|
Lezen: 1 Korintiërs 1:1-9
1 Paulus,
een geroepen apostel van Christus Jezus door de wil van God,
en Sostenes, de broeder, 2 aan de gemeente Gods
te Korinte, aan de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen
heiligen met allen, die allerwegen de naam van onze Here Jezus
Christus aanroepen, hun en onze Here: 3 genade
zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus
Christus. 4 Ik dank God te allen tijde over u,
vanwege de genade Gods, die u in Christus Jezus geschonken is;
5 want in elk opzicht zijt gij rijk geworden in Hem: in
alle woord en alle kennis, 6 gelijk het
getuigenis aangaande Christus onder u bevestigd is, 7
zodat gij ten aanzien van geen enkele genadegave te kort
komt, terwijl gij uitziet naar de openbaring van onze Here
Jezus Christus. 8 Hij zal u ook bevestigen ten
einde toe, zodat gij onberispelijk zult zijn op de dag van
onze Here Jezus Christus. 9 God is getrouw, door
wie gij zijt geroepen tot gemeenschap met zijn Zoon Jezus
Christus, onze Here.
Op zijn tweede
zendingsreis had Paulus Korinte voor de eerste maal bezocht.
Toen ontstond daar een gemeente.
Ongeveer 3 jaar later schrijft hij deze brief. Paulus schrijft
hem niet alleen uit belangstelling, maar ook omdat hem berichten
hebben bereikt die hem zorg baren (Vgl. 1Kor.11,12). De gemeente
in Korinte is een jonge gemeente en ze bevindt zich in een grote
stad, waarin de diverse culturen uit de landen rondom de
Middellandse Zee door elkaar wonen. Korinte is een handelsstad
met een zeer gemengde bevolking.
Paulus schrijft deze brief ook namens zijn medewerker Sostenes
(1Kor.1:1). Deze Sostenes was in Korinte een leider van de
joodse gemeenschap, evenals Crispus (1Kor.1:14).
Zij hoorden tot de eerste bekeerlingen die Paulus maakte
(Hand.18:8,17). Direct waren zij toen al in ongenade gevallen
bij de joden die niet op de boodschap van Paulus wilden ingaan.
Heel nadrukkelijk zegt Paulus van de christenen dat ze een
afgezonderd eigendom van God zijn, Hem toebehoren door Jezus
(1Kor.1:2). Zo wil hij hen bemoedigen en hen hun plaats laten
zien in de alom groeiende universele gemeente van Jezus. Zij
horen er echt bij!
Paulus heeft kritiek op deze gemeente, maar hij begint met de
HERE te danken (1Kor.1:4). Alleen als dat met betrekking tot
elkaar vooropstaat, is kritiek christelijk en opbouwend.
De Korintiërs zijn rijk geworden in het Woord van God en in het
kennen van God. Het zaad van Gods Woord is er in goede aarde
gevallen en draagt vrucht (1Kor.1:5,6; Vgl. Matt.13: 8,23). Geen
enkele genadegave (De charismata, 1Kor.12 en 14) ontbreekt hun
(1Kor.1:7a). Paulus prijst hen ook om hun uitzien naar de
terugkomst van Jezus (1Kor.1:7b).
Ze kijken uit naar Hem die het centrum van hun leven is. Doet u
dat ook? dat geloof wordt bevestigd (1Kor.1:8,9; Flp.1:6).
Voor de Korintiërs, die net tot geloof gekomen zijn, is het een
bemoediging, te mogen constateren dat er groei is in het geloof
en in de opbouw van de gemeente. Is zo'n groei en zo'n opbouw
ook te zien in uw leven en in uw gemeente?
Kern: het nieuwe leven, dat door het geloof in ons
geplant wordt, moet groeien. God onderhoudt die groei.
Vraag: Hoe kunt u deze groei ook in uw leven en in uw
gemeente bevorderen? (Vgl. Efe.4:11-16.)
Gebed: Laat m'in U blijven, groeien, bloeien, o Heiland
die de wijnstok zijt! Uw kracht moet in mij overvloeien, of 'k
ben een wis verderf gewijd...
|