|
Lezen: 1 Koningen
18:30-39
30
Toen zeide Elia tot het ganse volk: Nadert tot mij. En al het
volk naderde tot hem; en hij heelde het altaar des HEEREN, dat
verbroken was. 31 En Elia nam twaalf stenen, naar
het getal der stammen van de kinderen Jakobs, tot welke het
woord des HEEREN geschied was, zeggende: Israel zal uw naam
zijn. 32 En hij bouwde met die stenen het altaar in
den Naam des HEEREN; daarna maakte hij een groeve rondom het
altaar, naar de wijdte van twee maten zaads. 33 En
hij schikte het hout, en deelde den var in stukken, en leide hem
op het hout. En hij zeide: Vult vier kruiken met water, en giet
het op het brandoffer en op het hout. 34 En hij
zeide: Doet het ten tweeden male. En zij deden het ten tweeden
male. Voorts zeide hij: Doet het ten derden male. En zij deden
het ten derden male; 35 Dat het water rondom het
altaar liep; daartoe vulde hij ook de groeve met water. 36
Het geschiedde nu, als men het spijsoffer offerde, dat de
profeet Elia naderde, en zeide: HEERE, God van Abraham, Izak en
Israel, dat het heden bekend worde, dat Gij God in Israel zijt,
en ik Uw knecht; en dat ik al deze dingen naar Uw woord gedaan
heb. 37 Antwoord mij, HEERE, antwoord mij; opdat
dit volk erkenne, dat Gij, o HEERE, die God zijt, en dat Gij hun
hart achterwaarts omgewend hebt. 38 Toen viel het
vuur des HEEREN, en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en
die stenen, en dat stof, ja, lekte dat water op, hetwelk in de
groeve was. 39 Als nu het ganse volk dat zag, zo
vielen zij op hun aangezichten, en zeiden: De HEERE is God, de
HEERE is God!
Verloren, het
spel is uit, de Baälpriesters zijn ontmaskerd. De ogen van
het volk gaan nu eindelijk open. Hoe lang kan het soms duren
voor je door hebt dat het dienen van de afgoden je alleen maar
ongelukkig maakt. Elia bidt op de Karmel: Here, toon
toch dat U God bent. Bidt dit ook maar vaak. Je kunt
je helemaal alleen voelen in je klas, of op je werk, misschien ben
je zelfs de enige die naar de kerk gaat. Ben jij de enige
die niet vloekt in je groep, of op je afdeling.
In je hart kan zo'n stille roep zijn: Here, toon dat u God
bent. God laat je nooit in de kou staan. Hij toont
Zijn Liefde en Zijn Trouw.
Elia ziet hoe zijn gebed verhoord wordt. Het doornatte altaar en
offerdier wordt in een flits door het Goddelijk vuur
verteerd. Nu vallen de mensen op de Karmel neer, ze buigen
zich diep en roepen: "De Here is God, de Here is
God."
Toch is dit nog niet genoeg. Het gaat in ons leven om de
woorden die Tho- mas uitsprak: Mijn Here, Mijn God.
Het gaat erom of we persoonlijk de Here God kennen. Dan
ontstaat er in je hart een liefdesband met de Here Jezus. Je wilt
steeds meer van Hem weten, je wilt hem beter leren kennen en Hem
ook dienen. Dan worden veel dingen opeens veel
gemakkelijker. Terwijl je vroeger nog aarzelde, wat moet ik
kiezen, wordt het nu: Wat wil de Here dat ik doen zal.
|