|
J. C. Philpot
Toen onze
gezegende Heere van de dood verrees en naar de hemel voer, om voor
ons in de tegenwoordigheid Gods te verschijnen, als onze
persoonlijke Plaatsbekleder en tussentredende Hogepriester, heeft
Hij gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja ook de
wederhorigen, om bij de Heere God te wonen" (Psalm 68:19). Nu
waren deze gaven, welke Hij ten onze behoeve genomen heeft
tweevoudig: - vooreerst, gaven in de gewone zin van het woord, dat
is, de buitengewone gaven des gezegenden Geestes, die vooral
vergund werden tot stichting der Gemeente; en, ten tweede, de
genade des Geestes in Zijn levendmakende, heiligende kracht,
waardoor het volk Gods bekwaam gemaakt wordt voor de erve der
heiligen in het licht. Nu zien wij dat het Woord van God een zeer
duidelijk onderscheid daar stelt tussen deze twee zaken: de gaven
des Geestes, en de genade des Geestes.
Teneinde u deze onderscheiding in helder licht voor te stellen,
zal ik u het getuigenis des Woords, aangaande de "gaven"
des Geestes als onderscheiden van de "genade" voorlezen:
"Want deze wordt door de Geest gegeven het woord der
wijsheid, en een anderen het geloof, door dezelfde Geest; en een
anderen de gaven der gezondmaking, door dezelfde Geest; en een
anderen de werkingen der krachten; en een anderen profetie; en een
anderen onderscheidingen der geesten; en een anderen menigerlei
talen; en een anderen uitlegging der talen. Doch deze dingen alle
werkt één dezelfde Geest, delende aan een ieder in het
bijzonder, gelijkerwijs Hij wil, (1Kor.12:8-11). En wederom: En
God heeft er sommigen in de gemeente gesteld, ten eerste
apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna
krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeringen,
menigerlei talen. Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen
profeten? Zijn allen leraars? Zijn zij allen krachten? Hebben zij
allen gaven der gezondmaking? Spreken zij allen met menigerlei
talen? Zijn zij allen uitleggers? Doch ijvert naar de beste gaven
(1Kor.12:28-31). Wij zien uit deze schriftuurplaatsen de
hoedanigheid van deze gaven, dat zij meer tot opbouwing der
Gemeente dan tot persoonlijk nut van haren bezitter verstrekten;
dat enige ervan, in het bijzonder, zoals profetie, de gaven der
gezondmaking, en der talen, bepaald wonderdadig waren, en daarom
tijdelijk en voorbijgaande, voorbijgaande wanneer zij niet
rechtstreeks behoefd werden; dat zij niet noodzakelijk vereisten
dat derzelver bezitter een deelgenoot der genade was, ofschoon hij
zulks zijn kon, en in de meeste gevallen was; en dat zij veel van
elkaar verschilden in uitwerksel en bediening (1Kor.12:4-6).
Het einde en doelwit van deze was de opbouwing der Gemeente in
haar allerheiligst geloof, gelijk de apostel zulks zo duidelijk
en,schoon verklaart: "En dezelve heeft gegeven sommigen
tot apostelen, en sommigen tot proleten, en sommigen tot
evangelisten, en sommigen tot herders en leraars: tot volmaking
der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des
lichaams van Christus" (Efe.4:11,12).
Maar in het meer nauwkeurig beschouwen van de aard van deze gaven,
moeten wij een onderscheid maken tussen die welke wonderdadig, en
die welke zulks niet waren. De wondergaven, zoals de profetie, de
gezondmaking, de vreemde talen, gingen met de apostolische eeuw
voorbij, en eindigden toen de rolle der Heilige Schrift besloten
werd. Maar de gaven der bediening, gelijk die der herders en
leraars" zijn nog aanwezig, en zullen blijven voortbestaan
zolang daaraan behoefte is "tot volmaking der heiligen, tot
het. werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van
Christus;" met andere woorden, zolang de Heere een volk op
aarde heeft. Maar hetzij dat deze gaven zijn voorbijgegaan als
rechtstreekse wonderdaden, hetzij zij nog voortbestaan in de
Gemeente tot het werk der bediening, zij bezitten allen dit
onderscheidend kenmerk, dat zij slechts voor een tijd, en niet
voor de eeuwigheid zijn; tot stichting voor anderen, en niet
zaligmakend noch heiligende voor de bezitter zijn; dat zij,
wanneer zij met genade gepaard gaan, in grote mate te waarderen
zijn, maar ijverig bewaakt moeten worden, opdat zij niet tot
hoogmoed opblazen en uitlopen in een ontzettende neerploffing.
Maar de genade des Geestes, als onderscheiden van Zijn gaven, zijn
van een geheel verschillenden aard. Dit deed de apostel zeggen: "Doch
ijvert naar de beste gaven; en ik wijs u een weg die nog
uitnemender is" (1Kor.12:31). Wat was deze "nog
uitnemender weg?" een weg uitnemend boven al de beste gaven
des Geestes? De weg der genade; en meer bijzonder de weg van die
uitnemende genade Liefde". En waarom uitnemender? Omdat zij,
in onderscheiding der gaven, nooit voorbijgaat, maar tot in alle
eeuwigheid blijft. Zo zegt hij: "de liefde vergaat
nimmermeer: maar hetzij profetieën, zij zullen teniet gedaan
worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal
teniet gedaan worden. Want wij kennen ten dele, en wij profeteren
ten de1e" - En hij voegt er dan bij: "En nu blijft
geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de
liefde". Wij verzamelen dus een onderscheidend kenmerk van de
genade als tegenover de gaven gesteld, en vooral van de drie
hoofddelen der genade: geloof, hoop en liefde - dat zij blijven,
daar hun zetel in het hart is, hetwelk de Heere Zich als zijn
bijzonder eigendom toeeigent, als hun Oorsprong en Voleindiger, de
Heere des levens en der heerlijkheid en hun einde de zaligheid der
ziel.
Maar er is een andere onderscheidende eigenschap van deze genade:
geloof, hoop en liefde, welke daarin bestaat, dat zij zijn wat ik
werkende genade zou kunnen noemen. Het is een grote dwaling te
denken, dat een Christen geen arbeider is. Er is niemand die werkt
gelijk hij, gelijk Hart terecht zegt:
"De Christen arbeidt met al zijn macht
Het grieft hem slechts dat hij niet meerder volbracht."
En echter met al zijn arbeid is het niet hij die werkt, maar de
genade Gods die in hem is, gelijk van de apostel zelf betuigd is,
en dit doende de ervaring van elke waren Christen juist uitdrukt:
"Maar door de genade Gods ben ik, dat ik ben; en Zijn genade,
die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest; maar ik heb
overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade
Gods die in mij is" (1Kor.15:10). Ofschoon alzo de Christen
arbeidt, is het niet hij die zulks doet, maar de genade Gods in
hem, en dit is het dat de Christen tot zulk een paradox maakt, dat
is, zulk een schijnbare tegenstrijdigheid, beide voor zichzelf en
voor anderen. Op de een tijd is niemand meer ijverig, meer vurig,
meer bedrijvig, meer arbeidzaam, meer gezet op alle goed woord en
werk, en echter hoe traag, hoe onverschillig, hoe koud, hoe
levenloos en dodig op andere tijden, alsof hij geen greintje
genade noch vonkje gevoel bezat. Soms is hij zo waakzaam als een
schildwacht in het gezicht van een naderende vijand, en aanstonds
valt hij in het schilderhuis, door vermoeidheid en lusteloosheid
overvallen, in slaap. Soms is hij zodanig vervuld met de Geest van
het gebed en der smekingen, alsof hij de hemel stormenderhand
wilde overweldigen en het koninkrijk met geweld nemen; en dan weer
schijnt hij nauwelijks een ademhaling des Geestes in de ziel te
bezitten. Soms gruwt hij van zichzelf en verfoeit zich in stof en
as als bovenmatig verfoeilijk, de allerslechtste en
verachtelijkste aller zondaren; dan wederom is hij opgeblazen door
een gevoel van eigenwaarde, alsof er geen zulke heilige was als
hij, of zo hij een leraar is, geen zulk een leraar aangaande zijn
gaven en bekwaamheden, dienstbaarheid en aannemelijkheid. Soms
zijn zijn genegenheden zo gezet op de dingen die boven zijn, dat
het schijnt alsof hij geen zorg noch begeerte bezit tot iets
anders dan de nabijheid, liefde, gunst en heerlijkheid Gods; dan
weer is zijn hart op andere tijden zo koud als ijs en zo dood als
een steen. Soms drukken de dingen der eeuwigheid zo zwaarwichtig
en toch zo warm op zijn hart, dat het schijnt alsof niets anders
een enkele gedachte waardig is; en dan komen de angsten en zorgen
van het tegenwoordige leven opeenstapelen, om zijn gemoed te
bezwaren en hem tot zelfs aan het einde der aarde weg te voeren.
