Klik hier om "Het Woord" te openen wanneer u alleen deze pagina ziet2 Koningen 2:1

 

2 Koningen 2:1

Het geschiedde, toen de HERE Elia in een storm ten hemel zou opnemen, dat Elia met Elisa uit Gilgal ging.

 

Achtergrond informatie

 

 

De roeping van Elisa

H. Bouter Jr.

Lezen: 2 Koningen 2:1-18

1 Het geschiedde, toen de HERE Elia in een storm ten hemel zou opnemen, dat Elia met Elisa uit Gilgal ging. 2 En Elia zeide tot Elisa: Blijf toch hier, want de HERE heeft mij naar Betel gezonden. Maar Elisa zeide: Zo waar de HERE leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten. Daarop begaven zij zich naar Betel. 3 Toen kwamen de profeten van Betel naar Elisa en vroegen hem: Weet gij, dat de HERE heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen? En hij antwoordde: Ook ik weet het, zwijgt stil. 4 En Elia zeide tot hem: Elisa, blijf toch hier, want de HERE heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zeide: Zo waar de HERE leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten. Zo kwamen zij te Jericho. 5 Toen naderden de profeten van Jericho tot Elisa en vroegen hem: Weet gij, dat de HERE heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen? En hij antwoordde: Ook ik weet het, zwijgt stil. 6 En Elia zeide tot hem: Blijf toch hier, want de HERE heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zeide: Zo waar de HERE leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten. Zo gingen zij beiden verder. 7 Vijftig man van de profeten waren ook gegaan, maar bleven op verre afstand staan, toen zij beiden aan de Jordaan stilstonden. 8 Daarop nam Elia zijn mantel, wond hem samen en sloeg op het water; en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat zij beiden door het droge overstaken. 9 En zodra zij overgestoken waren, zeide Elia tot Elisa: Doe een wens. Wat zal ik voor u doen, eer ik van u word weggenomen? En Elisa zeide: Zo moge dan een dubbel deel van uw geest op mij zijn. 10 En Elia zeide: Gij hebt een moeilijke zaak gewenst. Indien gij mij zult zien, terwijl ik van u word weggenomen, dan zal het u aldus geschieden. Maar indien niet, dan zal het niet geschieden. 11 En, terwijl zij voortgingen, al wandelende en sprekende, zie, een vurige wagen en vurige paarden! en die maakten scheiding tussen hen beiden. Alzo voer Elia in een storm ten hemel. 12 En Elisa zag het en riep uit: Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters van Israel! En hij zag hem niet meer. Toen greep hij zijn klederen en scheurde ze in twee stukken. 13 Daarop raapte hij de mantel van Elia op, die van hem afgevallen was, keerde terug en ging aan de oever van de Jordaan staan. 14 En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, sloeg op het water, en riep: Waar is de HERE, de God van Elia, ja Hij? Hij sloeg op het water en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat Elisa kon oversteken. 15 De profeten van Jericho, die op enige afstand stonden, zagen hem en zeiden: De geest van Elia rust op Elisa. En zij kwamen hem tegemoet en bogen zich voor hem ter aarde. 16 En zij zeiden tot hem: Zie toch, er zijn onder uw knechten vijftig kloeke mannen; laat hen toch uw heer gaan zoeken, of niet misschien de Geest des HEREN hem heeft opgenomen en op een van de bergen of in een van de dalen heeft neergeworpen. Maar hij zeide: Zendt ze niet. 17 Doch, toen zij bij hem aandrongen tot schamens toe, zeide hij: Zendt ze dan maar. Zij zonden dan vijftig man, en dezen zochten drie dagen lang, maar vonden hem niet. 18 Toen zij tot hem terugkeerden, terwijl hij in Jericho vertoefde, zeide hij tot hen: Heb ik u niet gezegd: gaat niet?

Voordat Elia ten hemel werd opgenomen maakte hij samen met Elisa een tocht langs enkele van de bekendste plaatsen van Israël: van Gilgal ging de reis naar Betel, daarna naar Jericho, en tenslotte naar de Jordaan. Elisa trad later zelf ook op in al deze plaatsen (vgl. 2Kon.2:18v.; 4:38; 6:2v.). Maar afgezien daarvan zijn deze plaatsen zeer bekend vanuit de vroegere geschiedenis van het volk van God.

  • Gilgal was de plaats van de besnijdenis, het uitgangspunt voor de verovering van het beloofde land (Joz.4:19; 5:9; 10:43).

  • Betel kennen we al uit het boek Genesis als de plaats waar God Zichzelf openbaarde aan de aartsvader Jakob en waar Hij hem zijn onvoorwaardelijke beloften van zegen schonk; Betel was de plaats waar God wilde wonen (Gen.28 en 35).

  • Bij Jericho openbaarde God Zichzelf aan Jozua als de Vorst van het heer des Heren, de Aanvoerder van zijn legermacht (Joz.5). Jericho was het geweldige bolwerk dat de Israëlieten de toegang versperde tot het beloofde land, maar dat viel voor de macht van Israëls God (Joz.6).

  • De Jordaan was de rivier die de Israëlieten belette het land binnen te gaan, waarvan de wateren echter werden afgesneden voor de ark van het verbond des Heren, zodat geheel Israël op het droge kon doortrekken (Joz.3 en 4).

