|
Lezen: 1 Koningen
19:19-21
19 Nadat hij
vandaar gegaan was, trof hij Elisa aan, de zoon van Safat, bezig
te ploegen met twaalf span voor zich, terwijl hij zelf bij het
twaalfde was Toen Elia hem voorbijging, wierp hij hem zijn
mantel toe. 20 Daarop verliet hij de runderen, snelde Elia
achterna en zeide: Laat mij toch mijn vader en mijn moeder
kussen, dan wil ik u volgen. En hij zeide tot hem: Ga heen, keer
terug, want wat heb ik u gedaan? 21
Toen keerde hij van achter hem terug, nam het span runderen,
slachtte het en kookte ze op het ploeghout van de runderen; het
vlees gaf hij aan het volk, en zij aten. Daarna maakte hij zich
gereed, volgde Elia en diende hem.
Toen de profeet
Elia aan het einde van zijn indrukwekkende loopbaan was gekomen en
een persoonlijke ontmoeting met God had gehad bij de berg Horeb,
kreeg hij nog een drievoudige opdracht te vervullen (zie 1Kon.
19:15vv):
-
Hazaël moest
hij zalven tot koning over Aram.
-
Jehu moest
hij zalven tot koning over Israël.
-
Elisa moest
hij zalven tot profeet in zijn plaats.
Het is
merkwaardig dat Elia de eerste twee opdrachten niet heeft vervuld
en dat het verhaal onmiddellijk verdergaat met de roeping van
Elisa, het derde en laatste onderdeel van het Goddelijke bevel.
Het is niet zo dat dit het einde betekende van Elia's eigen
dienstwerk. Wij lezen weer over hem in 1Kon.21, waar hij Achab het
oordeel aanzegt in de wijngaard van Naboth, en ook in 2Kon.1, waar
hij Ahazia's dood voorzegt.
Voor Elisa zijn deze jaren, waarin hij in de nabijheid van de
profeet leefde en hem diende, ongetwijfeld een goede
voorbereidingstijd geweest voor zijn eigen taak.
De beste verklaring voor het uitstel van de aanstelling van
Hazaël en Jehu, is dat God traag is tot toorn en rekening heeft
gehouden met het latere berouw van Achab (1Kon.21:29). God heeft
het oordeel over zijn volk, waarom Elia bij de berg Horeb
impliciet had gevraagd door Israël bij God aan te klagen, zolang
mogelijk uitgesteld: 'Wie dan aan het zwaard van Hazaël
ontkomt, hem zal Jehu doden; en wie aan het zwaard van Jehu
ontkomt, hem zal Elisa doden' (1Kon.19:17). Het heeft nog lang
geduurd voordat deze personen daadwerkelijk werden aangesteld en
hun oordeelswerk hebben uitgevoerd. Hazaël en Jehu werden pas
veel later geroepen tot het koningschap (zie 2Kon.8 en 9).
Van een zalving bij de aanvang van hun taak is alleen sprake in
het geval van Jehu - wij lezen niets over een dergelijke handeling
bij Hazaël en evenmin bij de roeping van Elisa. Het woord
'zalven' moeten wij hier in de eerste plaats verstaan in de
figuurlijke zin van 'aanstellen' of 'toewijden' (vgl. Ps.2:6;
Spr.8:23 St.V.; Ps.105:15; Jes.61:1). Van een letterlijke zalving
van profeten wordt in de Schrift trouwens nergens melding gemaakt,
wel van priesters en koningen.
De enige symbolische handeling die Elia verricht bij de roeping
(misschien moeten we zeggen: de voorlopige aanstelling) van zijn
opvolger, is dat hij hem zijn mantel toewerpt (1Kon.19:19). Het
gebaar is veelzeggend genoeg: Elisa ontvangt de profetenmantel uit
Elia's hand en zal zich in de toekomst hierin mogen hullen
(2Kon.2:12,13). Deze mantel speelt later trouwens nog een
interessante rol bij Elia's tenhemelopneming: het water van de
Jordaan verdeelt zich herwaarts en derwaarts zodra Elia resp.
Elisa met de mantel op het water slaan (2Kon.2:8,14). De Jordaan,
die eindigt in de Dode Zee, kunnen wij betitelen als de
doodsrivier. De macht van de dood moet echter wijken voor de macht
van God, die verder reikt dan de grenzen van de dood. Uiteraard
moeten wij geen magische kracht aan deze mantel zelf toekennen.
Hij is slechts het teken van de macht van God, waarmee Hij zijn
dienstknechten bekleedt.