Zo is de Christen een raadsel voor zichzelf; en echter, met dit
alles blijft de zaak toch bestaanbaar, dat elke genade des Geestes
in hem een werkende genade is. En niet alleen dit, maar elke
genade des Geestes heeft haar eigen werk te verrichten en haar
eigen doel te bereiken.
Ziet, bijvoorbeeld, op de woorden van onze tekst, voor welke deze
aanmerkingen ter inleiding dienen. Wij lezen daarin van "een
werk van het geloof, een arbeid der liefde en een verdraagzaamheid
der hoop". Ziet hoe de apostel deze drie blijvende, deze drie
werkende genaden ons voorstelt, en hoe hij aan elk ervan zijn
bijzonder ambt toeschrijft. Hij vertelt aan de gelovigen van
Thessalonica, dat hij "zonder ophouden gedenkt het werk huns
geloofs, en de arbeid hunner liefde, en de verdraagzaamheid hunner
hoop op onze Heere Jezus Christus, voor onze God en Vader;"
overtuigd zijnde uit hetgeen hij van die Christelijke genade in
hen zag, en hun ijver en volharding, dat zij het volk waren dat
God gezegend had: "Wetende, geliefde broeders! uw verkiezing
van God".
In het trachten om, met Gods hulp en zegen, de mening en bedoeling
des Geestes in deze woorden te ontvouwen, zal ik naar dat de Heere
mij bekwame, zoeken te beschrijven:
|
I
II
III |
Vooreerst,
het geloof en zijn werk.
Ten tweede, de hoop en haar verdraagzaamheid.
Ten derde, de liefde en haren arbeid. |
Gij zult opmerken
dat ik de volgorde van deze twee laatste Christelijke genaden
enigszins gewijzigd heb, want zoals zij in onze tekst staan gaat
de liefde de hoop vooraf. De reden waarom ik zulks doe is, omdat
dit niet alleen de geestelijke en bevindelijke volgorde is waarop
deze genaden elkaar in het hart opvolgen, maar die waarin de
apostel die zelf gerangschikt heeft in een andere plaats: "Nu
blijft geloof, hoop, liefde; deze drie, maar de meeste van deze is
de liefde".
I. Laat
ons dan ten eerste zien op het geloof en zijn werk; en zulks
doende zal ik trachten u het geloof aan te tonen onder deze zes
onderscheiden gezichtspunten:
-
1. het
geloof in zijn natuur;
-
2. het
geloof in zijn werk;
-
3. het
geloof in zijn tegenstand;
-
4. het
geloof in zijn voorbeelden;
-
5. het
geloof in zijn overwinning;
-
6. het
geloof in zijn vrachten.
Want ik wens zo
duidelijk als ik kan een levende, ademhalende, sprekende
beeltenis van deze hemelse genade aan u voor te stellen, zoals
zij in het Woord is afgebeeld en op het hart van het kind Gods
is getekend, opdat gij enige getuigenis in uw geweten mag hebben
of gij de beweldadigde deelgenoot daarvan bent of niet.
1. In
het naspeuren van de natuur van het geloof, mogen wij nu onze
eerste blik werpen op zijn geboorte en oorsprong, en dit
doende zullen wij weldra uit het Woord der genade en de
ervaring van het huisgezin Gods zien, dat het, gelijk Paulus'
roeping tot het apostelschap, "niet is van mensen, noch
door een mens, maar door Jezus Christus, en God de Vader, die
Hem uit de doden opgewekt heeft" (Gal.1:1).
Wordt ons niet uitdrukkelijk gezegd dat zij die Christus
hebben aangenomen (en hoe konden zij Hem aannemen dan door het
geloof?) "niet uit de bloede, noch uit de wil des
vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren
zijn?" (Joh.1:13). En dat verklaarde onze Heere toen
Hij zei: "Hetgeen uit de Geest geboren is, dat is
Geest" (Joh.3:6). Wij kunnen het dus als een
allerzekerste waarheid tot grondslag nemen, dat het geloof een
plant is die niet in onze inlandse tuin groeit. Zegt onze
Heere niet: "Alle plant, die Mijn hemelse Vader niet
geplant heeft, zal uitgeroeid worden?" (Matth.15:13).
Indien dan het geloof niet uitgeroeid kan worden, met andere
woorden, indien het een blijvende genade moet zijn, moet het
door des Vaders hand geplant zijn; en dat getuigt ook Jakobus:
"Alle goede gave, en volmaakte gift (en is het geloof
niet een goede en volmaakte gift?) is van boven, van de Vader
der lichten afkomende, bij Wie geen verandering is, of schaduw
van omkering" (Jak.1:17). Het geloof is dus een uitheems
gewas, een tedere plant uit van de hemel eigen warme,
gelukkige luchtstreek, waar geen koude winden verkoelen, geen
vorst noch ijs verderft, geen scherpe oostenwind de bloemen
verdort die eeuwig bloeien, en de vruchten die eeuwig groeien
in dat hemels paradijs. Indien dan het geloof van deze
goddelijke oorsprong is, zullen wij er bij de kinderen van
deze wereld tevergeefs naar zoeken. En zodanig is des Heeren
getuigenis tegen het oude Israël, zelfs tot hen die Hij uit
Egypte geleid had, en die daarom de sterkste redenen hadden om
te geloven: "En Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht van hen
verbergen, Ik zal zien wat hun einde zal zijn: want zij zijn
een zeer weerspannig geslacht, kinderen in wie geen geloof
is" (Deut.32:20). Ja zelfs zegt de Heilige Geest meer dan
dit van dat geslacht, hetwelk getuige was van Christus'
wonderwerken: "En hoewel Hij zo vele tekenen voor hen
gedaan had, nochtans geloofden zij in Hem niet; opdat het
woord van Jesaja, de profeet, vervuld werd, dat hij gesproken
heeft: Heere! wie heeft onze prediking geloofd? en aan wien is
de arm des Heeren geopenbaard? Daarom konden zij niet geloven,
omdat Jesaja wederom gezegd heeft: "Hij heeft hun ogen
verblind, 'en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet
zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en
Ik hen geneze" (Joh.12:37-40). Maar behalve die
schriftuurlijke getuigenis, hebben wij ons slechts te beroepen
op de ervaring van elke heilige Gods, of hij in zijn eigen
boezem de inwendige overtuiging niet omdraagt, dat geloof,
waarachtig geloof, zaligmakend geloof, het geloof van Gods
uitverkorenen, het enige geloof dat die naam waardig is, de
zuivere, bijzondere gave Gods is. In het kort, zulks is de
uitdrukkelijke taal des Heiligen: "Uit genade bent gij
zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u; het is Gods
gave" (Efe.2:8). En wederom: "U is uit genade
gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te
geloven, maar ook voor Hem te lijden" (Flp.1:29). Gij
zult ook de vruchten des Geestes, van welke wij zulk een
gezegende lijst door de apostel bezitten, "het
geloof" uitdrukkelijk vermeld vinden: "Maar de
vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede,
lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof,
zachtmoedigheid" (Gal.5:22). En wanneer het een vrucht
des Geestes is, hoe duidelijk is dan het besluit dat haar
geboorte en oorsprong niet uit het vlees zijn.
Aldus een vluchtige blik geslagen hebbende op de hemelse
oorsprong van het geloof, kunnen wij beter bereid zijn om
haren aard te onderzoeken; wat het in zichzelf is als een
bijzondere en onderscheiden genade des Geestes. En ik geloof
dat wij om dit te bepalen niet beter kunnen doen dan de
beschrijving van de apostel te nemen aan de Hebreeën gegeven,
Hebr.11:1: "Het geloof nu is een vaste grond der dingen,
die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet
ziet".