Monumenten van zondigheid
Helaas was het in de dagen van Elia en Elisa niet meer zo dat deze plaatsen uitsluitend getuigden van de grote daden van God. Het waren veeleer monumenten van de zondigheid van het volk geworden, plaatsen van verwording en afgodendienst.
Jerobeam had de kalverendienst, die stamde uit Egypte, ingevoerd te Betel en te Dan (1Kon.12:28v.; vgl. Exod.32). De profeten Hosea en Amos veroordelen de afgodscultus te Betel, samen met die van Gilgal (Hos.4:15; 9:15; 12:12; Am.4:4; 5:5). Jericho stond evenmin gunstig bekend. Het was de stad van de vloek, die volgens Gods bevel helemaal niet herbouwd had mogen worden. In de dagen van Achab was dit toch gebeurd door een inwoner van Betel, die zijn overtreding van het woord des Heren moest betalen met het leven van zijn eigen zonen (Joz.6:26; 1Kon.16:34).
Het is merkwaardig dat juist dit feit enerzijds wordt gekoppeld aan Achabs ongerechtigheden
(het sluit de opsomming daarvan in 1Kon.16 af), en anderzijds aan het plotselinge optreden van Elia als oordeelsprofeet. Het is alsof met de herbouw van Jericho het toppunt van de ongerechtigheid is bereikt en het oordeel over het volk en zijn goddeloze vorst onafwendbaar is geworden.
 
Buiten het beloofde land

  • Zullen deze dingen niet aan het geestesoog van de profeet zijn voorbijgegaan tijdens de laatste reis die hij op aarde heeft afgelegd?

  • Zal hij niet hebben stilgestaan bij de bewijzen van Gods goedheid ten opzichte van zijn volk, de vele blijken van Gods trouw?

De geschiedenis van deze plaatsen - Gilgal, Betel, Jericho, de Jordaan - getuigde immers heel duidelijk daarvan. Anderzijds zal hij echter ook hebben gedacht aan alle ontrouw van het volk van God, waarvan deze plaatsen evenzeer getuigden.
Op deze wijze heeft Elia afscheid genomen van zijn aardse loopbaan - denkend aan alles wat God voor Israël had gedaan, maar tevens denkend aan Israëls verval en afval van de levende God. God nam hem buiten het beloofde land op in zijn heerlijkheid, nadat hij met Elisa over de Jordaan was getrokken.
Het lijkt erop dat God hem dit eerbewijs niet kon schenken in het land dat zozeer van God was afgeweken. Het kon niet gebeuren in Gilgal, of in Betel, of in Jericho, of aan deze zijde van de Jordaan. Elia moest telkens verder trekken, totdat God hem in het Over-Jordaanse wegnam van deze aarde. Wij zouden haast zeggen: het is een variant op wat er met Henoch gebeurde. Hij wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen (vgl. Gen.5:24; Hebr.11:5). Hij behaagde God en God eerde hem door hem op te nemen in de hemel.
 
Metgezel en opvolger
Deze laatste reis van de profeet is echter ook van grote betekenis geweest voor Elisa, die hem trouw vergezelde en niet van zijn zijde wilde wijken. Voor Elisa was deze lange tocht enerzijds een goede gelegenheid om zich voor te bereiden op het afscheid van zijn leermeester, en anderzijds was het een goede introductie tot zijn eigen loopbaan.
Wij zien hem hier naast zijn geëerde meester wandelen, wiens werk hij zou moeten voortzetten. Hij was niet alleen de metgezel van Elia, maar ook diens opvolger. Zijn meester was in de hemel, en hij moest diens taak hier beneden voortzetten.
 
Wandelen aan de hand van de Meester
Dat is voor ons als christenen, die verbonden zijn met een Heer in de hemel, ook een belangrijke les. Wij dienen een verheerlijkte Heer en mogen Hem hier op aarde 'vertegenwoordigen', en wij doen dit in de kracht van de Heilige Geest die Hij ons heeft nagelaten.
Zoals de geest van Elia op Elisa rustte, heeft Christus ons zijn Geest geschonken opdat wij leesbare brieven van Hem zouden zijn.
 
Maar wij hebben ook behoefte aan de nodige voorbereiding om Hem op waardige wijze te kunnen dienen. Wij zullen moeten wandelen aan zijn hand en Hem moeten volgen waar Hij ons leidt.
Hoewel Elisa hier tot drie maal toe op de proef wordt gesteld, blijft hij onafscheidelijk aan Elia's zijde (2Kon.2:2,4,6). Samen trekken zij verder en gaan zij zelfs op het droge door de Jordaan, de doodsrivier. 'Zo gingen zij beiden verder' (2Kon.2:6). Deze uitdrukking herinnert aan de woorden van Gen. 22: 'Zo gingen die beiden tezamen'. (2Kon.2:6,8). Wij kunnen ook denken aan de trouw van Ruth, die zich vastklemde aan haar schoonmoeder: 'En zij gingen beiden voort...' (Ruth 1:19).

Confrontatie met het verval
Wanneer wij met de Heer wandelen, leidt Hij ons van stap tot stap voort, van de ene 'halteplaats' naar de andere. Wij zullen dan evenals Elia en Elisa de situatie van Gods volk in ogenschouw moeten nemen. Wij zullen op onze beurt worden geconfronteerd met het diepe verval, het bederf dat zijn intrede heeft gedaan temidden van de belijdende christenheid. Wij zullen ons gaan realiseren dat de verborgenheid van de wetteloosheid die in de dagen van de apostelen al werkzaam was (Thess.2:7), heeft geleid tot ernstige misstanden die een treffende overeenkomst vertonen met die ten tijde van Achab en Izebel. Het is dan ook niet zonder reden dat in de brief aan de gemeente in Thyatira sprake is van de verderfelijke invloed van 'de vrouw Izebel... die leert en misleidt om te hoereren en afgodenoffers te eten' (Opb.2:20; vgl. 2Kon.2:14). De kerk van Christus heeft maar al te vaak een onwettige verbinding met de wereld gesloten, en zij is helaas ook het toneel geworden van afgoderij (denk aan de Mariaverering, de beeldendienst, etc.).
 
