
van Kanaän.
Volgens Kol.2:11 hebben wij deel aan de besnijdenis van Christus,
doordat wij met Hem zijn verenigd in zijn dood en opstanding. Dat
is ons 'Gilgal', en daarvandaan mogen wij ons hemelse erfdeel in
Christus in bezit nemen. Betel spreekt van de onveranderlijke
trouw van God, van het feit dat de genadegaven en de roeping van
God onberouwelijk zijn. God was trouw ten aanzien van Jakob, de
stamvader van Israël. Hij wilde wonen bij zijn volk, en Hij zou
bij hen zijn Betel (= huis Gods) hebben. Evenzo is God trouw ten
aanzien van zijn hemelse volk, de Gemeente van de levende God. Hij
zal ook bij ons zijn Betel hebben. De Gemeente wordt opgebouwd tot
een eeuwige woonplaats van God in de Geest (Efe.2:22; Opb.21).
God zal ook met ons zijn heerlijke einddoel bereiken, dat kan door
onze ontrouw en ons falen nooit ongedaan worden gemaakt. Het is
goed en nodig dat wij ons dit telkens realiseren, hoewel wij
tevens beschaamd ons hoofd zullen buigen vanwege zoveel dingen die
zijn binnengeslopen en die tot oneer van God zijn (dwaalleer,
afgoderij, zondige en zelfs occulte praktijken).
Heling en redding
Jericho, oorspronkelijk het bolwerk van de vijand, bepaalt ons
erbij dat de macht van de boze door Christus' overwinning in
principe is tenietgedaan. Daarom zullen wij de duivel in de
praktijk geen plaats geven (Efe.4:27), en moeten wij standhouden
tegen zijn listen (Efe.6:11). Dat kan als wij onze hemelse Vorst
daadwerkelijk volgen. 'Jericho' mag niet worden herbouwd!
Het getuigt van diep verval als dit toch gebeurt, en de negatieve
gevolgen daarvan zijn dan onontkoombaar. Dood en onvruchtbaarheid
doen onvermijdelijk hun intrede (1Kon.16:34; 2Kon.2:19). Is dat
ook niet de situatie waarin Gods volk maar al te vaak verkeert,
een toestand van dorheid en doodsheid, van geestelijke
onvruchtbaarheid?
Wij kunnen daaraan niet achteloos voorbijgaan. Maar zelfs dan is
er door Gods genade nog heling en redding mogelijk, zoals in het
vervolg van de geschiedenis van Elisa ook blijkt. God brengt leven
zelfs temidden van de dood, en dat is heel troostrijk. God laat
zijn volk niet in de steek, hoewel het uiteindelijke oordeel in
zijn regeringswegen vaststaat. Nadat Elisa met Elia langs deze
belangrijke historische plaatsen was gereisd, en hij ook getuige
was geweest van Elia's hemelvaart, kan hij beginnen met zijn eigen
taak onder het volk. Dit was de noodzakelijke voorbereiding om het
kanaal van Gods genade te kunnen zijn temidden van een zondig
volk.
Zo zijn wij gezanten van een Heer in de hemel, die een werk van
genade mogen verrichten op een toneel dat volgens het profetische
Woord en ook naar ons eigen besef getuigt van een onherstelbaar
falen maar tevens van Gods onwankelbare trouw.
De weg langs Gilgal
Ondertussen is er historisch gezien wel een klein probleem met
betrekking tot de route die Elia en Elisa hebben afgelegd. Als de
plaats Gilgal bij de Jordaan inderdaad het beginpunt is geweest,
dan zijn zij via een lange omweg weer naar die omgeving
teruggekeerd. Was dat wel zinvol? En was die reis voor een
dagtocht (heden, 2Kon.2:3,5) niet te lang? Daarom denken sommige
uitleggers niet aan Gilgal bij de Jordaan (hoewel het volgens
velen wel identiek daarmee is), maar aan het Gilgal dat zich ca.