Twee zaken worden hier van het geloof gezegd, die ik
afzonderlijk zal overwegen.
1. Dat
zij is "een vaste grond der dingen die men hoopt".
Door "vaste grond" versta ik wat wij
zelfstandigheid noemen; in andere woorden, dat het geloof
een werkelijk bestaan geeft aan die dingen, waarop de ziel
hoopt, die wezenlijk makende, ze als het ware bekledende met
leven, en duistere en verwijderde schaduwen bezielende met
een tegenwoordig zijnde en zeker bestaan. Niet dat het
geloof, gelijk de wonderstaf des tovenaars, de natuur der
dingen verandert, of datgene doet bestaan wat tevoren geen
aanwezen bezat, maar het geeft aan hetzelve een inwendig
bestaan of wezen, zodat zij als daadwerkelijk tegenwoordig
worden behandeld, geproefd en genoten als persoonlijke
werkelijkheden. Het geloof nu doet dit op onderscheiden
wijzen welke wij beter zullen zien nadat wij beschouwd
hebben wat "de dingen zijn die men hoopt". Deze
zijn tweevoudig: in der tijd genade, en toekomende
heerlijkheid. Dus zijn het werk en de getuigenissen des
gezegenden Geestes, met Zijn onderwijzingen, ondersteuningen
en vertroostingen; de vergeving der zonden, een kennis van
Gods gunst, zodat Zijn hand met ons is door de onderscheiden
tonelen en wisselingen van dit sterfelijke leven, een
vredevol sterfbed, en een overwinnende ingang in het
koninkrijk Gods, met een zalige verwachting van, als
Christus verschijnt, Hem te zien gelijk Hij is en Hem
gelijkvormig te zijn, "dingen die men hoopt". Nu
geeft het geloof aan die dingen die men hoopt, een vaste
zelfstandigheid in de boezem op onderscheiden wijzen.
Vooreerst overtuigt het ons van hun wezenlijkheid door zich
met de beloften te verenigen, gelijk Abraham het woord der
belofte geloofde: "Af zo zal uw zaad zijn". Dan
geeft het aan de ziel een smaak van de zoetheid en zaligheid
der dingen die men hoopt, want door het geloof smaken wij
dat de Heere goed is, en "U dan, die gelooft is Hij
dierbaar" (1Petr.2:3,7). "Smaakt, en ziet, dat de
Heere goed is" (Ps.34:9). Gelijk het woord waardoor het
geloof in het hart gewerkt wordt, "in betoning des
Geestes en der kracht" is, evenzo hebben de dus
geopenbaarde werkelijkheden een bijzonder gewicht, een
gewicht in zekere mate gelijk staande met hun aanbelang, en
dit geeft ze een vasten grond waarbij al de aardse dingen,
vergeleken wordende, slechts een schaduw zijn. Bent
verzekerd dat indien uw geloof de dingen der eeuwigheid geen
dieper plaats in uw hart geeft, geen steviger beslag op uw
geweten, geen vuriger eisen op uw genegenheden dan de
tijdelijke en zinnelijke dingen, uw geloof niet de vaste
grond is der dingen die men hoopt, noch het geloof der
uitverkorenen van God. Het geloof geeft ons ook een aandeel
van de dingen die men hoopt, want zij worden aan het geloof
geopenbaard, en daar dit aandeel vergezeld gaat met het
getuigenis en het zegel des Geestes, zo brengt zij vreugde
en vrede aan. De apostel zegt daarom: "Die ons ook
heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten
gegeven" (2Kor.40:20); en eveneens getuigt Petrus:
"Denwelken gij niet ziende, maar gelovende, u verheugt
met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde; verkrijgende
het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der
zielen" (1Petr. 1: 8, 9). Dus zien wij dat het geloof
geen denkbeeld, geen gevoelen, noch verbeelding is, maar een
allerzekerste, zelfstandige zegen, die, als zodanig, de
eeuwige wezenlijkheden een blijvende plaats in het hart
geeft.
2. Maar,
het geloof is ook "het bewijs der dingen die men niet
ziet". Wat zijn deze onzienlijke dingen? Zulke
geestelijke zaken als de verborgenheid der Drie-eenheid, de
Vader, de Zoon en de Heilige Geest in de Eenheid des
Goddelijke Wezens; de heerlijke Persoon des Zoons van God,
even gelijk en even eeuwig met de Vader en de gezegenden
Geest; de samengestelde Persoon van Immanuël, God met ons,
de algenoegzaamheid van Zijn verzoenend bloed als het
schuldig geweten reinigende; de gepastheid van Zijn
heerlijke gerechtigheid als "rechtvaardigende van alle
zaken, waarvan wij door de wet van Mozes niet
gerechtvaardigd konden worden;" Zijn opstanding uit de
doden; Zijn hemelvaart; Zijn persoonlijk Middelaarschap aan
de rechterhand des Vaders, Zijn tweede komst in heerlijkheid
met al zijn heiligen en engelen. Dit zijn enige van de
dingen die men niet ziet, gelijk de apostel zegt, "de
dingen die men ziet zijn tijdelijk, maar de dingen die men
niet ziet zijn eeuwig". En zo heeft "geen oog het
gezien, geen oor het gehoord, en het is in geen 's mensen
hart opgeklommen, hetgeen God bereid heeft die die Hem
liefhebben". Maar het geloof aanschouwt dezelve, gelijk
onze Heere tot Zijn discipelen zei: "Nog een kleinen
tijd, en de wereld zal Mij niet meer zien; maar gij zult Mij
zien"; "want Ik leef, en gij zult leven"
(Joh.14:19). Maar hoe zagen zij Hem anders dan door het
geloof? hetzelfde geloof als dat, waardoor Mozes
"vasthield als ziende de Onzienlijke"
(Hebr.40:27). Dus heeft het geloof een inwendig bewijs, een
geestelijk getuigenis dat de voor het sterfelijke oog
onzichtbare dingen zeker zijn; en zo met een geestelijk
gezicht begiftigd zijnde, doordringt het de sluier, die over
alle dingen hier beneden verspreid is, en tot zelfs in de
tegenwoordigheid ingaande, voert zij de verborgenheden van
het koninkrijk der hemelen als persoonlijke wezenlijkheden
neerwaarts. Zulks is dus een korte beschrijving van de
natuur van het geloof; waarvan dit het hoofd - het
onderscheidend kenmerk is, dat het Gods getuigenis
vertrouwt, gelooft wat God getuigd heeft op de zekere
autoriteit Zijns woords als levend en krachtig aan de ziel
gemaakt door de gezegende Geest.
2. Maar
nu komen wij tot het werk van het geloof; want het geloof is
geen ledige, luie, trage genade. Het heeft veel te doen; ja,
het heeft zelfs alles te verrichten, want zonder hetzelve
wordt er niets van enig nut betracht, want "al wat uit
het geloof niet is, dat is zonde" (Rom.14:23).
a. Maar
wat is het voornaamste werk van het geloof? Het is te
geloven in de Zoon van God. "Dit is het werk
Gods," zei onze gezegende Heere toen Hem gevraagd werd,
"wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen
werken?" "Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in
Hem die Hij gezonden heeft" (Joh.6:28,29). En wij
hebben een getuigenis tot dezelfde strekking uit de pen van
de apostel Johannes, waar hij zegt: deze dingen heb ik u
geschreven, die gelooft in de naam des Zoons Gods; opdat gij
weet dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in
de naam des Zoons Gods" (1Joh.5:13). Maar gij zult
zeggen: wel, dit is zulk zwaar werk niet". Dit zou uw
taal niet zijn, indien gij iets kende van de moeilijkheden
van het geloof, of indien gij het verschil, het plechtig,
eeuwig verschil kende, tussen een geloof dat bloot
natuurlijk en geschiedkundig gegrond is op redenering en
vernuft, en het geloof van Gods uitverkorenen dat voor
zichzelf, onder een goddelijke en hemelse kracht, de Persoon
en het werk des Zoons Gods omhelst als een levende
werkelijkheid, en een heiligen invloed trekt uit Zijn
heerlijke volheid om het geweten te reinigen van schuld en
onreinheid, en de ziel te vervullen met alle blijdschap en
vrede in het geloof. Maar dit verschil, dat gij niet kent,
wordt diep in het hart en het geweten van Gods volk
gewrocht. Zij weten zeer wel, dat gij even goed zoudt kunnen
beproeven een nieuwe zon te scheppen en haar door het
luchtruim doen wentelen, als een levend geloof in de ziel op
te wekken in en op de Zoon van God door uw eigen kracht. Zij
weten het door een diepe en blijvende kennis van het
ongeloof hunner harten van nature, en haar algehele
onbekwaamheid, om een geloof op te wekken, dat door de
liefde werkt, het hart reinigt, de wereld overwint, de
vrijen toegang tot God verleent, antwoord op het gebed
verkrijgt, en vergezeld gaat van de kennelijke goedkeuring
des Almachtigen.