Wij zullen deze dingen onder ogen moeten zien, evenals Elia en Elisa op hun reis doordrongen zullen zijn van de ernstige situatie waarin Israël verkeerde. Gilgal en Betel waren centra van afgodendienst geworden; Jericho was de stad van de vloek en het water was er niet te drinken (2Kon.2:19). Maar tegenover al dit menselijk falen schittert Gods trouw, en de herinnering daaraan wordt door deze plaatsen evenzeer opgeroepen. Dat zullen wij evenmin uit het oog verliezen als wij denken aan Gods wegen met zijn volk in de genadetijd waarin wij leven.
 
Getuigenis van Christus' werk
Deze plaatsen leggen typologisch getuigenis af van de waarde en de vruchten van het werk van Christus voor ons. De Jordaan spreekt van de betekenis van Christus' dood: wij zijn met Hem gestorven en opgestaan en mogen nu 'het beloofde land' betreden. Een terrein vol geestelijke zegen ligt voor ons open in de hemelse gewesten. Nauw hiermee verbonden is de betekenis van Gilgal als de plaats van de besnijdenis en het uitgangspunt van de verovering van Kanaän.
 
Volgens Kol.2:11 hebben wij deel aan de besnijdenis van Christus, doordat wij met Hem zijn verenigd in zijn dood en opstanding. Dat is ons 'Gilgal', en daarvandaan mogen wij ons hemelse erfdeel in Christus in bezit nemen. Betel spreekt van de onveranderlijke trouw van God, van het feit dat de genadegaven en de roeping van God onberouwelijk zijn. God was trouw ten aanzien van Jakob, de stamvader van Israël. Hij wilde wonen bij zijn volk, en Hij zou bij hen zijn Betel (= huis Gods) hebben. Evenzo is God trouw ten aanzien van zijn hemelse volk, de Gemeente van de levende God. Hij zal ook bij ons zijn Betel hebben. De Gemeente wordt opgebouwd tot een eeuwige woonplaats van God in de Geest (Efe.2:22; Opb.21).

God zal ook met ons zijn heerlijke einddoel bereiken, dat kan door onze ontrouw en ons falen nooit ongedaan worden gemaakt. Het is goed en nodig dat wij ons dit telkens realiseren, hoewel wij tevens beschaamd ons hoofd zullen buigen vanwege zoveel dingen die zijn binnengeslopen en die tot oneer van God zijn (dwaalleer, afgoderij, zondige en zelfs occulte praktijken).

Heling en redding
Jericho, oorspronkelijk het bolwerk van de vijand, bepaalt ons erbij dat de macht van de boze door Christus' overwinning in principe is tenietgedaan. Daarom zullen wij de duivel in de praktijk geen plaats geven (Efe.4:27), en moeten wij standhouden tegen zijn listen (Efe.6:11). Dat kan als wij onze hemelse Vorst daadwerkelijk volgen. 'Jericho' mag niet worden herbouwd!
 
Het getuigt van diep verval als dit toch gebeurt, en de negatieve gevolgen daarvan zijn dan onontkoombaar. Dood en onvruchtbaarheid doen onvermijdelijk hun intrede (1Kon.16:34; 2Kon.2:19). Is dat ook niet de situatie waarin Gods volk maar al te vaak verkeert, een toestand van dorheid en doodsheid, van geestelijke onvruchtbaarheid?
 
Wij kunnen daaraan niet achteloos voorbijgaan. Maar zelfs dan is er door Gods genade nog heling en redding mogelijk, zoals in het vervolg van de geschiedenis van Elisa ook blijkt. God brengt leven zelfs temidden van de dood, en dat is heel troostrijk. God laat zijn volk niet in de steek, hoewel het uiteindelijke oordeel in zijn regeringswegen vaststaat. Nadat Elisa met Elia langs deze belangrijke historische plaatsen was gereisd, en hij ook getuige was geweest van Elia's hemelvaart, kan hij beginnen met zijn eigen taak onder het volk. Dit was de noodzakelijke voorbereiding om het kanaal van Gods genade te kunnen zijn temidden van een zondig volk.
 
Zo zijn wij gezanten van een Heer in de hemel, die een werk van genade mogen verrichten op een toneel dat volgens het profetische Woord en ook naar ons eigen besef getuigt van een onherstelbaar falen maar tevens van Gods onwankelbare trouw.
 
De weg langs Gilgal
Ondertussen is er historisch gezien wel een klein probleem met betrekking tot de route die Elia en Elisa hebben afgelegd. Als de plaats Gilgal bij de Jordaan inderdaad het beginpunt is geweest, dan zijn zij via een lange omweg weer naar die omgeving teruggekeerd. Was dat wel zinvol? En was die reis voor een dagtocht (heden, 2Kon.2:3,5) niet te lang? Daarom denken sommige uitleggers niet aan Gilgal bij de Jordaan (hoewel het volgens velen wel identiek daarmee is), maar aan het Gilgal dat zich ca. 10 km. ten noorden van Betel bevond en dat mogelijk zowel de woonplaats van Elia als van zijn opvolger is geweest (2Kon.2:1; 4:38). Weer anderen situeren het nog noordelijker ter hoogte van Sichem (vgl. Deut.11:30). Hoe dit ook mag zijn, het is een lange tocht geweest waarbij de gehoorzaamheid van deze dienstknechten van God herhaaldelijk op de proef is gesteld. Elia werd telkens naar een andere plaats gezonden door de Here, en Elisa werd telkens weer voor de keuze gesteld om met hem mee te reizen. Gelukkig heeft Elisa volhard tot het einde, en hij heeft er zeker geen spijt van gehad.

