|
Lezen: 1 Koningen
18:1-16
1 En het
gebeurde na vele dagen, dat het woord des HEEREN geschiedde tot
Elia, in het derde jaar, zeggende: Ga heen, ver- toon u aan
Achab; want Ik zal regen geven op den aardbodem. 2 En
Elia ging heen, om zich aan Achab te vertonen. En de hon- ger
was sterk in Samaria. 3 En Achab had, Obadja, den
hof- meester, geroepen; en Obadja was den HEERE zeer
vrezende. 4 Want het geschiedde, als Izebel de
profeten des HEEREN uitroei- de, dat Obadja honderd profeten
nam, en verborg ze bij vijftig man in een spelonk, en onderhield
hen met brood en water. 5 En Achab had gezegd tot
Obadja: Trek door het land, tot alle wa- terfonteinen en tot
alle rivieren; misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de
paarden en de muilezelen in het leven behouden, en niets
uitroeien van de beesten. 6 En zij deelden het land
onder zich, dat zij het doortogen; Achab ging bijzonder op een
weg, en Obadja ging ook bijzonder op een weg. 7 Als
nu Obadja op den weg was, ziet, zo was hem Elia tegemoet; en hem
kennende, zo viel hij op zijn aangezicht, en zeide: Zijt gij
mijn heer Elia? 8 Hij zeide: Ik ben het; ga heen,
zeg uw heer: Zie, Elia is hier. 9 Maar hij zeide:
Wat heb ik gezondigd, dat gij uw knecht geeft in de hand van
Achab, dat hij mij dode? 10 Zo waarachtig als de
HEERE, uw God, leeft, zo er een volk of koninkrijk is, waar mijn
heer niet gezonden heeft, om u te zoeken; en als zij zeiden: Hij
is hier niet; zo nam hij dat koninkrijk en dat volk een eed af;
dat zij u niet hadden gevonden. 11 En nu zegt gij:
Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier. 12 En het
mocht geschieden, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de
Geest des HEEREN u wegnam, ik weet niet waarheen; en ik kwam, om
dat Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zo zou hij mij
doden; ik, uw knecht, nu vrees den HEERE van mijn jonkheid
af. 13 Is mijn heer niet aangezegd, wat ik gedaan
heb, als Izebel de profeten des HEEREN doodde? Dat ik van de
profeten des HEEREN honderd man heb verborgen, elk vijftig man
in een spelonk, en die met brood en water onderhouden heb?
14 En nu zegt gij: Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is
hier, en hij zou mij doodslaan. 15 En Elia zeide:
Zo waarachtig als de HEERE der heirscharen leeft, voor Wiens
aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem ver-
tonen!
Dubbelspel
spelen is erg gevaarlijk.
Een dubbelspion loopt met de dood in de schoenen. Dit is ook het
geval bij Obadja. Voor het oog lijkt Obadja een trouwe,
toegewijde knecht van koning Achab. Hij is hofmeester,
belast met de huishouding, met het eten en drin- ken van het
koningshuis. De goddeloze Achab moest eens weten dat zijn
dienaar in het geheim honderd profeten, knechten Gods, in een
spelonk ver- borgen had en in het diepste geheim van voedsel
voorzag.
Dit was een gigantisch probleem voor Obadja, er was at drie jaar
droogte en honger in het land. Toch heeft hij er voor gekozen om
goed voor Gods knechten te zorgen. Een keuze die hem het leven kan
kosten. Maar vanuit zijn geloof doet Obadja dit.
De zorg voor deze profeten is zijn levenstaak, zijn levensroeping
en ook zijn levensdoel geworden. Nu moet Obadja echter Achab
bij Elia brengen. Zal alles nu uitkomen?
Obadja zegt dat hij erg tegen deze opdracht op ziet en voert als
verdediging aan: "Elia, je weet toch dat ik van mijn jeugd
af aan de Here dien!" Geweldig als je zo mag leven
als Obadja, vanaf je jeugd God te dienen. Dat geeft kracht,
maar ook betrokkenheid, zorg voor je medemens. Elia stelt
Obadja gerust en nu durft hij naar koning Achab te gaan om te
zeggen dat Elia op hem wacht. |