10 km. ten noorden van Betel bevond en dat mogelijk zowel de
woonplaats van Elia als van zijn opvolger is geweest (2Kon.2:1;
4:38). Weer anderen situeren het nog noordelijker ter hoogte van
Sichem (vgl. Deut.11:30). Hoe dit ook mag zijn, het is een lange
tocht geweest waarbij de gehoorzaamheid van deze dienstknechten
van God herhaaldelijk op de proef is gesteld. Elia werd telkens
naar een andere plaats gezonden door de Here, en Elisa werd
telkens weer voor de keuze gesteld om met hem mee te reizen.
Gelukkig heeft Elisa volhard tot het einde, en hij heeft er zeker
geen spijt van gehad.
Bode, maart '91 |
|
De
hemelvaart van Elia |
|
Lezen: 2Kon.2:1-18 (Zie boven)
In de serie "De Prediking van het Oude Testament" over 2
Koningen schrijft Dr. H.A. Brongers, dat de gehele serie verhalen
die wij hier hebben, het best met de aanduiding "verzameling
anecdoten" gekarakteriseerd kan worden. Hier hebben wij geen
geschiedenis, maar legende, aldus dr. Brongers. Even later voegt
hij er nog aan toe, dat hij er moeite mee heeft om aan deze
mirakelen enige theologische betekenis toe te kennen. Wij
denken er anders over !
In de Bijbel lezen wij over verschillende mensen, die aan het eind
van hun leven op een bijzondere wijze het tijdelijke voor het
eeuwige verwisseld hebben:
-
Henoch. Hij wandelde met God
en hij was niet meer, want de Here had hem opgenomen
(Gen.5:24). Hier wordt over de opname van Henoch gesproken,
net zoals er bij ons over de opname van Elia gesproken wordt.
Dit is het spraakgebruik, dat wij later in het NT tegenkomen
voor de gemeente van Jezus Christus, die ook eens zal worden
opgenomen in de hemelse heerlijkheid (1Thess.4:13-18).
-
Mozes. Hij was samen met God op de
berg Nebo in de velden van Moab, aan de overkant van de
Jordaan (Deut.34:5,6). Nadat Mozes daar gestorven was, werd
hij door de Here Zelf in een dal begraven en niemand heeft
ooit zijn lijk gevonden.
-
Elia. Hij was in de omgeving waar
Mozes stierf, toen hij daar op een bovennatuurlijke wijze ten
hemel werd opgenomen (2Kon.2). Hij is met lichaam en ziel in
het paradijs opgenomen. Elia had blijkbaar een grote mate van
volmaaktheid bereikt, dat hij op deze wijze in de hemel kon
worden opgenomen.
-
De Here Jezus. Veertig dagen na Zijn
opstanding uit de doden voer Hij op eigen kracht omhoog. Dit
geschiedde vanaf de Olijfberg (Hand.1:1-11).
-
Korach, Dathan en Abiram. De
opstandelingen. Zij gingen echter niet omhoog, maar omlaag
naar het dodenrijk (Num.16:1-50).
1. Elisa's
weigering om van zijn meester gescheiden te worden
(2Kon.2:1-6)
Er is sprake van vier verschillende plaatsen:
-
Gilgal - Verschillende steden in
Israël dragen deze naam. Veel uitleggers menen, dat het hier
om Gilgal ten Noorden van Bethel ging en niet om Gilgal in het
Jordaandal (Joz.4:19). Anderen menen, dat het de plaats was
waar de Israëlieten voor het eerst hun tenten opsloegen, toen
zij in het beloofde land waren aangekomen. Hier werd voor het
eerst na de woestijnreis het heiligdom, de tabernakel,
opgericht. Hier besneed Jozua het volk en hier vierden zij
voor het eerst het Paasfeest.
-
Bethel - Dit was de plaats, waar God
tweemaal aan Jacob verschenen was en waar Jacob een monument
had opgericht. Zowel hier als in Jericho waren studiecentra,
waar de leerling profeten hun opleiding kregen. Deze scholen
waren waarschijnlijk door Elia opgericht. Elia bracht nu een
afscheidsbezoek aan deze centra. Hij wilde nog één keer deze
discipelen versterken in hun geloof en vertrouwen op de Here
God en hun toewijding aan de Here bemoedigen.