Bode, maart '91

 

De hemelvaart van Elia

Lezen: 2Kon.2:1-18 (Zie boven)
 
In de serie "De Prediking van het Oude Testament" over 2 Koningen schrijft Dr. H.A. Brongers, dat de gehele serie verhalen die wij hier hebben, het best met de aanduiding "verzameling anecdoten" gekarakteriseerd kan worden. Hier hebben wij geen geschiedenis, maar legende, aldus dr. Brongers. Even later voegt hij er nog aan toe, dat hij er moeite mee heeft om aan deze mirakelen enige theologische betekenis toe te kennen. Wij denken er anders over !
 
In de Bijbel lezen wij over verschillende mensen, die aan het eind van hun leven op een bijzondere wijze het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld hebben:

  • Henoch. Hij wandelde met God en hij was niet meer, want de Here had hem opgenomen (Gen.5:24). Hier wordt over de opname van Henoch gesproken, net zoals er bij ons over de opname van Elia gesproken wordt. Dit is het spraakgebruik, dat wij later in het NT tegenkomen voor de gemeente van Jezus Christus, die ook eens zal worden opgenomen in de hemelse heerlijkheid (1Thess.4:13-18).

  • Mozes. Hij was samen met God op de berg Nebo in de velden van Moab, aan de overkant van de Jordaan (Deut.34:5,6). Nadat Mozes daar gestorven was, werd hij door de Here Zelf in een dal begraven en niemand heeft ooit zijn lijk gevonden.

  • Elia. Hij was in de omgeving waar Mozes stierf, toen hij daar op een bovennatuurlijke wijze ten hemel werd opgenomen (2Kon.2). Hij is met lichaam en ziel in het paradijs opgenomen. Elia had blijkbaar een grote mate van volmaaktheid bereikt, dat hij op deze wijze in de hemel kon worden opgenomen.

  • De Here Jezus. Veertig dagen na Zijn opstanding uit de doden voer Hij op eigen kracht omhoog. Dit geschiedde vanaf de Olijfberg (Hand.1:1-11).

  • Korach, Dathan en Abiram. De opstandelingen. Zij gingen echter niet omhoog, maar omlaag naar het dodenrijk (Num.16:1-50).

1. Elisa's weigering om van zijn meester gescheiden te worden
(2Kon.2:1-6)
Er is sprake van vier verschillende plaatsen:

  • Gilgal - Verschillende steden in Israël dragen deze naam. Veel uitleggers menen, dat het hier om Gilgal ten Noorden van Bethel ging en niet om Gilgal in het Jordaandal (Joz.4:19). Anderen menen, dat het de plaats was waar de Israëlieten voor het eerst hun tenten opsloegen, toen zij in het beloofde land waren aangekomen. Hier werd voor het eerst na de woestijnreis het heiligdom, de tabernakel, opgericht. Hier besneed Jozua het volk en hier vierden zij voor het eerst het Paasfeest.

  • Bethel - Dit was de plaats, waar God tweemaal aan Jacob verschenen was en waar Jacob een monument had opgericht. Zowel hier als in Jericho waren studiecentra, waar de leerling profeten hun opleiding kregen. Deze scholen waren waarschijnlijk door Elia opgericht. Elia bracht nu een afscheidsbezoek aan deze centra. Hij wilde nog één keer deze discipelen versterken in hun geloof en vertrouwen op de Here God en hun toewijding aan de Here bemoedigen.
    Letterlijk zegt Elia tegen Elisa, dat hij zo ver als Bethel zal gaan. Dat betekent, dat hij de stad, waar Jerobeam zijn gouden kalf heeft opgericht, niet binnen zal gaan. Er staat hier ook van de profeten, dat zij naar Elisa kwamen, terwijl er later bij Jericho staat, dat deze profeten tot Elisa naderden. Dit wil ons zeggen, dat Elia en Elisa buiten de stadsmuur van Bethel zijn gebleven, maar dat zij Jericho zijn binnen gegaan.
    Waarschijnlijk zijn deze profeten de profeten over wie in 1Kon.18:4 gesproken wordt. Hier is in 2Kon.2:7 en 16 ook sprake over een aantal van 50 profeten. De profeten wijzen Elisa er op, dat Elia van boven zijn hoofd zal worden weggenomen. Met andere woorden: Elia was als een kroon op het hoofd van Elisa.

  • Jericho - Dit was de plaats van het eerste wonder in Kanaän bij de verovering van het land.

  • Jordaandal (over de Jordaan) - De Jordaan was indertijd bij Jozua op een bijzondere wijze de doorgangsplaats van het Israëlische volk geworden - pad door de Jordaan.

Elia zal in een storm ten hemel opgenomen worden.
Storm hoort in de Bijbel verschillende keren bij de openbaring van God.

  • "Toen antwoordde de Here Job uit een storm" (Job 38:1).

  • Toen Ezechiël de openbaring van de Here ontving, ging dit ook gepaard met een storm. Zelf schrijft hij: "En ik zag en zie een stormwind kwam uit het noorden..." (Ezech.1:4)

  • Zacharia schrijft: "De Here zal de bazuin blazen en optrekken in zuiderstormen." (Zach. 9:14).