God roept wie Hij wil
Terwijl Elia (Elia
betekent "mijn God is YHWH" of " Yah is God")
wel omschreven wordt als de profeet van het gericht, is Elisa (Elisa
betekent "God is redding")
bij uitstek de profeet van de genade. Telkens zien wij hem helend
en reddend bezig. Waar hij op het toneel verschijnt daagt er
leven en hoop. Helemaal in strijd hiermee lijkt de
aankondiging dat Elisa de ontkomenen aan Jehu's zwaard zou doden
(1Kon.19:17). Met het zwaard heeft hij in ieder geval niemand
gedood. Zoals gezegd houdt dit vermoedelijk verband met Gods
lankmoedigheid, die om zo te zeggen talmt om het oordeel over zijn
volk te brengen. Toch heeft Elisa's optreden met het
'zwaard' van Gods woord wel geleid tot de dood van tweeënveertig
spottende knapen uit Betel (2Kon.2).
Elisa's roeping ging dus niet gepaard met een zalving, althans
niet in de letterlijke zin van het woord. Inhoudelijk gezien kreeg
hij echter wel deel daaraan. De zalving spreekt immers van
de gave van de Geest en de toerusting door de Geest voor een
bepaald dienstwerk (vgl. 1Sam.16:13; 2Kor.1:21,22;
1Joh.2:20,27). Hij kreeg deel aan de geest van Elia toen hij
hem ten hemel zag varen - evenals wij deelhebben aan de Geest van
Christus na Diens verheerlijking in de hemel. In de kracht
van die Geest kunnen wij onze roeping en taak vervullen.
Elisa was volop bezig toen hij werd geroepen: hij was aan het
ploegen met twaalf span runderen (1Kon19:19). Zijn
woonplaats Abel-Mechola lag niet ver van de Jordaan, ongeveer
halverwege het Meer van Galilea en de Dode Zee. Zijn vader
moet een rijke boer zijn geweest met behoorlijk wat
personeel. Elisa zelf was bij het twaalfde span runderen, en
dat betekent dat er nog elf anderen aan het ploegen waren met de
overige runderen. Uiteraard was dit een geschikte plek om
het hele werk op de akker te overzien. Maar hoewel hij een
positie op de achtergrond innam bij het twaalfde span runderen kon
hij Gods roeping niet ontwijken. God riep hem daar waar hij
was: bij het twaalfde span runderen. En Elia wist hem daar
te vinden en wierp hem zijn mantel toe: voortaan zou hij niet als
akkerbouwer maar als profeet door het leven moeten gaan. God
roept wie Hij wil, en Hij roept ons waar Hij maar wil. Hij roept
aanzienlijken en Hij roept geringen. Akkerbouwers roept Hij
om te ploegen op de akker van deze wereld en dan het zaad van het
Woord van God te zaaien. Vissers roept Hij om hen te maken
tot vissers van mensen. God is soeverein en zijn roeping is levend
en krachtig.
Niet vrijblijvend
Elisa op deze plaats, bij het twaalfde juk runderen, doet mij
denken aan Paulus, die geroepen werd als de geringste en de
laatste van de apostelen en die stamde uit de laatste - de
twaalfde - stam van Israël (1Kor.15:9; Fil.3:5). Toch heeft God
juist door middel van hem een geweldig werk verricht hier op
aarde. God wist ook hem te vinden op de plaats waar hij was,
zelfs toen hij weigerde in het goede spoor te gaan en als een
onverstandig rund hard tegen de prikkels achteruit sloeg
(Hand.26:14). God had hem op het oog, want Hij had hem vanaf
de schoot van zijn moeder afgezonderd en hem door genade geroepen
(Gal.1:15). Paulus mocht de boodschap van het leven en van
Gods rijke genade prediken aan dode zondaars, precies zoals Elisa,
de man Gods, overal waar hij kwam het leven bracht in de dood en
de rijke hulpbronnen van Gods genade opende.
Gods roeping grijpt echter diep in onze situatie en onze
verhoudingen in. Ze is niet vrijblijvend en leidt vaak tot
een breuk met oude vrienden en familie betrekkingen. Wij
zien dat hier ook in het leven van Elisa: hij moet afscheid nemen
van zijn familie, van zijn vader en zijn moeder
(1Kon.19:20). Hij volgt weliswaar gewillig en hij verlaat
zijn runderen, zoals later de discipelen alles wat ze bezaten in
de steek zouden laten om Jezus te kunnen volgen.