b. Maar niet slechts is het het werk van het geloof,
te geloven in de Zoon van God, maar een leven van het geloof
op Hem te leven; niet alleen door te dringen in de
tegenwoordigheid Gods, en de Persoon van Christus binnen het
voorhangsel te bevatten, maar ook, dag aan dag te leven op
Zijn heerlijke en altijd vloeiende, overvloeiende volheid -
gelijk de apostel zo schoon zijn eigen bevinding in deze
zaak beschrijft: "Hetgeen ik nu in het vlees leef, dat
leef ik door het geloof des Zoons Gods, die mij liefgehad
heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft"
(Gal.2:20). Dit is dus het werk van het geloof, om altijd te
blijven zien op de Zoon van God als de Weg, de Waarheid en
het Leven; altijd te leven op Zijn volheid, altijd te
ontvangen uit de voorraad der hemelse genade. Maar aangezien
dit slechts door gebed en smeking kan geschieden, is het
werk van het geloof Zijn Heiligen naam aan te roepen,
ofschoon het soms zijn mag van de uiterste einden der aarde;
voor Hem te pleiten, met Hem te spreken gelijk een mens met
zijn vriend spreekt; en dus in de werkzame uitvoering en
levende oefening van deze hemelse genade, met Hem te
worstelen, gelijk Jakob worstelde met de engel, teneinde een
zegen van Zijn mond in het hart te ontvangen.
c. Maar wederom, is een ander deel van het werk van
het geloof, te staan; want wij staan door het geloof,
(2Kor.1:24). En wat is het, te staan? Wanneer wij overwegen
wat er in de zonde en in onszelf is om ons weg te voeren. 0,
om in de dag des kwaads te staan, en alles verricht hebbende
om te staan! is dit niet het werk van het geloof? ja, op
onze voeten te staan, tegenover de stromen der dwaling, die
als in een vloed rond de gemeente bruisen; tegen de golven
der boosheid die over de wereld vloeien; tegen de zondvloed
der ongerechtigheden van ons eigen onrein hart; tegen de
vloeden der verzoeking uit de muil van de satan; nochtans te
staan, en stevig te staan op de grond der waarheid en een
goed geweten, waar de Heere ons geplaatst heeft - dit is
waarlijk het werk van het geloof.
d. Maar wederom is het werk van het geloof te
strijden zowel als te staan. Wij worden geroepen om te
"strijden de goede strijd van het geloof"; en ons
wordt gezegd dat wij "de strijd niet hebben tegen vlees
en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen
de geweldhebbers der wereld, der duisternis van deze eeuw,
tegen de geestelijke boosheden in de lucht". Dus zijn
wij met een hemelse wapenrusting toegerust, en bovenal met
een dierbaar schild, "het schild des geloofs, met
hetwelk wij al de vurige pijlen van de bozen zullen kunnen
uitblussen;" want, gelijk Hart zegt:
"Christenen worden niet geroepen tot het spel, maar tot
strijd."
Onze dagelijkse bevinding is meer of minder een bevinding
van de strijd. Wij hebben te strijden tegen de zonden die
ons licht omringen, tegen de strikken en verzoekingen, die
elk ogenblik aan onze voeten gelegd worden; tegen de
dagelijkse onophoudelijke invloed van een goddeloze wereld;
zelfs tegen die dingen welke ons vleselijk hart het
allerteerste bemint; en tegen de werkingen en redeneringen
van ons natuurlijk gemoed, die allen tegen een leven des
geloofs aangekant zijn. Tegen al deze dingen hebben wij te
strijden, en zelfs ten bloede toe weerstand te bieden,
strijdende tegen de zonde. Maar wij zullen misschien
duidelijker zien wat het werk des geloofs is, door in het
licht van het woord en der Christelijke ervaring ons
volgende punt te onderzoeken:
3. De
tegenstand welke het geloof te ontmoeten heeft. Nu hebben wij
iemands werk af te meten niet alleen naar hetgeen hij
verricht, maar naar de moeilijkheid welke hij te bestrijden
heeft onder het verrichten daarvan. Het is gelijk het
beploegen van twee verschillende soorten van land: gij moet
niet afmeten hoeveel werk iemand in een dag verricht, bloot
naar het aantal voren welke hij kan trekken; gij moet in
aanmerking nemen of hij harden kleigrond, of lichten veengrond
ploegt. Zo moeten wij het werk des geloofs met kracht niet
afmeten naar de uitgevoerde hoeveelheid, maar naar de
moeilijkheden, die onder haar verrichting te bestrijden zijn.
Het schijnt in de eerste oogopslag een gemakkelijke zaak, te
geloven in de Zoon van God, een eenvoudige verrichting, een
leven van het geloof op Hem te leven, een gemakkelijke taak de
goede strijd des geloofs te strijden. Maar wanneer wij
beginnen met het werk van het geloof af te meten naar de
tegenstand, die het te bestrijden heeft in het verrichten van
deze dingen, bevinden wij dat het de kracht Gods in de ziel
eens mensen vereist, teneinde het geloof te bekwamen, om het
werk te verrichten dat daaraan verbonden is. Want ziet op de
tegenstand die het te verduren heeft.
a. Ziet
vooreerst op het ongeloof van 's mensen hart. O, welk een
tegenstand wordt tegen elke daad van het geloof betoond,
door het ongeloof, dat, als het ware, het levensbloed van
ons natuurlijk gemoed is! Hebt gij nimmer gezucht, geroepen,
gekermd, onder het ongeloof van uw hart? Hebt gij het nimmer
gevoeld zulk een zware last te zijn, en zulk een berg van
bezwaren vertonende, dat wanneer gij met al de kracht van Uw
ziel beproefde te geloven in de Zoon van God en een levend
geloof te verwekken, teneinde Hem in Zijn bloed, en
gehoorzaamheid te bevatten, er een tegenstand in uw hart
verwekt werd tegen de handelingen van het geloof door het
gewicht van het ongeloof, dat het terneder drukte? Door deze
tegenstand dus, kunt gij iets van de kracht van het geloof
kennen, welke vereist wordt, en het werk van het geloof als
werkende in die kracht om het ongeloof te overtreffen.
b. Maar daar is ook de tegenstand van het redenerend
gemoed; want het redenerend gemoed van de mens is door en
door tegen al de handelingen van het levend geloof in de
ziel aangekant. Er bestaat geen tegenwerping tegen de
dwaasheid Gods, welk het redenerend gemoed van de mens niet
somwijlen opwerpt en zoekt te bezige tegen alles wat God in
Zijn heilig Woord geopenbaard heeft; want bijna alles in het
Woord Gods is, ik zal niet zeggen strijdig met, maar boven
de rede. De verborgenheid der Drie-eenheid; de samengestelde
Persoon van Christus; Zijn werk aan het kruis; Zijn
verzoenend bloed en gehoorzaamheid; Zijn opstanding uit de
doden; Zijn hemelvaart en Zijn zitten in de hemel aan Gods
rechterhand, met het gehele werk des Geestes op het hart, -
al deze waarheden zijn niet strijdig met de rede: zij zouden
geen waarheid zijn als zij zulks waren, maar zij zijn
daarboven; gelijk de Heere zegt: gelijk de hemelen hoger
zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen,
en Mijn gedachten dan ulieder gedachten" (Jes.55:9). Nu
is ons redenerend gemoed tegen die waarheden aangekant,
omdat het die niet tot haar eigen evenredigheid kan overeen
brengen; en niet in staat zijnde om ze te begrijpen door de
oefening van haar eigen vermogens, is zij gekant tegen de
oefening van het geloof op dezelve.