Elia zei tegen Elisa, dat hij niet moest meegaan naar de volgende plaats. Elia was blijkbaar nederig en wilde niet, dat Elisa zou zien op welke wijze hij ten hemel zou varen.

"Zo gingen zij beiden verder" lijkt op een soortgelijke uitdrukking uit Gen.22:6,8.

2. Het wonder van de opname van Elia
(2Kon.2:7-11)

Elia nam zijn mantel en sloeg op het water en zij gingen over het droge naar de overkant (2Kon.2:8; Zie ook Joz.3:14-16). Mozes had indertijd als herder met zijn herdersstaf op de Schelfzee geslagen en er was een pad gekomen. Elia als profeet slaat met zijn profetenmantel op het water en ook nu komt er een pad.

  • Elisa's verzoek: Een dubbel deel van de Geest van Elia. Dat is niet twee keer zoveel als Elia had! Het wil zeggen: Als Elia's profetische geestesgaven verdeeld zouden worden, geef mij dan twee delen daarvan. Dit is naar aanleiding van Deut.21:17. Bij de erfenis krijgt iedere zoon één deel. De oudste, die de opvolger van zijn vader is, krijgt een dubbel deel. Elisa vraagt in feite: Maak mij officieel tot uw opvolger. Elia vind dit moeilijk. God deelt de gave der profetie uit, niet Elia.
     
    Oplossing: Als je mij zult zien, als ik opgenomen word... Elia werd opgenomen. Hij werd "veranderd" en mocht zo het tijdelijke voor het eeuwige verwisselen. Denk hierbij ook aan 1Cor.15:51,52 en 1 Thess. 4:15.

Dat hij niet 2 maal zoveel kreeg blijkt o.m. uit het volgende:

  • Elisa is niet groter geworden dan Elia was.

  • Elisa heeft een gewoon sterfbed gehad (2Kon.13:20).

  • In het NT wordt wel 30 keer naar Elia verwezen, doch slechts eenmaal naar Elisa.

  • Elia was samen met Mozes aanwezig bij de verheerlijking op de berg, niet Elisa.

  • Elia komt terug, niet Elisa.

    • Elia zal terugkeren (Mal.4:5,6)

Een vurige wagen en vurige paarden. (2Kon.6:17)
 
3. Elisa in de geest en in de kracht van Elia
(2Kon.2:12-15)

"Mijn vader, mijn vader..." (2Kon.2:12) Uitspraak van respect en verering.

"Wagens en ruiters van Israël". Een beeld van kracht en bescherming. Koning Joas gebruikt later dezelfde uitdrukking voor Elisa (2Kon.13:14)

Elisa scheurde zijn klederen, als teken van rouw (Vgl. Gen.37:29).

Elisa heeft nu de mantel van Elia. Die had hij al eerder in zijn handen gehad (1Kon.19:16, 19-21).

Bij de Jordaan: "Waar is de God van Elisa...?"
Dit was geen vraag waarop hij antwoord wilde hebben. Dit was meer een uitroep om hulp van God. Toen hij daarop het water kliefde, bleek, dat Elia's God nu ook bij hem was. Elia zelf was er niet meer, maar zijn God was gebleven. Hij is altijd bij ons. Zijn kracht verandert niet.

4. Vruchteloos zoeken naar Elia
(2Kon.2:16-18)

De profetenzonen konden niet geloven, dat Elia met lichaam en al naar de hemel was gegaan. Toen ze in het verleden gesproken hadden over de opname van Elia (2Kon.2:5), was dat beeldspraak geweest. Zij hadden nooit gedacht, dat het echt zou gebeuren. Wat deze mensen dachten, had ook Obadja indertijd gedacht. (Zie 1Kon.18:11,12) Elisa voelde zich beschaamd. Hij kon deze mannen niet langer weigeren en liet hen gaan.
 
Deze geschiedenis is bijzonder waardevol, omdat zij ons iets vertelt over de ten hemel opneming van de Here Jezus en over de toekomstige hemelvaart van de Gemeente. God is een God van wonderen. Voor Hem is niets vreemd of onmogelijk.

Alphen a/d Rijn, 9 juni 1996

  

Elisa als erfgenaam en opvolger van Elia

H. Bouter Jr.

Lezen: 2Kon.2:1-18 (Zie boven)
 
De speciale relatie tussen Elia en Elisa
Wij willen nu apart aandacht schenken aan Elisa als de opvolger, de 'geestelijke erfgenaam' van Elia, zoals wij hem hier in 2 Koningen 2 zien aan het begin van zijn loopbaan. Hoewel Elisa geroepen was als dienaar van Elia (1Kon.19:21; 2Kon.3:11), is het aannemelijk dat er in de loop van de jaren een nauwe band is ontstaan tussen de beide mannen.
Dat blijkt wel uit het feit dat Elisa in dit hoofdstuk tot driemaal toe weigerde om Elia te verlaten (2Kon.2:4,6), en uit de mededeling dat zij al wandelende en sprekende voortgingen noemt Elia dan ook zijn vader: Mijn vader, mijn vader! (2Kon.2:12). Daarom scheurt hij ook zijn eigen kleren in twee stukken na Elia's hemelvaart, als een teken van rouw en diepe smart over het verlies van zijn meester.
 
Hij zag in hem niet slechts zijn heer en meester, maar tevens zijn metgezel, zijn vriend, ja, zijn vader. Overeenkomstig zijn verzoek rustte echter de geest van Elia op Elisa (2Kon.2:9,15), zodat hij niet als een eenzame wees achterbleef maar bekleed werd met kracht van boven.
 