Letterlijk zegt Elia tegen Elisa, dat hij zo ver als Bethel
zal gaan. Dat betekent, dat hij de stad, waar Jerobeam zijn
gouden kalf heeft opgericht, niet binnen zal gaan. Er staat
hier ook van de profeten, dat zij naar Elisa kwamen, terwijl
er later bij Jericho staat, dat deze profeten tot Elisa
naderden. Dit wil ons zeggen, dat Elia en Elisa buiten de
stadsmuur van Bethel zijn gebleven, maar dat zij Jericho zijn
binnen gegaan.
Waarschijnlijk zijn deze profeten de profeten over wie in
1Kon.18:4 gesproken wordt. Hier is in 2Kon.2:7 en 16 ook
sprake over een aantal van 50 profeten. De profeten wijzen
Elisa er op, dat Elia van boven zijn hoofd zal worden
weggenomen. Met andere woorden: Elia was als een kroon op het
hoofd van Elisa.
-
Jericho - Dit was de plaats van het
eerste wonder in Kanaän bij de verovering van het land.
-
Jordaandal (over de Jordaan) - De
Jordaan was indertijd bij Jozua op een bijzondere wijze de
doorgangsplaats van het Israëlische volk geworden - pad door
de Jordaan.
Elia zal in een storm ten hemel opgenomen
worden.
Storm hoort in de Bijbel verschillende keren bij de openbaring van
God.
-
"Toen antwoordde de Here Job uit
een storm" (Job 38:1).
-
Toen Ezechiël de openbaring van de Here
ontving, ging dit ook gepaard met een storm. Zelf schrijft
hij: "En ik zag en zie een stormwind kwam uit het
noorden..." (Ezech.1:4)
-
Zacharia schrijft: "De Here zal de
bazuin blazen en optrekken in zuiderstormen." (Zach.
9:14).
Elia zei tegen Elisa, dat hij niet moest
meegaan naar de volgende plaats. Elia was blijkbaar nederig en
wilde niet, dat Elisa zou zien op welke wijze hij ten hemel zou
varen.
"Zo gingen zij beiden verder" lijkt op een
soortgelijke uitdrukking uit Gen.22:6,8.
2. Het wonder van de opname van Elia
(2Kon.2:7-11)
Elia nam zijn mantel en sloeg op het water en zij gingen over het
droge naar de overkant (2Kon.2:8; Zie ook Joz.3:14-16). Mozes had
indertijd als herder met zijn herdersstaf op de Schelfzee geslagen
en er was een pad gekomen. Elia als profeet slaat met zijn
profetenmantel op het water en ook nu komt er een pad.
-
Elisa's verzoek: Een dubbel deel van
de Geest van Elia. Dat is niet twee keer zoveel als Elia had!
Het wil zeggen: Als Elia's profetische geestesgaven verdeeld
zouden worden, geef mij dan twee delen daarvan. Dit is naar
aanleiding van Deut.21:17. Bij de erfenis krijgt iedere zoon
één deel. De oudste, die de opvolger van zijn vader is,
krijgt een dubbel deel. Elisa vraagt in feite: Maak mij
officieel tot uw opvolger. Elia vind dit moeilijk. God
deelt de gave der profetie uit, niet Elia.
Oplossing: Als je mij zult zien, als ik opgenomen
word... Elia werd opgenomen. Hij werd "veranderd" en
mocht zo het tijdelijke voor het eeuwige verwisselen. Denk
hierbij ook aan 1Cor.15:51,52 en 1 Thess. 4:15.
Dat hij niet 2 maal zoveel kreeg blijkt o.m.
uit het volgende:
-
Elisa is niet groter geworden dan Elia was.
-
Elisa heeft een gewoon sterfbed gehad
(2Kon.13:20).
-
In het NT wordt wel 30 keer naar Elia
verwezen, doch slechts eenmaal naar Elisa.
-
Elia was samen met Mozes aanwezig bij de
verheerlijking op de berg, niet Elisa.
-
Elia komt terug, niet Elisa.