c. Maar ziet wederom op een andere oorzaak van
tegenstand. Hoe kan de satan werken op het vleselijk gemoed,
en welke ingeving kan hij gebruiken en gebruikt hij om het
werk van het geloof met kracht te weerstaan. Hoe listig zijn
zijn beweegredenen; hoe krachtig zijn ingevingen; hoe
kunstig zijn inblazingen; en hoe zijn ze allen gericht tegen
het werk van het geloof om de Zoon van God te omhelzen en
een leven van het geloof op Hem te leven. Soms blaast hij
in: "hoe kunnen deze dingen waar zijn?" Somwijlen:
"hoe weet gij dat gij daaraan deel hebt?" Soms
vergroot hij de grootte van onze zonden, voordat wij door de
genade geroepen zijn, en soms de zonden die wij sedert die
tijd pleegden, uit die beiden bedreigende: voor u is er geen
hoop, want gij hebt gezondigd boven het bereik der
genade". Dus is er een tegenstand tegen het werk van
het geloof met kracht, niet slechts uit de redenering van
ons natuurlijk gemoed, dat samenstemt met de ingevingen van
de satan, maar ook van de krachtige en listige verzoekingen
van de bozen, zelfs op grond dat dezelfde dingen waar zijn,
die hij kort tevoren ontkend heeft.
d. Maar er is nog een andere oorzaak van tegenstand,
en dit is een schuldig geweten. Niets schijnt meer in verzet
tegen het werk van het geloof niet kracht, dan een schuldig
geweten; want dit is nauw verbonden aan een ongelovig hart,
hetwelk de apostel deed zeggen: "Ziet toe, broeders!
dat niet te eniger tijd in iemand van u zij een boos, en
ongelovig hart, om af te wijken van de levende God"
(Hebr.3:12). En waarom is het "een boos en ongelovig
hart", dan omdat het vergezeld is van "een
boos", dat is een schuldig "geweten?" Ook kan
de stem van het geloof niet gehoord worden, behalve wanneer
dit schuldig geweten besproeid is met toepassing van het
bloed der verzoening; hetwelk de apostel deed zeggen:
"Laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle
verzekerdheid van het geloof, onze harten gereinigd zijnde
van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met
rein water" (Hebr.10:22).
Maar het geweten, zelfs wanneer het eenmaal gereinigd is
geweest, zinkt dikwijls, door nieuw verkregen schuld, neer
in diepten, uit welke het schijnt, alsof het niet op kan
rijzen, en verliest dus het gezicht op de Persoon en het
werk des Zoons Gods.
4. Maar
wij gaan over tot ons volgende punt, hetwelk, onder Gods hulp
en zegen een nog helderder licht op het werk van het geloof
kan werpen, namelijk, de voorbeelden, welke God in Zijn Woord
gegeven heeft aan de kracht van het geloof; en wij zullen er
twee nemen, die de Heere bijzonder ter van onze onderrichting
verschaft heeft. Het een is dat uitmuntend voorbeeld, het
geloof van Abraham; want hij is ons voorgesteld als "een
vader van allen die geloven" die daarom gezegd worden
"te wandelen in de voetstappen van dat geloof, hetwelk
hij had, nog in de voorhuid zijnde" (Rom.4:11,12).
Vestigt nu slechts voor een paar ogenblikken een blik op
Abrahams geloof, en beschouwt haar natuur, haar einde en
voorwerp. Het voorbeeld van het geloof van Abraham, waarop de
apostel hoofdzakelijk doelt is, waar de Heere hem in de
donkere nacht verscheen en zei: "Ik ben uw schild, uw
loon zeer groot;" en hem toen uitleidde en gebood de
sterren aan de hemel te zien, zeggende: "Alzo zal uw zaad
zijn". Nu lezen wij dat "hij geloofde in de Heere;
en Hij rekende het hem tot gerechtigheid" (Gen.15:1,5,6).
Dat was dus een daad van rechtvaardigend geloof. Hij geloofde
de belofte Gods, als tot zijn ziel komende met goddelijke
kracht. Maar dit is het punt waarop ik uw aandacht wens te
bepalen, dat zijn geloof, ofschoon het een rechtvaardigend
geloof was, nochtans van zulk een aard was, dat het een
geloven was tegen hoop. "Welke," zegt hij, tegen
hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van
vele volken; volgens hetgeen gezegd was: Alzo zal uw zaad
wezen. En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn
eigen lichaam niet aangemerkt, dat reeds verstorven was, alzo
hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook, dat de baarmoeder
in Sara verstorven was. En hij heeft aan de beloftenis Gods
niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het
geloof, gevend God de eer; en ten volle verzekerd zijnde, dat
hetgeen beloofd was, Hij ook machtig was te doen"
(Rom.4:18-21). Dit was dus Abrahams geloof. Het was een vast
vertrouwen op de belofte die God hem gedaan had, en toch een
geloof dat leefde onder tegenstand, hopende tegen hoop, en ten
volle verzekerd zijnde dat hetgeen God beloofd had, Hij dat
ook zou doen. Ons geloof dan, zo het echt is, moet met dat van
Abraham overeenkomst hebben. Het moet gegrond zijn in de
waarheid Gods, die leven en geest aan onze ziel geeft. Het
moet elke tegenstand weerstaan van buiten en van binnen; van
de zonde, de satan en de wereld; van de natuur, en het vlees,
en de reden, die er allen samengezworen tegen zijn. Maar trots
allen, moet het hopen tegen hoop, en ten volle verzekerd zijn,
dat hetgeen God beloofd heeft, Hij ook machtig is te
vervullen; en dus door volharding en lijdzaam wachten de
overwinning behalen. Neem een ander voorbeeld, dat van Mozes:
zijn geloof was van deze aard: "Door het geloof heeft
Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van
Farao's dochter genoemd te worden; verkiezende liever met het
volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de
genieting der zonde te hebben" (Hebr.40:24,25). Het
bijzonder karakter van Mozes' geloof was dit, dat, ofschoon
hij uitermate verhoogd was, en al de schatten en genoegens van
Egypte kon gesmaakt hebben, hij nochtans liever vrijwillig
verkoos met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan
alles te genieten wat de weelde kon aanbieden of het vleselijk
genot verschaffen; "ziende op de vergelding des loons".
5. Nu
ga ik voort, na u deze voorbeelden aangetoond te hebben om u
de overwinning van het geloof aan te wijzen; want als wij
moeten zalig worden, moet ons geloof het veld behouden; wij
moeten een geloof bezitten dat zal triomferen over dood en
hel, en een heerlijke overwinning behalen over elke inwendige
en uitwendige en helse vijand, gelijk Johannes zegt: "Dit
is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons geloof.
Dit is dan de juiste toestand, waarin de zaak staat: wij
moeten of overwinnen of overwonnen worden; wij moeten het veld
behouden en gekroond worden met een onsterfelijke kroon der
heerlijkheid, of anders verzinken in de strijd, verslagen door
de zonde en de satan. Maar niet een van Gods volk zal in de
strijd verslagen worden; en nochtans schijnen zij dikwijls,
als het ware, de nederlaag te ontkomen langs de huid van hun
tanden; echter zal het geloof vroeger of later de zege
behalen, want Jezus is hun voleindiger zowel als hun overste
Leidsman. Hij zal het geloof Zijner eigen gave met eeuwige
heerlijkheid bekronen. Hij zal nooit toelaten dat Zijn
dierbaar huisgezin in de goede strijd van het geloof
overwonnen wordt, want Hij zal kracht geven aan elke zwakken
arm en sterkte aan elke slappe knie, en heeft Zich verbonden
hen meer dan overwinnaars te doen zijn. Dus nadat het de Heere
de Geest behaagt in de ziel te werken door Zijn levenden
ijver, versterkt Hij het geloof meer en meer om te geloven in
de naam van de Eniggeboren Zoon van God, meer voortdurende
toevoer uit Zijn volheid te ontvangen, meer ernstig met God te
worstelen om een geestelijken zegen; om meer krachtig te staan
in de bozen dag tegenover elke aanvallende vijand; meer dapper
de goede strijd van het geloof te strijden, en nooit triomf te
roepen voor dat geloof zijn heerlijk einde heeft bereikt,
hetwelk is: Jezus te zien gelijk Hij is in het rijk van de
eeuwige dag. Uw geloof mag zwak zijn, het mag bij tijden
schijnen tot zijn laagste punt te verminderen, maar zo zeker
als Jezus de strijd gestreden, de overwinning behaald, en nu
met eer en heerlijkheid gekroond is, zo zeker zal Hij u meer
dan overwinnaar doen zijn, als zijnde de koopprijs van Zijn
verzoenend bloed; want geen lid van Zijn verborgen lichaam zal
omkomen, maar zij zullen allen in Hem verlost worden met een
eeuwige verlossing.