Een praktische les die wij uit dit gedeelte kunnen trekken, is te vinden in de wijze waarop Elia en Elisa met elkaar omgaan. Dit is een voorbeeld voor de wijze waarop oudere en jongere gelovigen met elkaar zouden kunnen en moeten omgaan. Hoewel Elisa's geloofsvertrouwen door zijn oudere metgezel wel op de proef werd gesteld, zien wij hier toch ook een harmonisch samen gaan tussen een oudere en een jongere dienstknecht van de Here. Elia was de geestelijke vader van Elisa (2Kon.2:12), zoals Paulus dat was van Timotheüs (1Tim.1:2; 2Tim.1:2). Zo werden deze godsmannen voorbereid op de taak die wachtte. Typologisch zien wij in de relatie tussen Elia en Elisa de volgende twee betrekkingen tussen de gelovigen enerzijds en Christus anderzijds:

  • Wij zijn dienstknechten van onze Heer in de hemel (Joh.15:20). Christus is niet meer op aarde, maar Hij is verheerlijkt aan Gods rechterhand en Hij heeft ons als zijn gezanten hier achtergelaten. Als nieuwe mensen zijn wij op aarde 'vertegenwoordigers' van de Mens in de hemel. Wij zij discipelen en navolgers van Christus, die bekleed zijn met zijn Geest (Luk.24:49; Hand.1:8).

  • Tegelijkertijd noemt Christus ons zijn vrienden, omdat wij zijn gedachten kennen en zijn ingewijd in de geheimen van zijn hart (Joh.15:15) - evenals Elisa de vertrouweling van Elia was. Hij heeft ons niet als eenzame wezen achtergelaten, maar door zijn Geest is Hij bij ons en wijst Hij ons de weg. Het bezit van de Heilige Geest is de kostbare erfenis die Christus ons na zijn dood en opstanding en hemelvaart heeft nagelaten (Joh.14:16v.; 15:26; 16:12v.).

De inhoud van de 'erfenis'
Elisa was zich ervan bewust dat hij Elia's opvolger was, zijn erfgenaam - veel meer dan dat het geval was met de profetenzonen
(die soms met naambelijders, soms ook met onwetende gelovigen kunnen worden vergeleken). Als wij hen al als erfgenamen van Elia mogen betitelen, dan was Elisa toch de 'eerstgeboren zoon' die recht had op een dubbel aandeel in de erfenis (Deut.21:17).
Elisa claimde hier om zo te zeggen zijn eerstgeboorterecht, nadat Elia hem vlak voor zijn wegneming in de gelegenheid had gesteld om een wens te doen (2Kon.2:9).
 
Nu levert de uitdrukking 'een dubbel deel' (2Kon.2:9b) wel wat moeilijkheden op voor vertalers en uitleggers. Het betekent in geen geval dat de geest van Elia in dubbele mate op Elisa zou rusten
(zoals de Vulgata en de Lutherse vert. ten onrechte suggereren).
 
Een dergelijk verzoek zou niet alleen getuigen van grote onbescheidenheid van de kant van de erfgenaam (Elisa), maar het is ook heel duidelijk dat een erflater (Elia) niet méér kan nalaten dan hijzelf bezit. Anderen wijzen erop dat dezelfde term in Zacharia 13:8 wordt gebruikt en daar door twee derde deel wordt vertaald, en daar betekent: 'twee delen uit meerdere'. Dat zou dan van meer bescheidenheid en realiteitsbesef getuigen: de leerling (Elisa) wilde niet groter zijn dan zijn meester (Elia).
Laten we het erop houden dat Elisa hier vasthoudt aan zijn roeping als de opvolger van Elia en daarom zijn 'eerstgeboorterecht' opeist: hij wil in de voetsporen van zijn geliefde meester treden en daartoe wenst hij te worden begiftigd met (het hoofdbestanddeel van) diens geest.
 
Geen aardse bezittingen
Wat hier opvalt is dat Elisa geen rijkdom, eer of macht wenst te erven, maar een dubbel deel van de geest van Elia. Zijn verzoek lijkt daarom op de bede van Salomo, die bij het begin van zijn taak als koning evenmin rijkdom of macht begeerde maar een wijs en verstandig hart om Israël te kunnen richten (1Kon.3:5v.).
Daarmee toont hij dat hij de juiste instelling, de juiste spiritualiteit bezit. De parallel met het Nieuwe Testament is niet moeilijk te zien: de verhoogde Christus heeft zijn discipelen op aarde zijn Geest nagelaten, opdat wij in zijn voetsporen zouden wandelen en op Hem zouden lijken. Hij belooft ons in deze bedeling, waarin Hij zelf op aarde is verworpen en is opgenomen in de hemel, geen aardse rijkdommen en bezittingen, invloed en macht. Het is voor een discipel van Hem genoeg om te worden zoals de Meester.
En daartoe stelt Hij ons in staat door de werking van de Geest, de 'Geest van Christus' (Rom.8:9), die ons aan zijn heerlijk beeld gelijkvormig maakt. Zelfs mannen als Jakobus en Johannes, die aanvankelijk van een heel andere geest waren (vgl. Mark.10:35v.; Luk.9:54,55), werden door de Heilige Geest 'omgevormd' tot beelddragers van Gods Zoon. De mensen onderkenden van hen en van anderen dat zij 'met Jezus waren geweest' (Hand.4:13). Zij konden de wijsheid en de geest waarmee Stefanus sprak, niet weerstaan (Hand.6:10). Zo merkten de profeten van Jericho hier op dat de geest van Elia op Elisa rustte (2Kon.2:15)
 
