|
Jurrien Dokter
De mens is een
eigenaardig wezen. Vanuit welke invalshoek je het ook bekijkt. Of
het nu is vanuit het evolutiegeloof of vanuit het
scheppingsgeloof. De mens is eigenaardig en eigenzinnig. Hij is
ook eigenwijs. Hij denkt alles te weten. Of in elk geval denkt hij
de mogelijkheid te hebben alles te onderzoeken om dan, vanuit dat
onderzoek, ook nog een antwoord te vinden op de vragen die hij
zichzelf stelt.
Het valt niet mee om als mens te erkennen, dat nu eenmaal, vanuit
het blote eigen, niet overal een antwoord op te geven is en niet
alles is te bereiken. Toch is het niet geheel bezijden de
waarheid: de mens is begiftigd met een groot en scherp verstand.
Als enige wezen vindt de mens het ook leuk om achter de 'reden'
van de dingen te komen.
Wetenschap puur voor de weet: niet noodzakelijk uit lijfsbehoud.
De zaken die vandaag de dag worden uitgevonden, liegen er dan ook
niet om. Bijna niets is onmogelijk. Vanuit het scheppingsgeloof
gezien is dat ook niet zo vreemd.
Als God de mens op deze aarde heeft gesteld, concludeert Hij: het
is zeer goed. De mens was bedoeld als de kroon op de schepping en
stond in principe aan het begin van een glanzende carrière. God
had met de mens een verregaande samenwerking op het oog. En ten
behoeve van die samenwerking had God in het hart van de mens een
aantal verlangens meegegeven. Eén van die verlangens was om alles
te weten en te leren kennen. De mens was en is nieuwsgierig.
Als God 's-avonds in de koelte met de mens wandelt, zou de
schepping het onderwerp geweest kunnen zijn. Het is een beetje
filosoferen, maar God zou bijvoorbeeld aan Adam kunnen hebben
gevraagd: "Zeg, Adam" "Ja, Heer" Adam, Hoe
vind je dat de dieren functioneren?" "Adam?"
"Ja, Heer?"
Adam, ben je er al achter hoe dit of hoe dat werkt?"
Naast de waarschijnlijke gesprekken over de geestelijke wereld,
zou toch de zichtbare schepping een belangrijk onderwerp geweest
kunnen zijn. De mens is nu eenmaal nieuwsgierig en leergierig. En
dat is hij altijd gebleven.
Alleen de wandelingen in de avondkoelte hielden op een bepaald
moment op. Er kwam iets tussen. Iets afgrijselijks maakte een
einde aan de vertrouwelijke omgang tussen God en de creatie, die
het meest van Hem weg had: de mens. De zonde kwam als een muur
tussen hen in te staan en maakte de gesprekken, op niveau, verder
onmogelijk.
De mens raakte met zijn geestelijke partner ook zijn gevoel voor
richting kwijt. Vanaf dat moment kwam er dwaling in het leven van
de mens. En deze verviel van kwaad tot erger.
Het is goed om te beseffen, dat niet God de mens van zich
afstootte, maar dat de mens zelf een scheiding aanbracht tussen
hem en zijn Levensbron. In dit verband is de gelijkenis van de
verloren zoon misschien ook wel op zijn plaats. God heeft van zijn
kant de mens nooit in de steek gelaten. Altijd stond Hij klaar om,
daar waar Hij de kans kreeg, een helpende hand uit te steken.
De wens alles te weten, brengt de mens wat dat betreft niet
verder. Vanuit eigen inzicht is hij nooit in staat om zichzelf uit
zijn geïsoleerde positie ten opzichte van God te bevrijden.
Kennis, verstand, nederigheid, hoogmoed, een positieve of een
negatieve instelling: niets helpt wat dat betreft. Het blijft
behelpen.
God heeft echter van zijn kant nooit het verlangen opgegeven om
met de mens te wandelen. Steeds weer opnieuw heeft Hij zich moeite
getroost om dat aan de mens duidelijk
te maken. En op het laatst, heeft Hij zijn Zoon als zoenoffer
voorgesteld. Dat offer van Zijn Zoon Jezus Christus had dan ook
maar één doel: zondaren te behouden.
Want dat was noodzakelijk. Er moesten zondaren worden behouden.
Want zonder behouden zondaren, zou Gods plan uiteindelijk geen
doorgang vinden.
Daarmee komt ook het eerste probleem om de hoek kijken.
Want de mens moet beseffen, dat hij het zonder Jezus Christus niet
redt. Dat zonder Jezus Christus alles, dat hij doet, verloren
moeite is. Er spelen dus twee dingen, die welhaast met elkaar in
tegenspraak lijken: aan de ene kant is daar God, die de mens
zoveel waard acht, dat Hij zijn eniggeboren Zoon er voor over
heeft. Aan de andere kant is daar de mens, die moet beseffen, dat
hij van zichzelf niet kan wat hij ten diepste wenst, namelijk de
hemel bezitten. En dat terwijl hij voor God toch van zeer grote
waarde is.
Paulus, die de bovenstaande regels aan Timotheüs schrijft, heeft
het begrepen. Hij beseft, dat God de mens van grote waarde acht.
Hij zegt, dat van de zondige mens. Niet de mens die geheiligd en
gereinigd is, wordt hier in de eerste instantie bedoeld, maar de
mens die vervuild en bezoedeld is. God is namelijk in staat om uit
die vervuilde, afgeweken en bezoedelde schepselen, die geheiligde
en glanzende wezens te maken, die Hij al vanaf de beginne op het
oog heeft. Het woord behouden in onze tekst heeft dan ook een veel
ruimere betekenis dan alleen maar "op het droge
trekken". Het gaat verder. Het behoud spreekt hier van
afdrogen, schone kleren aan, een zegelring rond de vinger. Het
spreekt van autoriteit van de Vader. Het spreekt van koningschap,
van rijkdom, van volmaaktheid. Het betekent een weg, die wordt
afgelegd naar een doel.
Uiteindelijk spreekt het "van wandelen met God in de
avondkoelte". Want dat is het plan: God alles in allen. Opdat
de volheid van God, via Jezus Christus, ook in de door Hem
behouden zondaars woning maakt. Als je daar naar verlangt, dan zou
de gedachte in je op kunnen komen, dat het verlangen nogal
aanmatigend is, want wie ben je per slot van rekening. Maar laat
je niets wijsmaken. Het is Gods hartenwens, dat nog vele zondaren
hun hart op Hem richten, hun hoop op Jezus Christus zullen richten
en door Hem behouden zullen worden. Bevrijd uit de slavernij van
de zonde, kun je dan je hele hart richten op het ene belangrijke
doel: God vanuit liefde te verheerlijken met alles dat in je is,
naar geest, ziel en lichaam.
|