Een vurige wagen en vurige paarden. (2Kon.6:17)
3. Elisa in de geest en in de kracht van Elia
(2Kon.2:12-15)
"Mijn vader, mijn vader..." (2Kon.2:12) Uitspraak
van respect en verering.
"Wagens en ruiters van Israël". Een beeld van
kracht en bescherming. Koning Joas gebruikt later dezelfde
uitdrukking voor Elisa (2Kon.13:14)
Elisa scheurde zijn klederen, als teken van rouw (Vgl. Gen.37:29).
Elisa heeft nu de mantel van Elia. Die had hij al eerder in zijn
handen gehad (1Kon.19:16, 19-21).
Bij de Jordaan: "Waar is de God van Elisa...?"
Dit was geen vraag waarop hij antwoord wilde hebben. Dit was meer
een uitroep om hulp van God. Toen hij daarop het water kliefde,
bleek, dat Elia's God nu ook bij hem was. Elia zelf was er niet
meer, maar zijn God was gebleven. Hij is altijd bij ons. Zijn
kracht verandert niet.
4. Vruchteloos zoeken naar Elia
(2Kon.2:16-18)
De profetenzonen konden niet geloven, dat Elia met lichaam en al
naar de hemel was gegaan. Toen ze in het verleden gesproken hadden
over de opname van Elia (2Kon.2:5), was dat beeldspraak geweest.
Zij hadden nooit gedacht, dat het echt zou gebeuren. Wat deze
mensen dachten, had ook Obadja indertijd gedacht. (Zie
1Kon.18:11,12) Elisa voelde zich beschaamd. Hij kon deze mannen
niet langer weigeren en liet hen gaan.
Deze geschiedenis is bijzonder waardevol, omdat zij ons iets
vertelt over de ten hemel opneming van de Here Jezus en over de
toekomstige hemelvaart van de Gemeente. God is een God van
wonderen. Voor Hem is niets vreemd of onmogelijk.
Alphen a/d Rijn, 9 juni 1996 |
|
Elisa
als erfgenaam en opvolger van Elia |
|
H. Bouter Jr.
Lezen:
2Kon.2:1-18 (Zie boven)
De speciale relatie tussen Elia en Elisa
Wij willen nu apart aandacht schenken aan Elisa als de opvolger,
de 'geestelijke erfgenaam' van Elia, zoals wij hem hier in 2
Koningen 2 zien aan het begin van zijn loopbaan. Hoewel Elisa
geroepen was als dienaar van Elia (1Kon.19:21; 2Kon.3:11), is het
aannemelijk dat er in de loop van de jaren een nauwe band is
ontstaan tussen de beide mannen.
Dat blijkt wel uit het feit dat Elisa in dit hoofdstuk tot
driemaal toe weigerde om Elia te verlaten (2Kon.2:4,6), en uit de
mededeling dat zij al wandelende en sprekende voortgingen noemt
Elia dan ook zijn vader: Mijn vader, mijn vader! (2Kon.2:12).
Daarom scheurt hij ook zijn eigen kleren in twee stukken na Elia's
hemelvaart, als een teken van rouw en diepe smart over het verlies
van zijn meester.
Hij zag in hem niet slechts zijn heer en meester, maar tevens zijn
metgezel, zijn vriend, ja, zijn vader. Overeenkomstig zijn verzoek
rustte echter de geest van Elia op Elisa (2Kon.2:9,15), zodat hij
niet als een eenzame wees achterbleef maar bekleed werd met kracht
van boven.