Niettemin zien wij hier dat Elia het niet vanzelfsprekend vond dat Elisa een dubbel deel van zijn geest zou erven. Hij beschouwde het als 'een moeilijke zaak' (2Kon.2:10), wellicht in het besef dat het een mens niet toekomt en zelfs onmogelijk is om aan anderen de Geest van God mee te delen. Elia wist niet of Elisa's wens wel in vervulling kon gaan, en daarom legde hij deze zaak met de volgende woorden in Gods hand: 'Indien gij mij zult zien, terwijl ik van u word weggenomen, dan zal het u aldus geschieden'.
De voorwaarde was dus dat Elisa ooggetuige zou zijn van Elia's hemelvaart, dat zijn ogen door God Zelf zouden worden geopend voor het wonder dat zou plaatsvinden. En inderdaad werd het Elisa vergund de wegneming van zijn meester te zien en zodoende een blik te slaan in de onzichtbare wereld (2Kon.2:11,12; Vgl. 2Kon.2:17).
Hij zag hoe God een strijdwagen uit de hemel zond, een 'vurige wagen en vurige paarden', om Elia - de trouwe en eenzame strijder voor Gods eer op aarde - op te nemen in de heerlijkheid. De strijdbaarheid en geestelijke kracht van Elia was de ware sterkte van Gods volk geweest: 'Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters van Israël!' (2Kon.2:12; in 2Kon.13:14 wordt hetzelfde gezegd van Elisa).

Wij zien Jezus
De geestelijke les voor ons kan als volgt worden omschreven: 'Maar wij zien Jezus... met heerlijkheid en eer gekroond' (Hebr.2:9). Zoals Elisa getuige mocht zijn van Elia's verhoging, mogen wij het geloofsoog richten op de verhoogde Christus.

Wij zien Jezus, niet met onze natuurlijke ogen, maar met 'verlichte ogen van het hart' (Ef.1:18). De Heilige Geest heeft onze ogen geopend voor de waarde van het werk van Christus, zijn lijden en zijn sterven, zijn gang door de doodsrivier. En wij mogen weten dat wij met Hem zijn verbonden, dat Hij voor ons is gestorven en dat wij met Hem zijn gestorven (zoals Elisa met Elia afdaalde in de Jordaan). Wij weten ook - verlicht door de Heilige Geest - dat Christus niet in de dood is gebleven, nadat Hij het grote werk van de verlossing had volbracht. De dood kon Hem niet vasthouden. God wees Hem het pad des levens en wekte Hem op uit de doden. God baande een weg dwars door de dood, een weg die wij met en door Christus kunnen betreden (evenals Elisa met Elia door het droge kon oversteken). Wij zijn opgestaan met Hem en wandelen nu in nieuwheid van leven, in de kracht van Christus' opstanding (Rom.6:4). Wij weten ook dat Hij is opgenomen naar de hemel en is gaan zitten aan de rechterhand van God (Mark.16:19; Luk.9:51; 24:51,52; Hand.1:1,9 - 'terwijl zij toekeken', Hand.1:11,22).
 
Wij mogen het geloofsoog richten op de verhoogde Christus. Christus heeft daar de plaats van eer en heerlijkheid ontvangen die Hem rechtens toekwam, nadat Hij zijn werk op aarde had volbracht en zijn eenzame strijd voor de eer van God grootser en waardiger dan Elia had gestreden.
 
Wij, die zo in Hem geloven zijn begiftigd met zijn Geest, die ons vast met Christus verbindt en die ons ook zalft met geestelijk inzicht en toerust met geestelijke kracht voor onze taak als gezanten van de verheerlijkte Heer (2Kor.1:21,22; Ef.1:13). Dat is ons erfdeel in de huidige bedeling. De verhoogde Christus heeft ons zijn Geest geschonken. Zo kunnen wij als mensen hier op aarde in de kracht van de Geest getuigenis afleggen van de Mens in de hemel. Op welke wijze kunnen wij dit doen? Hoe kon Elisa de taak van Elia overnemen en handelen in zijn geest en in zijn kracht? Doordat hij zijn eigen kleren aflegde en in twee stukken scheurde, en de mantel van Elia hanteerde om de macht van de dood te overwinnen en zich vervolgens in die mantel te hullen (2Kon.2:12-14; vgl. 1Kon.19:19).
 
Evenzo zijn wij met Christus door de doodsrivier getrokken (de Jordaan spreekt daarvan), en wij zijn nu met Hem bekleed. Wij hebben Christus aangedaan (Gal.3:27). In de kracht van de opgestane Heer en van zijn Geest kunnen wij een overwinningsleven leiden en de kenmerken tentoonspreiden van de nieuwe mens die wij hebben aangedaan (Ef.4:20v.; Kol.3:3-15). Daartoe zijn wij immers bekleed met kracht uit de hoge (Luk.24:49). De kracht van de Geest is sterker dan de macht van zonde en dood; dat zal straks bij de wederkomst van Christus ook blijken door de opstanding van onze sterfelijke lichamen (Rom.8:11).
 
De mantel van Elia heeft in deze geschiedenis dezelfde functie als de staf van Mozes bij de doortocht door de Rode Zee (Exod.14:16), en de ark van het verbond bij de intocht in Kanaän (Joz.3:13v.).
 