6. Nu
nog één woord over de vruchten van het geloof. De grote
vrucht is de zaligheid der ziel: want dit is het einde van het
geloof, "verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de
zaligheid van Uw zielen". Maar elke geestelijke vrucht
hangt rond het geloof, in volle, rijpe trossen: want een
geloof zonder vrucht is een dood geloof voor God. Een geloof
dat niet leeft tot Gods lof, wandelt in Gods vrees, zich
verlustigt in de Heere, en vruchten tot Zijn eer en
heerlijkheid voortbrengt, draagt het zegel van de hemel niet
op zich. Het wordt niet vertrouwd als het geloof der
uitverkorenen van God te zijn, noch draagt het een enkel
kenmerk van in de hemelse munt geslagen te zijn als dragende
de beeltenis en het opschrift van Christus.
II. Maar
laat mij nu uw aandacht vestigen op de tweede van deze drie
blijvende genaden, hetwelk ook een ander deel is van onze
opvoeding voor de eeuwigheid - de hoop en haar verdraagzaamheid.
Gij zult opmerken dat elk van deze drie Christelijke genaden
haar bijzonder ambt en werk heeft. Het geloof heeft zijn werk,
de hoop heeft haar verdraagzaamheid, en de liefde haren arbeid.
Om deze verschillende wezenstrekken op te luisteren, kunnen wij
ons misschien van een vergelijking bedienen. Het geloof is
gelijk een jongeling in het beginsel van zijn kracht, met al de
vlijt, en kracht, en behendigheid der jeugd, en nochtans
toegerust met een sterke kracht van verduring van zwaar werk en
lichaamsarbeid. En de liefde kan een man voorstellen, die reeds
verder in het leven gevorderd is, wanneer zijn lichaamsgestel
aan zwaar werken gewoon is, en hij nu een door en door bekwaam
werkman zijnde, in staat is om voort te blijven werken onder de
brandende zon of temidden van de wintervorst zonder verzwakking
of vermoeidheid.
Ik stelde voor om u "de hoop en haar verdraagzaamheid"
aan te tonen. Maar aangezien ik bij een vroegere gelegenheid,
toen ik over de poorten der stad predikte, enigszins uitgebreid
sprak over de aard der hoop, en hoe zij in het hart verwekt
werd, zal ik nu niet in dat gedeelte van het onderwijs
indringen, maar mijzelf hoofdzakelijk bepalen bij de
beschrijving van haar werk, hetwelk hier verdraagzaamheid
genoemd wordt.
1. Nu
betekent "verdraagzaamheid" in de Schrift niet
slechts lijdzaamheid in de gewone zin der uitdrukking, - dat
is, zachtmoedigheid, stilheid, en teerheid, onderwerping en
gelatenheid onder de wil van god, zonder murmurering,
gemelijkheid, of opstand, maar het betekent ook, en dat meer
gewoonlijk, wat gewoonlijk verstaan wordt door het woord
volharding. Dit zullen wij wellicht straks duidelijker zien
dat het bijzondere werk der hoop is, en een werk dat meer
gepast daartoe is dan de meer algemene betekenis van het woord
lijdzaamheid dat onderwerping en gelatenheid uitdrukt. In de
godsdienst moeten wij niet slechts aanvangen maar voortgaan -
om wel te eindigen, zowel als om wel aan te vangen. Vandaar de
noodzakelijkheid der verdraagzaamheid.
Wanneer wij nu de schriftuurplaatsen onderzoeken welke van
"lijdzaamheid" of "verdraagzaamheid"
spreken, dan zien wij dat in die allen deze hoedanigheid van
"verduring" vooral bedoeld wordt. De apostel zegt,
bijvoorbeeld: laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan die
ons voorgesteld is" (Hebr.12:1). Welke bekwaamheid wordt
er nu vooral vereist in het lopen van een loopbaan? Gij zult
wellicht zeggen: "Snelheid der voeten". Dat is waar.
Maar veronderstel dat de loopbaan enige mijlen lang is. Wordt
er dan niet wat meer vereist? Zeker; en wat anders dan
volharding - blijvende kracht, sterkte van adem en leden,
volharding, en dat vaste besluit dat niet weg te slaan is, dat
eer zou sterven dan overgeven? Wordt deze hoedanigheid niet
meer vereist in het lopen van een loopbaan, vooral van een
loopbaan die een gans leven door moet duren, dan stille
onderwerping aan beproeving, of wat wij gewoonlijk verstaan
door het woord "verdraagzaamheid?" Neemt wederom wat
door de apostel Jakobus van Job gezegd wordt: "Ziet wij
houden hen gelukzalig, die verdragen; gij hebt de
verdraagzaamheid van Job gehoord, en gij hebt het einde des
Heeren gezien, dat de Heere zeer barmhartig is, en een
Ontfermer" (Jak.5:11). Ik wil slechts opmerken dat de
woorden, vertaald door "verdraagzaamheid" en
lijdzaamheid" in het oorspronkelijke hetzelfde zijn,
zodat wij het aldus zouden kunnen lezen: "Ziet wij houden
hen gelukzalig die verdragen; gij hebt de lijdzaamheid van Job
gehoord". Job was niet zeer geduldig, want hij vervloekte
de dag zijner geboorte, maar hij was wonderlijk lijdzaam. Hoe
bleef hij standvastig onder het verlies van al zijn kinderen,
de verwoesting van al zijn bezittingen, de heftige aanvallen
van de satan, de beschimpingen zijner vrouw, de boze zweren
van zijn voetzolen tot aan de kruin zijns hoofds, en, wat
erger was dan dat alles, de pijlen des Almachtigen die zijn
geest uitputten. Hoe verdroeg hij het grootste lijden van
lichaam en ziel, en bewees' hij door het verduren dat "de
wortel der zaak" in hem was. Dit "verduren"
dan, is het werk en gebied der hoop. Wij zien dit soms
natuurlijk zowel als geestelijk. Menig mens is zeer ijverig,
behendig en vlug, maar heeft geen kracht om te volharden, geen
spierkracht, geen voorraad van sterkte. Hij kan in het begin
een zekere mate van werk verrichten, maar als het op lang
werk, zware arbeid en onvermoeide verduring van oefening
aankomt, bezwijkt hij onder de last omdat zijn spieren zwak en
slap zijn, en hij geen sterk beginsel van lichaamsgestel
heeft. Dit is dus het bijzondere ambt, ik zou bijna kunnen
zeggen, de bijzondere schoonheid en zaligheid der hoop, dat
zij een volhardende genade is: een genade die verdraagt,
verduurt, het uithoudt, en hoe ook beproefd, nimmer bezwijkt.
Hebt gij dit niet dikwijls bevonden, dat, wat ook bezweek, gij
nimmer uw hoop kon laten varen? Daar doet gij wel aan; want de
hoop op te geven is in wanhoop te vervallen; en merk op dat,
gelijk het het werk van het geloof is, te geloven tegen
ongeloof, zo is het werk der hoop om te hopen tegen wanhoop.