Een praktische les die wij uit dit gedeelte kunnen trekken, is te
vinden in de wijze waarop Elia en Elisa met elkaar omgaan. Dit is
een voorbeeld voor de wijze waarop oudere en jongere gelovigen met
elkaar zouden kunnen en moeten omgaan. Hoewel Elisa's
geloofsvertrouwen door zijn oudere metgezel wel op de proef werd
gesteld, zien wij hier toch ook een harmonisch samen gaan tussen
een oudere en een jongere dienstknecht van de Here. Elia was de
geestelijke vader van Elisa (2Kon.2:12), zoals Paulus dat was van
Timotheüs (1Tim.1:2; 2Tim.1:2). Zo werden deze godsmannen
voorbereid op de taak die wachtte. Typologisch zien wij in de
relatie tussen Elia en Elisa de volgende twee betrekkingen tussen
de gelovigen enerzijds en Christus anderzijds:
-
Wij zijn
dienstknechten van onze Heer in de hemel (Joh.15:20). Christus
is niet meer op aarde, maar Hij is verheerlijkt aan Gods
rechterhand en Hij heeft ons als zijn gezanten hier
achtergelaten. Als nieuwe mensen zijn wij op aarde
'vertegenwoordigers' van de Mens in de hemel. Wij zij
discipelen en navolgers van Christus, die bekleed zijn met
zijn Geest (Luk.24:49; Hand.1:8).
-
Tegelijkertijd
noemt Christus ons zijn vrienden, omdat wij zijn gedachten
kennen en zijn ingewijd in de geheimen van zijn hart
(Joh.15:15) - evenals Elisa de vertrouweling van Elia was. Hij
heeft ons niet als eenzame wezen achtergelaten, maar door zijn
Geest is Hij bij ons en wijst Hij ons de weg. Het bezit van de
Heilige Geest is de kostbare erfenis die Christus ons na zijn
dood en opstanding en hemelvaart heeft nagelaten (Joh.14:16v.;
15:26; 16:12v.).
De inhoud van
de 'erfenis'
Elisa was zich ervan bewust dat hij Elia's opvolger was, zijn
erfgenaam - veel meer dan dat het geval was met de profetenzonen (die
soms met naambelijders, soms ook met onwetende gelovigen kunnen
worden vergeleken). Als wij
hen al als erfgenamen van Elia mogen betitelen, dan was Elisa toch
de 'eerstgeboren zoon' die recht had op een dubbel aandeel in de
erfenis (Deut.21:17).
Elisa claimde hier om zo te zeggen zijn eerstgeboorterecht, nadat
Elia hem vlak voor zijn wegneming in de gelegenheid had gesteld om
een wens te doen (2Kon.2:9).
Nu levert de uitdrukking 'een dubbel deel' (2Kon.2:9b) wel wat
moeilijkheden op voor vertalers en uitleggers. Het betekent in
geen geval dat de geest van Elia in dubbele mate op Elisa zou
rusten (zoals de Vulgata en
de Lutherse vert. ten onrechte suggereren).
Een dergelijk verzoek zou niet alleen getuigen van grote
onbescheidenheid van de kant van de erfgenaam (Elisa), maar het is
ook heel duidelijk dat een erflater (Elia) niet méér kan nalaten
dan hijzelf bezit. Anderen wijzen erop dat dezelfde term in
Zacharia 13:8 wordt gebruikt en daar door twee derde deel wordt
vertaald, en daar betekent: 'twee delen uit meerdere'. Dat zou dan
van meer bescheidenheid en realiteitsbesef getuigen: de leerling
(Elisa) wilde niet groter zijn dan zijn meester (Elia).
Laten we het erop houden dat Elisa hier vasthoudt aan zijn roeping
als de opvolger van Elia en daarom zijn 'eerstgeboorterecht'
opeist: hij wil in de voetsporen van zijn geliefde meester treden
en daartoe wenst hij te worden begiftigd met (het hoofdbestanddeel
van) diens geest.
Geen aardse bezittingen
Wat hier opvalt is dat Elisa geen rijkdom, eer of macht wenst te
erven, maar een dubbel deel van de geest van Elia. Zijn verzoek
lijkt daarom op de bede van Salomo, die bij het begin van zijn
taak als koning evenmin rijkdom of macht begeerde maar een wijs en
verstandig hart om Israël te kunnen richten (1Kon.3:5v.).
Daarmee toont hij dat hij de juiste instelling, de juiste
spiritualiteit bezit. De parallel met het Nieuwe Testament is niet
moeilijk te zien: de verhoogde Christus heeft zijn discipelen op
aarde zijn Geest nagelaten, opdat wij in zijn voetsporen zouden
wandelen en op Hem zouden lijken. Hij belooft ons in deze
bedeling, waarin Hij zelf op aarde is verworpen en is opgenomen in
de hemel, geen aardse rijkdommen en bezittingen, invloed en macht.