Maar hoewel hij Elia achterna snelt, zit hij met het probleem van
zijn familie betrekkingen: 'Laat mij toch mijn vader en mijn
moeder kussen, dan wil ik u volgen'. Het antwoord van de
profeet is toestemmend, maar het herinnert hem wel duidelijk aan
Gods roeping die niet meer ongedaan gemaakt kon worden: 'Ga
heen, keer terug, want wat heb ik u gedaan?'. De
bewoordingen van dit antwoord zijn een beetje vaag, maar worden
door de meeste uitleggers toch opgevat als een toestemming aan
Elisa om afscheid te gaan nemen en dan terug te keren om voortaan
de profeet te volgen
Een voornemen van het hart
Het antwoord van de Here Jezus in een soortgelijke situatie is
veel radicaler. Aan het slot van Lucas 9 lezen wij over iemand die
de Heer wil volgen, maar daaraan de volgende voorwaarde verbindt: 'Ik
zal u volgen, Heer, maar sta mij toe eerst afscheid te nemen van
hen die in mijn huis zijn'. Vermoedelijk wilde hij dit
gebruiken als een excuus om het volgen van de Heer nog maar even
uit te stellen. Maar de Heer, die de harten kent en
doorgrondt, antwoordt hem dan als volgt: 'Niemand die zijn hand
aan de ploeg slaat en achterom kijkt, is geschikt voor het
koninkrijk van God' (Luk.9:61,62). Gods roeping kan geen
uitstel lijden. Ze vereist een voornemen van het hart om de
Heer te dienen en het stellen van bepaalde prioriteiten. Het
koninkrijk van God moet op de éérste plaats komen in ons
leven. Bij Elisa is er gelukkig geen aarzeling om te
volgen. Hij is bereid om zijn hand aan de ploeg te slaan, nu
niet meer op de akker van zijn vader maar op de 'akker' van God:
het arbeidsveld van de twaalf stammen van Israël. Hoewel
hij vanuit menselijk oogpunt bezien een onzekere toekomst tegemoet
ging, gaf God hem een veel groter arbeidsterrein terug.
Op het afscheid van zijn ouders volgt een afscheidsmaaltijd met
het personeel van zijn vader: 'Toen keerde hij van achter hem
terug, nam het span runderen, slachtte het en kookte ze op het
ploeghout van de runderen; het vlees gaf hij aan het volk, en zij
aten' (1Kon.19:21). Soortgelijke inderhaast
georganiseerde offermaaltijden, waarbij het materiaal van
aanwezige voertuigen of werktuigen tot brandhout diende, worden
vermeld bij de terugkeer van de ark van het verbond uit het gebied
der Filistijnen en bij het einde van de plaag over Israël bij de
dorsvloer van de Jebusiet Arauna (1Sam.6:14,15;
2Sam.24:22-25). De maaltijd die Elisa hier houdt (in
eerste instantie een afscheidsmaal, waaraan vanwege de in Israël
geldende offerwetten -- zie Lev.7 en 17 -- het offerkarakter niet
zal hebben ontbroken),
behelst twee belangrijke lessen voor ons:
-
Wij zijn
toegewijd aan de dienst van God op grond van het offer van
Christus, die ons heeft gekocht met de prijs van zijn eigen
bloed. Hij heeft het eigendomsrecht op ons verworven, en
Hij is tevens de grote Profeet die wij voortaan mogen volgen.
-
Onze
onderlinge verbondenheid als gelovigen en de wederzijdse
erkenning van de dienst die onze Heer en Meester aan een ieder
van ons heeft toevertrouwd, is eveneens gegrond op Christus'
offer. Wij weten ons immers met elkaar en met Hem verbonden
door het werk dat Hij voor ons heeft volbracht. Christus is
het ware slachtoffer of vredeoffer, aan Wie wij door het
geloof mogen deelhebben. Deze offermaaltijd geeft uitdrukking
aan de harmonie onder de leden van Gods volk en aan de vrede
met God die zij - ook in praktische zin - mogen genieten.
De nabijheid
van de Meester
Zo begon Elisa aan zijn nieuwe taak: 'Daarna maakte hij
zich gereed, volgde Elia en diende hem'. Wij kunnen ons
afvragen wat zijn dienstwerk zoal inhield. Hij is beslist
niet begonnen met het verrichten van tekenen en wonderen onder
Israël. Hij moest luisteren naar de woorden van de profeet
Elia en onder meer zorgen voor diens persoonlijke behoeften. In
2Kon.3:11 vinden wij een uitspraak die licht hierop werpt: 'Elisa,
de zoon van Safat, die water op Elia's handen goot'. Hij
begon dus met heel simpel werk: het gieten van water over Elia's
handen (bijv. na de maaltijd).
Maar het leven in de nabijheid van de profeet maakte hem langzamer
hand rijp voor andere taken. Dit principe geldt ook voor
ons. Het leven in de tegenwoordigheid van onze Heer en
Meester en het luisteren naar zijn woord is de basis die nodig is
om ons ten volle toe te rusten 'tot alle goed werk'
(2Tim.3:16,17). Laten wij gehoor geven aan de roepstem van onze
hemelse Heer en Hem in getrouwheid dienen. (Bron:
Bode, febr. '91)
|