De hoop wordt in de Schrift vergeleken bij een anker, waarvan
gezegd wordt dat het binnen het voorhangsel ingaat. Wat is nu
de voornaamste deugd en waarde van een anker? Het is niet om
iets te doen of te werken; haar werk is stil te liggen en
nooit te bewegen; nooit te breken, nooit te slepen, nooit
thuis te komen. Het anker doet zijn werk in het donker, het
zinkt geheel uit het gezicht in het zand, en is zo ingericht,
dat hoe zwaarder het schip trekt, hoe dieper het zich zelf
verbergt, en hoe steviger het vasthoudt. Deze eigenschap,
halsstarrige terugwerking, deze stugge, onbuigzame greep, is
de bijzondere deugd van het anker, zonder welke het geheel
nutteloos zijn zou. Indien het goed gemaakt is, indien het
taai ijzer en goed gesmeed is, zal het in de grond haken, en
stevig vastklemmen; en als de ketting even sterk is, zodat de
schalmen niet breken, kan het schip veilig voor anker liggende
de hevigste storm verduren. Zulk een anker der ziel is de hoop
- kracht om te weerstaan, nooit te breken, nimmer te wijken,
daar dit haar bijzondere uitnemendheid is zowel als haar
bijzonder werk. Maar merk nu op het verband tussen geloof en
hoop. Het geloof geeft aan de dingen die men hoopt een vasten
grond, en dan grijpt de hoop de zaken aan die het geloof dus
verwezenlijkt, en ankert daarin met vasthoudenden greep, alsof
het die niet wil, noch kan, noch moet, durven los te laten,
want ze los te laten is geheel en al verloren te zijn. indien
gij ooit een belofte met goddelijke kracht aan uw gemoed
toegepast hebt ontvangen, ooit een ontdekking van Jezus aan uw
ziel genoot; een woord van Zijn mond; een toepassing van Zijn
verzoenend bloed aan uw geweten; of enige uitstorting van de
liefde Gods in uw hart hebt genoten, dan grijpt de hoop de dus
meegedeelde zegen stevig aan, en wil ze niet laten gaan. juist
gelijk het anker de grond stevig vasthoudt, en door stevig
vastklemmen het schip behoudt; zo behoudt de genade der hoop
de ziel, (want, "wij zijn in hoop zalig" (Rom.8:24),
door nimmer een geestelijke zegening los te laten, die de
Heere in het hart heeft uitgestort.
2. Maar de hoop heeft haren tegenstand zowel als het
geloof, want gelijk het geloof door het ongeloof wordt
tegengestaan, zo wordt de hoop tegengestaan door wanhoop.
Wanhoop is een allerverschrikkelijkst gevoel, waarmee het
huisgezin Gods dikwijls omringd is. Wij moeten er ontheffing
van zoeken door de hoop.
De wanhoop werken is de lust,
Van satans hels venijn;
Op hoop geloven tegen hoop,
Moet, broeders, 't onze zijn.
Hier dan willen wij ankeren. De stormen der gevreesde wraak
die op de ziel beuken; de sterke stroom van schuldige vrees;
het getij des ongeloofs dat hoger en hoger aanwast; de rotsen
van naakte verderfenis die in het gezicht liggen, met
golfslagen die hen met schuim overdekken, en zo menig wrak
tegen hen aanbeukt; de vrees van de zeeman dat de kabel van
het anker zou losbreken, of het anker zou loslaten, - dit
alles stelt goed voor wat de hoop heeft te verduren, en hoe
zij door verdraagzaamheid allen tegenstand overwint. Zo
moedigt David zijn ziel aan om nochtans op God te hopen,
wanneer zij in hem neergebogen is, onder de zalige verzekering
dat hij Hem nog zou loven (Ps.42:11). De hoop der zaligheid is
onze helm (1Thess.5:8), gelijk het geloof ons schild, de
waarheid onze gordel, gerechtigheid ons borstwapen, en het
Woord Gods ons zwaard is. Laat ons dan onze helm ophouden,
want die af te zetten is blootshoofds in de strijd gaan.
3. Maar de hoop heeft haar einde zowel als het geloof;
en welk einde is dit? Al wat wij behoeven en al wat wij
begeren - genieting, of verzadiging; want gelijk het geloof
zal verslonden worden in het gezicht, zo zal de hoop zich
verliezen in het genot.
4. En niet alleen heeft de hoop haar einde, maar haar
vruchten; want het zou inderdaad onrijmbaar zijn van zulk een
uitnemende genade des Geestes als de hoop is, dat het een
dorre boom was, of, gelijk Efraïm, alleen door zichzelf
vruchten droeg. Johannes spreekt niet van een dorre en
onvruchtbare hoop: "En een ieder, die deze hoop op Hem
heeft, die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is"
(1Joh.3:3). Nu zijn de vruchten der hoop tweevoudig - inwendig
en uitwendig.
Verdraagzame verwachting is de voornaamste inwendige vrucht
der hoop, gelijk de apostel zegt: "Want wij zijn in hoop
zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop:
want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Maar
wanneer wij hopen, hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij
het met lijdzaamheid" (Rom.8:24,25). Dus op haren
wachttoren te staan, uit te zien naar de komst des Heeren, die
"goedertieren is over allen die Hem verwachten, de ziel
die Hem zoekt," is de bijzondere vrucht der hoop, gelijk
wij lezen: het is goed dat men hoop, en stille zij op het heil
des Heeren" (Klgld.3:26).
Zich aan Gods wil te onderwerpen; eenzaam te zitten en stil te
zijn, ootmoedig zonde te belijden, zijn mond in het stof te
steken, is een andere vrucht der hoop: "Hij zitte
eenzaam, en zwijg stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft"
(Klgld.3:28,29).
De Heere te kiezen als ons algenoegzame deel, wetende dat in
Zijn goedgunstigheid het leven is, is een andere inwendige
vrucht der hoop: "De Heere is mijn deel, zegt mijn ziel,
daarom zal ik op Hem hopen" (Klgld.3:24).
En om een andere bezie aan de tros toe te voegen, zal ik nog
een andere inwendige vrucht der hoop noemen - een ootmoedige
herdenking van verleden ellenden en goedertierenheden:
"Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij buigt zich
neer in mij. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik
hopen" (Klgld.3:20,21).
En de hoop geeft ook haar uitwendige vruchten, zoals
afscheiding van de wereld; een nauw aansluiten aan Gods volk;
een leven niet in de zonde en zichzelf, maar voor de Heere; en
een gedrag en wandel, welke de zodanigen betaamt, die belijden
de verschijning des Heeren te verwachten.
III. Maar
daar de tijd dringt, moet ik mij spoeden tot de laatste der drie
blijvende genaden, en de grootste van deze drie tevens, die ik
daarom de laatste in volgorde geplaatst heb: "Nu blijft
geloof, hoop, liefde, deze drie; maar de grootste van deze is de
liefde". Maar de liefde heeft in de woorden van onze tekst
een arbeid, zowel als het geloof een "werk" en de hoop
een "verdraagzaamheid".
1. Maar
wat is de liefde? Want aangezien ik de natuur van het geloof
en der hoop omschreven heb, moet ik nu ook enige woorden
spreken over de natuur der liefde. Maar hoe kan ik dezelve
beschrijven, hoe deze hemelse genade ontlenen en ontvouwen;
hoe haar schone gelaatstrekken afmalen, of haar beminnelijke
gedaante schetsen? De liefde kan niet beschreven worden; zij
moet gevoeld worden om ze te kennen; maar als een hulpmiddel
om haar natuur te bevatten, mag gij enige der trekken van
aardse liefde beschouwen. De liefde heeft een welbehagen om
met het beminde voorwerp te zijn; het gelaat te zien; de stem
te horen; nabij de persoon te verkeren; er liefelijk door te
worden aangesproken; en bovenal zich te verlustigen in de
genoeglijke bewustheid van te beminnen en wederom bemind te
worden. Dit is een flauwe schets van enige kenmerken van
aardse liefde; en de hemelse liefde komt daarmee, in hoger en
reiner zin, veel overeen. Waar de liefde Gods ook door de
Heilige Geest in het hart is uitgestort, en de Heere zich
dierbaar, nabij en beminnelijk maakt, daar zal een
verlustiging zijn in de gemeenschap, en een opzien tot het
aangezicht en in het horen naar de stem des Heeren; in het
genieten van des Heeren tegenwoordigheid; en boven alles, in
de zoete bewustheid dat de Heere ons bemint terwijl wij Hem
liefhebben.