Het is voor een discipel van Hem genoeg om te worden zoals de
Meester.
En daartoe stelt Hij ons in staat door de werking van de Geest, de
'Geest van Christus' (Rom.8:9), die ons aan zijn heerlijk beeld
gelijkvormig maakt. Zelfs mannen als Jakobus en Johannes, die
aanvankelijk van een heel andere geest waren (vgl. Mark.10:35v.;
Luk.9:54,55), werden door de Heilige Geest 'omgevormd' tot
beelddragers van Gods Zoon. De mensen onderkenden van hen en van
anderen dat zij 'met Jezus waren geweest' (Hand.4:13). Zij konden
de wijsheid en de geest waarmee Stefanus sprak, niet weerstaan
(Hand.6:10). Zo merkten de profeten van Jericho hier op dat de
geest van Elia op Elisa rustte (2Kon.2:15)
Niettemin zien wij hier dat Elia het niet vanzelfsprekend vond dat
Elisa een dubbel deel van zijn geest zou erven. Hij beschouwde het
als 'een moeilijke zaak' (2Kon.2:10), wellicht in het besef dat
het een mens niet toekomt en zelfs onmogelijk is om aan anderen de
Geest van God mee te delen. Elia wist niet of Elisa's wens wel in
vervulling kon gaan, en daarom legde hij deze zaak met de volgende
woorden in Gods hand: 'Indien gij mij zult zien, terwijl ik van
u word weggenomen, dan zal het u aldus geschieden'.
De voorwaarde was dus dat Elisa ooggetuige zou zijn van Elia's
hemelvaart, dat zijn ogen door God Zelf zouden worden geopend voor
het wonder dat zou plaatsvinden. En inderdaad werd het Elisa
vergund de wegneming van zijn meester te zien en zodoende een blik
te slaan in de onzichtbare wereld (2Kon.2:11,12; Vgl. 2Kon.2:17).
Hij zag hoe God een strijdwagen uit de hemel zond, een 'vurige
wagen en vurige paarden', om Elia - de trouwe en eenzame strijder
voor Gods eer op aarde - op te nemen in de heerlijkheid. De
strijdbaarheid en geestelijke kracht van Elia was de ware sterkte
van Gods volk geweest: 'Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters
van Israël!' (2Kon.2:12; in 2Kon.13:14 wordt hetzelfde gezegd van
Elisa).
Wij zien Jezus
De geestelijke les voor ons kan als volgt worden omschreven: 'Maar
wij zien Jezus... met heerlijkheid en eer gekroond'
(Hebr.2:9). Zoals Elisa getuige mocht zijn van Elia's verhoging,
mogen wij het geloofsoog richten op de verhoogde Christus.
Wij zien Jezus, niet met onze natuurlijke ogen, maar met 'verlichte
ogen van het hart' (Ef.1:18). De Heilige Geest heeft onze ogen
geopend voor de waarde van het werk van Christus, zijn lijden en
zijn sterven, zijn gang door de doodsrivier. En wij mogen weten
dat wij met Hem zijn verbonden, dat Hij voor ons is gestorven en
dat wij met Hem zijn gestorven (zoals Elisa met Elia afdaalde in
de Jordaan). Wij weten ook - verlicht door de Heilige Geest - dat
Christus niet in de dood is gebleven, nadat Hij het grote werk van
de verlossing had volbracht. De dood kon Hem niet vasthouden. God
wees Hem het pad des levens en wekte Hem op uit de doden. God
baande een weg dwars door de dood, een weg die wij met en door
Christus kunnen betreden (evenals Elisa met Elia door het droge
kon oversteken). Wij zijn opgestaan met Hem en wandelen nu in
nieuwheid van leven, in de kracht van Christus' opstanding
(Rom.6:4). Wij weten ook dat Hij is opgenomen naar de hemel en is
gaan zitten aan de rechterhand van God (Mark.16:19; Luk.9:51;
24:51,52; Hand.1:1,9 - 'terwijl zij toekeken',
Hand.1:11,22).