Steeds moet het water wijken voor de macht van de God van Israël, die een pad baant voor hen die Hem toebehoren. Daarom roept Elisa hier de naam des Heren aan met de woorden: 'Waar is de Here, de God van Elia, ja Hij?' (2Kon.2:14). Want het wonder dat de wateren zich verdeelden, vond niet plaats door de kracht van Elia of Elisa (2Kon.2:8,14), maar door de machtige werking van hun God. In zijn kracht konden deze godsmannen een pad betreden dat de mens van nature absoluut niet kan begaan (vgl. Joh.13:36).

Het contrast met de profeten van Jericho
Laten wij tenslotte nog stilstaan bij de tegenstelling tussen Elisa en de profeten van Jericho, die bij alles wat er gebeurde op een afstand bleven staan en die geen ooggetuigen van Elia's hemelvaart waren (2Kon.2:7,15). Hun positie doet denken aan die van Israël bij de Sinaï, dat van 'verre' stond toen God Zichzelf aan zijn volk bekendmaakte (Exod.19,20,24). In feite hebben wij in 2Kon.2 te maken met een enigszins vergelijkbare Goddelijke verschijning, zoals blijkt uit de 'storm' en het 'vuur'
(de vuurwagen getrokken door vuurpaarden) waarin de Here Elia ten hemel opnam (2Kon.2:1,11). Dit zijn namelijk verschijnselen die in het Oude Testament veel vaker voorkomen bij een openbaring of een persoonlijk ingrijpen van de Here God (Exod.3:2; 24:17; 1Kon.19:11,12; Job 38:1; 40:1; Ps.18:8v.; 50:3; 104:3,4; Jes.30:27; 66:15; Ezech.1:4; Hab.3:3v.; Zach.9:14).
 
Hierbij gaat het niet alleen om indrukwekkende natuurverschijnselen
(die trouwens heel treffend passen bij Elia's karakter als oordeelsprofeet!). 'Stormwinden' en 'vuurvlammen' staan ook voor engelenmachten, zoals Hebr.1:7 bevestigt. Daarom kunnen wij ons Elia's wegneming als volgt voorstellen: de Here kwam Zelf als de Vorst van zijn hemelse legerscharen, omringd door zijn machtige engelen (die in 2Kon.6:17 opnieuw als vurige wagens en vurige paarden worden gezien), om zijn trouwe strijder ten hemel op te nemen. Wat een eerbetoon voor Elia: God nam hem weg (zoals eertijds Henoch en zoals straks de levenden die overblijven tot de komst van de Heer), opdat hij de dood niet zou zien maar in een ondeelbaar ogenblik veranderd de hemel binnenging (vgl. Gen.5:24; 1Kor.15:51,52; 1Thess.4:15-18; Hebr.11:5).

Zoals gezegd heeft alleen Elisa geopende ogen gehad voor de 'opname' van Elia, overeenkomstig vers10 en volgende. Weliswaar waren de profetenzonen, zowel in Betel als in Jericho (2Kon.2:3,5), goed geïnformeerd over deze ophanden zijnde gebeurtenis - wellicht door een profetische openbaring waarvan ook Elisa op de hoogte was gesteld. Zij hebben echter niet zoals Elisa met verlichte ogen aanschouwd hoe Elia in triomf ten hemel werd gevoerd. Dat blijkt wel uit de zoekactie die vervolgens door vijftig man van de profeten van Jericho wordt gehouden een actie die zowel overbodig als tevergeefs was en waarin Elisa slechts met tegenzin toestemde (2Kon.2:7,16-18). Elia werd niet gevonden (2Kon.2:17), evenmin als Henoch in zijn dagen 'gevonden werd, omdat God hem had weggenomen' (Hebr.11:5). Mogelijk was er na Henochs wegneming ook een vergeefse zoektocht naar hem georganiseerd; de woorden en 'hij werd niet gevonden' kunnen hierop wijzen. Deze profeten redeneerden precies zoals Obadja, die bang was dat de Geest des Heren Elia plotseling naar een andere omgeving zou verplaatsen (2Kon.2:16; vgl. 1Kon.18:12 en ook Hand.8:39,40). Hun horizon bleef blijkbaar beperkt tot de aarde, zij hielden geen rekening met een werkelijke opneming in de hemel. Zo zijn er ook in onze dagen van godsdienstige verwarring enerzijds en openlijke afgodendienst anderzijds, vele goedwillende belijders die behoren tot de 'profeten des Heren' (1Kon.18:13; 22:5v.; vgl. 1Sam.19:18v.), maar die toch aardse dingen bedenken.
 
Helaas hebben zij - althans in de praktijk van het christelijke leven - geen oog voor een hemelse Christus (Fil.3:19,20; Kol.3:1-4). Dit beperkte aardse gezichtsveld is helemaal in strijd met het ware, hemelse karakter van het christendom. Wij kennen Christus immers nu niet meer naar het vlees, d.i. als Messias op aarde (2Kor.5:16). Wij zien Hem als de verhoogde Mensenzoon gekroond met eer en heerlijkheid, gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge. Laat onze blik daarom, evenals die van Paulus, de gezant van de verheerlijkte Heer in de hemel, steeds op Hem zijn gericht. Dan zullen wij Hem als nieuwe, hemelse mensen (1Kor.15:48), als hemelburgers hier op aarde echt kunnen 'grootmaken' en kunnen 'vertonen' (Fil.1:20; 2:15; 3:20) evenals Elisa voortaan gehuld ging in de mantel van Elia en wandelde in de kracht van diens geest.

Bode, mei '91 

  

.

.

 

 

.

 

 

.

 

 


Het Woord Index Bijbel 2 Kon. 2 Kon.2:1 Totaal
Voordat we bovenstaande teller in werking stelden werden we reeds 180977 bezocht
Helaas stopte die teller met zijn service.