2. Maar deze liefde heeft een arbeid. Het is geen
koude, dode, trage genade, die geen werk te verrichten heeft,
en geen hart om het te volbrengen. Zij heeft te arbeiden, en
dat zeer hard; want een liefde die niet wil arbeiden is een
liefde die niet eten moet. Maar wat is de arbeid der liefde?
Vooral tweevoudig, in en uitwendig.
a. De
inwendige arbeid der liefde bestaat in het arbeiden tegen de
koelheid, dodigheid, en stugheid; en vooral tegen de
vijandschap van het vleselijk gemoed. Want gelijk "het
werk van het geloof" is om te strijden tegen het
ongeloof, en de "verdraagzaamheid der hoop" om te
verderven en tegen wanhoop te strijden, zo is "de
arbeid der liefde", te zwoegen en te worstelen tegen de
vijandschap en de tegenstand van het vleselijk gemoed. Maar
zij heeft ook te arbeiden onder en tegen het wantrouwen, de
jaloersheid, de teleurstellingen, en de verbergingen van de
toeknikken en de tegenwoordigheid van het beminde Voorwerp.
Dikwijls heeft het ook te arbeiden in het donkere, zonder
een beminnelijk woord of bemoedigenden blik; dikwijls te
zuchten, te treuren, scherpe pijlen, wrede gevaren en
kwellend wantrouwen te verduren, door het vertoeven van de
komst van de Beminde. "Waarom," roept zij uit,
vertoeft de wagen zo lang in het komen? Waarom vertoeven de
wielen van zijn wagen?" Waarlijk deze liefde heeft alle
dingen te verdragen, alle dingen te geloven, alle dingen te
hopen, alles te verduren; want de liefde bezwijkt nimmer.
Gelijk het vuur van de hemel op het geelkoperen altaar,
wordt de liefde die eenmaal ontstoken wordt, nimmer
toegelaten uit te gaan. Dus heeft de liefde te arbeiden, en
soms zeer hard, teneinde zich van de beloofden zegen te
vergewissen, en de uitgelezenste vruchten te oogsten, de
zoete bewustheid en het genot van des Heeren liefde. Maar
gelijk in het geval van geloof en hoop, heeft ook de liefde
haren tegenstand; en de arbeid der liefde wordt geopenbaard
in verhouding tot de tegenstand die zij verduurt, en de
overwinning die zij op dezelve behaalt. Indien er geen
vijandschap van het vleselijk gemoed, geen twijfelingen,
vrees, geen koelheid, ijverzucht, wantrouwen of
teleurstelling bestonden, zou er geen arbeid der liefde
zijn, om tegen dezelve te werken. Maar door deze zelfden
arbeid wordt het geopenbaard als een werkende genade, als
"een liefhebben, niet in woord, noch in de tong, maar
in der daad en in waarheid".
Een andere inwendige arbeid der liefde is het Voorwerp van
haar liefde te behagen, door onderwerping aan Zijn wil, door
geduldig lijden onder het zware kruis, door gehoorzaamheid
aan Zijn voorschriften en door een vast besluit om Zijn
Woord als regel, Zijn heerlijkheid als hoofddoel, en Zijn
gunst als hoogste en enige beloning te doen zijn.
b. Maar de liefde heeft haren uitwendige arbeid zowel
als haren inwendige, gelijk wij lezen: want God is niet
onrechtvaardig, dat Hij uw werk zou vergeten, en de arbeid
der liefde, die gij aan Zijn naam bewezen hebt, als die de
heiligen gediend hebt en nog dient" (Hebr.6:10).
"De liefde van Christus," zegt de apostel,
"dringt ons;" en waartoe? dat wij niet meer
onszelf zouden leven, maar Die, die voor ons gestorven en
opgewekt is" (2Kor.5:14,15). Afzondering van de wereld;
te leven tot prijs en heerlijkheid Gods; te wandelen in Zijn
vrees; een begeerte om onze beste, enige Vriend te behagen;
een schrik om Hem te beledigen; een zoeken om wel te doen
aan de zielen en lichamen der mensen; een Goddelijke
gehoorzaamheid aan elk voorschrift en elke inzetting van des
Heeren wil; de leer versieren met een betamelijke,
onberispelijke wandel, gedrag en omgang - dit alles zal de
uitwendige arbeid der liefde zijn; want al deze vruchten
tonen de werkelijkheid, de ernst, de diepte van die liefde
tot Christus, welke de bijzondere wezenstrek is van een uit
God geboren. En gelijk de liefde dus voor de Heere wil
arbeiden, zo wil zij ook arbeiden voor Gods volk; want waar
deze liefde is, daar zal een begeren zijn naar hun welzijn,
hen warm op het hart dragende, met hen delende in moeite en
vreugde; hen dragende en verdragende in tedere genegenheid,
en hun geestelijk voordeel en profijt zoekende. De liefde
zal geen geest van strijd en verdeeldheid aanmoedigen, maar
zal liever begeren te wandelen in zoete vereniging met het
gehele huisgezin Gods in de geest der zachtmoedigheid, alles
verwijderende dat kan bedroeven of stoten. Dit is de arbeid
der liefde; want dit alles zal elke tegenstand van buiten en
van binnen ondervinden; echter kan liefde, ware liefde, die
allen overwinnen.
Maar om tot een besluit te komen, deze drie genaden des
Geestes hebben elk hun bijzonder werk, om ze levend en
gezond te houden. Het is in de genade als in de natuur - met
de ziel even als met het lichaam; zij behoeft lucht en
oefening. Wat is ons lichaam zonder die beide zaken? Kan de
gezondheid zonder dezelve onderhouden worden? Een mens kan
op zijn bed liggen, of op zijn stoel slapen, totdat hij
nauwelijks kan lopen door luiheid of gebrek aan
spijsvertering. Het is de lucht en oefening die het lichaam
gezond houden. Zo is het geestelijk. De genaden des Geestes
moeten dikwijls geoefend en goed in de lucht komen, om ze
gezond te houden, ververst met de zuiveren adem van de hemel
en geoefend met de werkingen van de Heilige Geest, die haar
voorttrekken tot werkzaamheid en ijver. En evenals in de
natuur een mens zijn gezondheid en krachten versterkt door
zijn leden te gebruiken en zijn spieren in beweging te
houden, zo verkrijgen in geestelijke dingen, deze genaden
des Geestes door het gebruik en de oefening
krachtsvermeerdering. Het geloof door hard te werken; de
hoop door veel te verdragen; en de liefde door lang te
arbeiden in het gezicht van bezwaren, worden elk meer
gesterkt, meer bevestigd, meer werkzaam, gezond en krachtig.
Het is een vals geloof om de gehele dag in de leuningstoel
van de luiaard te slapen; het is de hoop des huichelaars die
niets om Christus' wil verdraagt; het is liefde der lippen
en der tong en in naam, die geen arbeid ondergaat om het
beminde Voorwerp te behagen. Ziet op deze zaken in het licht
van uw eigen ervaring. Ziet of gij niet slechts geloof in uw
hart kunt vinden, maar zijn werk; niet slechts geloof, maar
zijn verdraagzaamheid; niet slechts liefde, maar haar
arbeid. De apostel gedacht zonder ophouden het werk huns
geloofs, en de arbeid der liefde en de verdraagzaamheid der
hoop. Zijn oog was niet zozeer gevestigd op hun Christelijke
genaden, als op hun oefening van dezelve. Wijl hij dan op
hen zag en hun geloof vlijtig zag werken, en hun hoop
geduldig verdragende, en hun liefde onvermoeid arbeidende
voor de heerlijkheid Gods en het heil van Zijn volk, was hij
bevredigd dat het genaden des Geestes waren door een
Goddelijke kracht in hun harten gewerkt. En wet mag ik er in
de geest van de apostel bijvoegen, dat er niets meer
bevredigend voor het oog van een leraar, of vertroostend
voor zijn hart is, dan rond te zien onder zijn volk, en niet
alleen hun geloof, maar hun werk van het geloof; niet
slechts hun hoop, maar hun verdraagzaamheid der hoop; niet
slechts hun liefde, maar hun arbeid der liefde te zien. Ik
laat deze zaken aan uw geweten over, opdat gij voor uzelf
mag onderzoeken in hoeverre gij dezelve kent door een
levende bevinding van hun waarheid, hun wezenlijkheid en hun
kracht. Amen.
|