Wij mogen het geloofsoog richten op de verhoogde Christus.
Christus heeft daar de plaats van eer en heerlijkheid ontvangen
die Hem rechtens toekwam, nadat Hij zijn werk op aarde had
volbracht en zijn eenzame strijd voor de eer van God grootser en
waardiger dan Elia had gestreden.
Wij, die zo in Hem geloven zijn begiftigd met zijn Geest, die ons
vast met Christus verbindt en die ons ook zalft met geestelijk
inzicht en toerust met geestelijke kracht voor onze taak als
gezanten van de verheerlijkte Heer (2Kor.1:21,22; Ef.1:13). Dat is
ons erfdeel in de huidige bedeling. De verhoogde Christus heeft
ons zijn Geest geschonken. Zo kunnen wij als mensen hier op aarde
in de kracht van de Geest getuigenis afleggen van de Mens in de
hemel. Op welke wijze kunnen wij dit doen? Hoe kon Elisa de taak
van Elia overnemen en handelen in zijn geest en in zijn kracht?
Doordat hij zijn eigen kleren aflegde en in twee stukken scheurde,
en de mantel van Elia hanteerde om de macht van de dood te
overwinnen en zich vervolgens in die mantel te hullen
(2Kon.2:12-14; vgl. 1Kon.19:19).
Evenzo zijn wij met Christus door de doodsrivier getrokken (de
Jordaan spreekt daarvan), en wij zijn nu met Hem bekleed. Wij
hebben Christus aangedaan (Gal.3:27). In de kracht van de
opgestane Heer en van zijn Geest kunnen wij een overwinningsleven
leiden en de kenmerken tentoonspreiden van de nieuwe mens die wij
hebben aangedaan (Ef.4:20v.; Kol.3:3-15). Daartoe zijn wij immers
bekleed met kracht uit de hoge (Luk.24:49). De kracht van de Geest
is sterker dan de macht van zonde en dood; dat zal straks bij de
wederkomst van Christus ook blijken door de opstanding van onze
sterfelijke lichamen (Rom.8:11).
De mantel van Elia heeft in deze geschiedenis dezelfde functie als
de staf van Mozes bij de doortocht door de Rode Zee (Exod.14:16),
en de ark van het verbond bij de intocht in Kanaän (Joz.3:13v.).
Steeds moet het water wijken voor de macht van de God van Israël,
die een pad baant voor hen die Hem toebehoren. Daarom roept Elisa
hier de naam des Heren aan met de woorden: 'Waar is de Here, de
God van Elia, ja Hij?' (2Kon.2:14). Want het wonder dat de wateren
zich verdeelden, vond niet plaats door de kracht van Elia of Elisa
(2Kon.2:8,14), maar door de machtige werking van hun God. In zijn
kracht konden deze godsmannen een pad betreden dat de mens van
nature absoluut niet kan begaan (vgl. Joh.13:36).
Het contrast met de profeten van Jericho
Laten wij tenslotte nog stilstaan bij de tegenstelling tussen
Elisa en de profeten van Jericho, die bij alles wat er gebeurde op
een afstand bleven staan en die geen ooggetuigen van Elia's
hemelvaart waren (2Kon.2:7,15). Hun positie doet denken aan die
van Israël bij de Sinaï, dat van 'verre' stond toen God Zichzelf
aan zijn volk bekendmaakte (Exod.19,20,24). In feite hebben wij in
2Kon.2 te maken met een enigszins vergelijkbare Goddelijke
verschijning, zoals blijkt uit de 'storm' en het 'vuur' (de
vuurwagen getrokken door vuurpaarden)
waarin de Here Elia ten hemel opnam (2Kon.2:1,11). Dit zijn
namelijk verschijnselen die in het Oude Testament veel vaker
voorkomen bij een openbaring of een persoonlijk ingrijpen van de
Here God (Exod.3:2; 24:17; 1Kon.19:11,12; Job 38:1; 40:1;
Ps.18:8v.; 50:3; 104:3,4; Jes.30:27; 66:15; Ezech.1:4; Hab.3:3v.;
Zach.9:14).
