Lezen 1
Korintiers 3:1-10 en 1 Samuel 9
1 En
ik, broeders, kon niet tot u spreken als tot geestelijke
mensen, maar slechts als tot vleselijke, nog onmondigen in
Christus. 2 Melk heb ik u gegeven, geen vast
voedsel, want dat kondt gij nog niet verdragen. Ja, dat kunt
gij ook nu nog niet, 3 want gij zijt nog
vleselijk. Want als er onder u nijd en twist is, zijt gij dan
niet vleselijk, en leeft gij niet als onveranderde
mensen? 4 Want wanneer de een zegt: Ik ben van
Paulus; en de ander: Ik van Apollos; zijt gij dan niet
onveranderde mensen? 5 Wat is dan Apollos? Of wat
is Paulus? Dienaren, door wie gij tot geloof gekomen zijt, en
wel zoals de Here dit aan een ieder geschonken heeft. 6
Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de
wasdom. 7 Daarom, noch wie plant, noch wie
begiet, betekent iets, maar God, die de wasdom geeft. 8
Wie plant en wie begiet, staan gelijk; alleen zal elk zijn
eigen loon krijgen naar zijn eigen werk. 9 Want
Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijt
gij. 10 Naar de genade Gods, die mij gegeven is,
heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, waarop
een ander voortbouwt. Maar ieder zie wel toe, hoe hij daarop
bouwt.
Sprak Paulus in
het voorgaande over het wonder van de Geest Gods, die mensen
leert meedenken met het denken van God, hier spreekt hij rondweg
uit, dat de Korintiërs zover nog niet zijn.
Hij gebruikt als tegenstelling van "geestelijk" het
woord "vleselijk". Dat heeft niet direct met
seksualiteit te maken: het betekent veeleer: natuurlijk, gewoon
menselijk, zoals iedereen, ook: niet-juist.
"Nijd, twist en tweedracht", heersen in Korinte. En
dat niet voor een korte tijd, maar almaar door. Het is hun
"wandel". Het is vooral de richtingen strijd die
Paulus daarbij op het oog heeft: "Ik ben van Paulus",
en een ander: "Ik ben van Apollos".
Paulus, met alle gezag waarmee hij schreef, protesteert. Maar
niet met slechts een afstraffing. Veel mooier: met een
plaatjesles. Hij zegt: "Luister kinderen, jullie maken een
fout. Nou ja, jullie zijn ook nog maar kinderen, je moet nog
groeien! Kijk! Een mooie turn: Korinte. Daar komt een man en
plant plantjes. Die man was ik, de plantjes waren jullie. Daar
komt nog zo'n boer: Kijk hem sproeien met water! De plantjes
groeien. Wie laat ze groeien? God! Kijk uit! Gods dure, door
Zijn liefde in leven gehouden akkerwerk zijn jullie." 't
Gaat niet om de boeren, maar om de oogst.
|