Hierbij gaat het niet alleen om indrukwekkende
natuurverschijnselen (die
trouwens heel treffend passen bij Elia's karakter als
oordeelsprofeet!).
'Stormwinden' en 'vuurvlammen' staan ook voor engelenmachten,
zoals Hebr.1:7 bevestigt. Daarom kunnen wij ons Elia's wegneming
als volgt voorstellen: de Here kwam Zelf als de Vorst van zijn
hemelse legerscharen, omringd door zijn machtige engelen (die
in 2Kon.6:17 opnieuw als vurige wagens en vurige paarden worden
gezien), om zijn trouwe
strijder ten hemel op te nemen. Wat een eerbetoon voor Elia: God
nam hem weg (zoals eertijds
Henoch en zoals straks de levenden die overblijven tot de komst
van de Heer), opdat hij de
dood niet zou zien maar in een ondeelbaar ogenblik veranderd de
hemel binnenging (vgl. Gen.5:24; 1Kor.15:51,52; 1Thess.4:15-18;
Hebr.11:5).
Zoals gezegd heeft alleen Elisa geopende ogen gehad voor de
'opname' van Elia, overeenkomstig vers10 en volgende. Weliswaar
waren de profetenzonen, zowel in Betel als in Jericho
(2Kon.2:3,5), goed geïnformeerd over deze ophanden zijnde
gebeurtenis - wellicht door een profetische openbaring waarvan ook
Elisa op de hoogte was gesteld. Zij hebben echter niet zoals Elisa
met verlichte ogen aanschouwd hoe Elia in triomf ten hemel werd
gevoerd. Dat blijkt wel uit de zoekactie die vervolgens door
vijftig man van de profeten van Jericho wordt gehouden een actie
die zowel overbodig als tevergeefs was en waarin Elisa slechts met
tegenzin toestemde (2Kon.2:7,16-18). Elia werd niet gevonden
(2Kon.2:17), evenmin als Henoch in zijn dagen 'gevonden werd,
omdat God hem had weggenomen' (Hebr.11:5). Mogelijk was er na
Henochs wegneming ook een vergeefse zoektocht naar hem
georganiseerd; de woorden en 'hij werd niet gevonden' kunnen
hierop wijzen. Deze profeten redeneerden precies zoals Obadja, die
bang was dat de Geest des Heren Elia plotseling naar een andere
omgeving zou verplaatsen (2Kon.2:16; vgl. 1Kon.18:12 en ook
Hand.8:39,40). Hun horizon bleef blijkbaar beperkt tot de aarde,
zij hielden geen rekening met een werkelijke opneming in de hemel.
Zo zijn er ook in onze dagen van godsdienstige verwarring
enerzijds en openlijke afgodendienst anderzijds, vele goedwillende
belijders die behoren tot de 'profeten des Heren' (1Kon.18:13;
22:5v.; vgl. 1Sam.19:18v.), maar die toch aardse dingen bedenken.
Helaas hebben zij - althans in de praktijk van het christelijke
leven - geen oog voor een hemelse Christus (Fil.3:19,20;
Kol.3:1-4). Dit beperkte aardse gezichtsveld is helemaal in strijd
met het ware, hemelse karakter van het christendom. Wij kennen
Christus immers nu niet meer naar het vlees, d.i. als Messias op
aarde (2Kor.5:16). Wij zien Hem als de verhoogde Mensenzoon
gekroond met eer en heerlijkheid, gezeten aan de rechterhand van
de Majesteit in de hoge. Laat onze blik daarom, evenals die van
Paulus, de gezant van de verheerlijkte Heer in de hemel, steeds op
Hem zijn gericht. Dan zullen wij Hem als nieuwe, hemelse mensen
(1Kor.15:48), als hemelburgers hier op aarde echt kunnen
'grootmaken' en kunnen 'vertonen' (Fil.1:20; 2:15; 3:20) evenals
Elisa voortaan gehuld ging in de mantel van Elia en wandelde in de
kracht van diens geest.
Bode, mei '91 |
|
|